Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7965

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
13/680185-15 en 13/123930-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man is veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf voor een gewelddadige woningoverval op 9 augustus 2015 in Noord-Scharwoude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/680185-15

13/123930-13 (tul)

Datum uitspraak: 2 november 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. al Mansouri en wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 augustus 2015 te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 5,5 kilogram hennep, althans een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of de stiefvader van voornoemde [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) naar de woning en/of verblijfplaats van voornoemde [slachtoffer] is/zijn toegegaan en/of (vervolgens) een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gezet en/of gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of dat (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 augustus 2015 tot en met 10 augustus 2015 te Amsterdam en/of Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (model: Olympic 38, merk: Bruno Bruni Milano) en/of munitie van categorie III, te weten 8 patronen (kaliber .22 Long Rifle), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 augustus 2015 tot en met 10 augustus 2015 te Amsterdam en/of Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 5,5 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

(gevoegde zaak 659.336/15)

hij op of omstreeks 04 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (bestel)auto (merk/type Volkswagen Transporter, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel te weten door gebruik te maken van een (reserve)sleutel welke op of omstreeks 02 september 2014 wederrechtelijk was weggenomen uit een woning (perceel [adres 1] );

Subsidiair:

hij op of omstreeks 04 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (bestel)auto (merk/type Volkswagen Transporter, gekentekend [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde (bestel)auto wist en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feit 1 en feit 3

De telefoongesprekken die [slachtoffer] kort na de overval heeft gevoerd en de Whatsappberichten die zij naar verdachte heeft verzonden, wijzen erop dat er geen sprake van is dat [slachtoffer] en verdachte onder een hoedje zouden spelen.

Feit 2

Het wapen dat door medeverdachte [medeverdachte] bij zijn aanhouding is weggegooid, is hetzelfde wapen als het wapen dat bij de overval is gebruikt. Verdachte trok zowel voor, tijdens als na de overval gezamenlijk op met [medeverdachte] , zodat ook verdachte dit wapen voorhanden heeft gehad.

Feit 4

Dat verdachte de auto zelf heeft weggenomen kan niet worden bewezen, wel dat hij de auto voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. De auto blijkt om 17:09 uur te zijn weggenomen en staat korte tijd later, om 17:24 uur, bij de vriendin van [medeverdachte] voor de deur in de [straat] . Verdachte kent [medeverdachte] . Het DNA van verdachte is in de auto aangetroffen, dus er kan van worden uitgegaan dat hij kort na het wegnemen in de auto heeft gezeten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op nader in zijn pleitaantekeningen omschreven gronden – kort samengevat – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

De vervolging van verdachte is aangevangen op grond van een tap die afkomstig is uit een ander onderzoek, te weten een onderzoek tegen de broer van verdachte (13MENTA).

De officier van justitie heeft geweigerd het uit dat onderzoek afkomstige proces-verbaal dat bij de vordering tot het tappen van de telefoon van verdachte was gevoegd, aan de verdediging te verstrekken. Nu dit proces-verbaal ontbreekt kan niet worden vastgesteld dat het tappen van de telefoon van verdachte vanaf 31 juli 2015 rechtmatig heeft plaatsgevonden. Dat levert op een onherstelbaar vormverzuim waardoor het recht op privacy van verdachte is geschonden. Het resultaat van dat vormverzuim, te weten de inhoud van de tapgesprekken en alles wat daarvan het gevolg is, dient als ‘fruits of the poisonous tree’ van het bewijs te worden uitgesloten.

Hetgeen resteert is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Ook indien de rechtbank dit verweer verwerpt dient er vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 4 te volgen, om de navolgende redenen. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Feit 1

Voor feit 1 is onvoldoende overtuigend bewijs. Verdachte heeft van begin af aan verklaard dat hij met [slachtoffer] onder één hoedje heeft gespeeld om haar stiefvader op te lichten. Gesprekken en Whatsappberichten waarin [slachtoffer] overstuur een aantal personen opbelt nadat verdachte de hennep heeft meegenomen, passen in dit plan. Ook de omstandigheid dat een deel van de buit (1,5 kilo van de 5,5 kilo hennep) voor een derde werd gereserveerd, past in dit scenario.

De verklaring van [slachtoffer] dat er een wapen op haar zou zijn gericht kan niet voor het bewijs worden gebruikt. De verdediging heeft ten aanzien van deze getuige niet het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, omdat zij na haar eerste verklaring in het geheel niets meer heeft willen verklaren.

Subsidiair dient verdachte te worden vrijgesproken van het gebruik van een vuurwapen. Het gebruik daarvan komt uit één bron, [slachtoffer] , en voor het overige is hiervoor in het dossier geen ondersteuning te vinden.

Feit 2

Uit niets blijkt dat verdachte zich bewust was van het feit dat medeverdachte [medeverdachte] bij zijn aanhouding een wapen bij zich had en dat verdachte daar op enig moment de beschikkingsmacht over had. Er is ook geen bewijs dat dit wapen hetzelfde wapen is als het wapen dat bij feit 1 zou zijn gebruikt.

Feit 4

Het DNA op de versnellingspook van de bestelauto betreft een mengprofiel. Dit spoor kan daar via secundaire overdracht terecht zijn gekomen. De aanwezigheid van celmateriaal bewijst dan ook niet dat verdachte op enig moment met de versnellingspook in contact is geweest. Enig steunbewijs ontbreekt geheel.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Anders dat de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen dat [medeverdachte] bij zijn aanhouding op 10 augustus 2015 heeft weggegooid, hetzelfde wapen is als het wapen dat een dag eerder bij de overval op [slachtoffer] is gebruikt. Dat verdachte zich ervan bewust was dat [medeverdachte] op 10 augustus 2015 een wapen bij zich droeg, blijkt niet uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals beschreven in rubriek 5. De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte deze strafbare feiten heeft begaan op de redengevende feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn opgenomen (bijlage 1). De rechtbank zal haar beslissing hieronder motiveren en daarbij de standpunten van de officier van justitie en de raadsman betrekken.

Vormverzuim / Bewijsuitsluiting

Vast staat dat de door de raadsman bedoelde machtiging tot het tappen van de telefoon van verdachte niet is verleend in het onderhavige onderzoek tegen deze verdachte, maar in een ander onderzoek tegen zijn broer. Om die reden gaat de stelling van de raadsman dat het hier zou gaan om een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv niet op. Het voorbereidend onderzoek in de zin van deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen verdachte in zijn eigen zaak. Voor zover het verweer ziet op de rechtmatigheid van het bevel tot tappen, ziet de rechtbank in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat het bevel tot tappen op onjuiste gronden zou zijn gegeven. en acht zij een onderzoek daarnaar ook niet noodzakelijk. De aanvraag voor de machtiging en de door de rechter-commissaris getekende machtiging zijn overgelegd en er zijn geen indicaties dat er zich (anderszins) een onrechtmatigheid heeft voorgedaan.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Feit 1 en feit 3

Naar aanleiding van informatie afkomstig uit een lopend onderzoek tegen de broer van verdachte ontstaat bij de politie de indruk dat de gebruiker van een in dat onderzoek getapte telefoon zich bezig houdt met de handel in verdovende middelen. Het gaat om het telefoonnummer [nummer] , welk nummer in gebruik bleek te zijn bij verdachte, naar wie vervolgens een onderzoek is gestart.

Uit telefoongesprekken van verdachte met diverse personen vanaf 6 augustus 2015 blijkt dat verdachte belangstelling heeft voor een hoeveelheid van meerdere kilo’s verdovende middelen, naar later blijkt hennep, die in het bezit is van [slachtoffer] en haar stiefvader. Afgaande op de inhoud van die gesprekken lijkt verdachte aanvankelijk het plan te hebben om de partij hennep van [slachtoffer] te kopen. Er wordt een afspraak gemaakt om een monster van de hennep te gaan halen en verdachte krijgt van [slachtoffer] het adres door waar hij moet zijn, namelijk bij haar thuis in Noord-Scharwoude. Een van de personen waarmee verdachte de aanstaande koop bespreekt is [naam 2] . Met hem bespreekt verdachte de hoeveelheid hennep die kan worden gekocht en de prijs die daarvoor betaald moet worden. Kennelijk besluit verdachte op enig moment om de hennep niet te kopen, maar te stelen. Ook dit voornemen bespreekt hij weer telefonisch met [naam 2] . Het is dan 9 augustus 2015 (13:52 uur) en verdachte zegt tegen [naam 2] dat hij eraan denkt om de hennep in een auto te zetten naar een benzinepomp te rijden en [slachtoffer] de auto uit te sturen, en als ze niet wil uitstappen hij dan “d’r moer d’r uit slaat”. Verdachte zegt tegen [naam 2] dat ze het vandaag gaan halen, niet morgen. Even later (14:30 uur) belt [naam 2] verdachte en hebben ze het erover dat haar huis leeg moet zijn als ze daar heen gaan. Verdachte zegt dan vervolgens dat ze ook daar naartoe kunnen gaan en “gewoon schijt met der. Ik bratta (rb: drank) meenemen, wanneer ze nokkie is, sla ik haar een paar keer loesoe” en “Als ik ga wil ik het gewoon pakken.” De hennep zou in twee zakken zitten.

Om 18:33 uur blijkt [naam 2] niet meer mee te gaan met verdachte. Verdachte zegt in een gesprek met iemand van wie hij een auto wil lenen dat hij met zijn nifo (neef) gaat. Dat blijkt ook uit het daaropvolgende gesprek met een persoon waarvan later wordt vastgesteld dat dat [medeverdachte] , de neef van verdachte, is. Verdachte zegt tegen [medeverdachte] dat hij nu met hem kan meegaan en dat ze vijf en een half gaan pakken en dat ze daarvan twee de man krijgen. [medeverdachte] stemt daarmee in. Kort daarna haalt verdachte [medeverdachte] op.

Om 20:29 uur wordt [slachtoffer] gebeld door haar stiefvader. [slachtoffer] is dan hevig geëmotioneerd. Uit het gesprek volgt dat zij zojuist door de kopers van de hennep is overvallen en dat zij daarbij een pistool op haar hoofd gezet heeft gekregen. Ditzelfde meldt zij ook in een sms-bericht aan haar vriendin [naam vriendin] , waarbij zij de naam van verdachte noemt.

Ook stuurt [slachtoffer] om 21:15 uur aan verdachte Whatsappberichten waarin zij haar afschuw en grote verontwaardiging laat blijken over wat haar zojuist is overkomen. Ook hier komt het pistool weer ter sprake. Zo schrijft [slachtoffer] onder andere: “Zielig klein kut ventje, beetje pistool voor me houden. Wauw wat ben jij laag zeg!! Had dit nooit verwacht van jou walg van je geen respect heb je! Hoop dat je opgepakt wordt met je troep.’

Bewezen acht de rechtbank voorts dat verdachte en [medeverdachte] op 9 augustus 2015 naar de woning van [slachtoffer] in Noord-Scharwoude zijn gegaan, daar twee zakken hennep hebben meegenomen zonder daarvoor te betalen en dat zij die zakken vervolgens naar Amsterdam hebben vervoerd. Dit heeft verdachte bekend. Verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat de in zijn woning aangetroffen wiet, bij [slachtoffer] vandaan komt.

Over de wijze waarop verdachte en [medeverdachte] zich de hennep hebben toegeëigend lopen de verhalen echter uiteen.

Scenario verdachte

Verdachte heeft verklaard dat van een zogenaamde rip deal geen sprake was, maar dat hij met [slachtoffer] onder een hoedje heeft gespeeld, en dat de diefstal in scène is gezet. In het licht van de hiervoor beschreven gesprekken acht de rechtbank deze lezing van verdachte echter niet geloofwaardig. De gesprekken voorafgaand aan de overval duiden nadrukkelijk op een verschuiving van een koop naar een rip deal. Dit alles gebeurt op initiatief van verdachte, en niets wijst erop dat sprake was van een complot met [slachtoffer] . Zij komt slechts in beeld als verkoopster van de hennep. In dat verband is bijvoorbeeld ook het Whatsappgesprek tussen verdachte en [slachtoffer] van 9 augustus 2015 (18:15 uur) tekenend. [slachtoffer] informeert naar de plannen van verdachte en wijst hem erop dat als hij meteen meeneemt (de rechtbank begrijpt: de hennep), hij dan wel geld moet meenemen. Verdachte antwoord dat hij dat ook wel weet.

Daarnaast blijkt uit het telefoonverkeer van [slachtoffer] kort na de overval, dat zij overstuur en geschrokken was. In de Whatsappberichten die verdachte en [slachtoffer] over en weer hebben verzonden en in de telefoongesprekken die verdachte heeft gevoerd, wordt bovendien met geen woord gerept over de door verdachte gestelde afspraak met [slachtoffer] .

Verdachte heeft bovendien, na zich bij de politie aanvankelijk op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, de gang van zaken rond de door hem gestelde afspraak met [slachtoffer] niet nader willen toelichten. Het enkele noemen van een afspraak acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet voldoende. Het lag in de macht van verdachte om hierover desgevraagd nadere informatie te verschaffen en dat heeft hij niet willen doen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] samen [slachtoffer] in haar woning hebben overvallen en daarbij twee zakken hennep van haar hebben gestolen.

Gebruik wapen

[slachtoffer] heeft verklaard dat de vriend van [verdachte] (zijnde verdachte) een klein zwart pistool of een kleine zwarte revolver, -zij weet het verschil niet- tegen haar hoofd heeft gehouden. Uit deze verklaring en uit taps van kort na de overval blijkt dat [slachtoffer] hierdoor behoorlijk overstuur en verontwaardigd was. Een dag na de overval is verdachte aangehouden samen met [medeverdachte] . [medeverdachte] droeg toen een vuurwapen, waarvan hij zich probeerde te ontdoen. Met dat laatste feit is gegeven dat het voor [medeverdachte] niet ongewoon is om een vuurwapen bij zich te dragen. Dit gegeven gecombineerd met dat blijkens de tapgesprekken verdachte er rekening mee hield dat [slachtoffer] in de woning aanwezig zou zijn op het moment dat hij en [medeverdachte] daar naar toe gingen en verdachte voorzag dat hij zich de hennep zo nodig met geweld zou moeten toeeigenen en daartoe ook bereid was, maakt dat er voldoende bewijs is dat bij de rip-deal als bedreigingsmiddel een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is gebruikt. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] op dit punt geloofwaardig, nu deze wordt ondersteund door taps en andere bewijsmiddelen en er bovendien bij een rip-deal uit de aard der zaak enig dreigmiddel zal zijn toegepast, omdat vrijwillige afdracht niet in de rede ligt.

Feit 4

Op de versnellingspook van de Volkswagen Transporter is epitheel met DNA van verdachte aangetroffen. Uit track en trace gegevens van de auto valt af te leiden dat deze op 4 september 2014 om 05:09 uur is gestolen en diezelfde dag om 05:24 is geparkeerd in de [straat] te Amsterdam. Daar is de auto vervolgens later in de ochtend ook aangetroffen. Met de interpretatie van DNA-resultaten die voortkomen uit onderzoek naar biologische contactsporen dient behoedzaam te worden omgegaan. In het onderhavige geval zijn de sporen aangetroffen op de versnellingspook, een vast onderdeel van de auto. Een onderdeel dat bovendien altijd wordt gebruikt wanneer er met de auto wordt gereden. Daarom zullen het zeer recente sporen betreffen die nog niet door andere sporen zijn ‘overschreven’. Verdachte is voorts op basis van het dossier op geen enkele manier te linken aan de eigenaar van de auto of aan andere personen die van de auto gebruik zouden kunnen maken. Op grond hiervan is de conclusie gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat in het korte tijdsbestek van 15 minuten dat met de gestolen auto is gereden het DNA-materiaal van verdachte op de versnellingspook terechtgekomen is. De rechtbank is van oordeel dat dit alles ‘schreeuwt’ om een verklaring. Het had op de weg van verdachte gelegen om te verklaren hoe zijn DNA op de versnellingspook terecht heeft kunnen komen, als hij niet bij het delict betrokken zou zijn geweest. Verdachte heeft echter voor deze belastende omstandigheid geen enkele verklaring willen geven. De raadsman heeft nog gewezen op de mogelijkheid van een secundaire overdracht van DNA-materiaal door een deskundigenrapport in een andere zaak te overleggen. De rechtbank kan dat rapport niet gebruiken en baseert zich uitsluitend op het in de onderhavige zaak uitgebrachte rapport waaruit volgt dat de matchkans minder is dan 1 op 1 miljard.

De rechtbank is gelet hierop, anders dan de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte degene is geweest die de auto heeft gestolen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 9 augustus 2015 te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid hennep, toebehorende aan [slachtoffer] en/of de stiefvader van [slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededader naar de woning van [slachtoffer] zijn toegegaan en vervolgens een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van [slachtoffer] hebben gezet;

3.

op 9 augustus 2015 te Amsterdam en Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 5,5 kilogram hennep;

4.

op 04 september 2014 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bestelauto (merk/type Volkswagen Transporter, gekentekend [kenteken] ), toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een (reserve)sleutel welke op of omstreeks 02 september 2014 wederrechtelijk was weggenomen uit een woning (perceel [adres 1] );

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest. Wat betreft het beslag dienen het kogelvrije vest, de zwarte plastic zak, de revolver en de munitie onttrokken te worden aan het verkeer. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uur wordt toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – kort gezegd – aangevoerd dat, bij een op te leggen straf rekening dient te worden gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden, en dat verdachte geen relevante recente documentatie heeft.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan een woningoverval. De daders wisten zich de toegang tot de woning te verschaffen door zich in eerste instantie voor te doen als kopers van enkele kilo’s hennep. Eenmaal in de woning werd de verkoopster door de mededader een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, tegen het hoofd gezet en hebben verdachte en zijn mededader de hennep weggenomen. Na de overval hebben verdachte en zijn mededader de zakken hennep naar Amsterdam vervoerd. De overval vond plaats op initiatief van verdachte. Hij is ook degene die een in zijn ogen geschikte mededader regelde en bepaalde hoe de buit zou worden verdeeld.

Het slachtoffer voelde zich als gevolg van de overval zo onveilig in haar eigen woning dat zij daar niet langer meer durfde te verblijven. Anderzijds nam het slachtoffer ook een zeker risico door zich bezig te houden met de handel in hennep en begaf zij zich in kringen waarvan men weet dat dit een zeker gevaar met zich brengt. Dergelijke feiten zorgen ook in het algemeen voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij de samenleving.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een auto. Verdachte heeft het slachtoffer, dat de auto weliswaar weer snel terug had, hiermee overlast bezorgd.

Uit een uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in het verleden vaker is veroordeeld, waaronder ook voor Opiumwet- en vermogensdelicten.

De rechtbank neemt wat betreft de hoogte van de op te leggen straf als uitgangspunt de oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarin voor een woningoverval waarbij sprake is van ‘licht’ geweld een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren het oriëntatiepunt is.

Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de feiten inmiddels meer dan twee jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit maakt ook dat de redelijke termijn waarbinnen feiten dienen te worden berecht met twee maanden is overschreden, nu verdachte immers sinds zijn aanhouding en inverzekeringstelling op 10 augustus 2015 met een vervolging voor dit feit diende rekening te houden. Waar de rechtbank in aansluiting bij de oriëntatiepunten Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor feiten als het onderhavige normaal gesproken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden zou hebben opgelegd, zal zij in dit geval om die reden volstaan met het opleggen van een straf dit 5% lager is, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een jammer (5028199)

  • -

    een jammer (5028172)

  • -

    een revolver (5027308)

  • -

    8 stuks munitie (5027309)

die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan en/of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een zak (kleur: zwart) (5027729)

dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 3 bewezengeachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met algemeen belang.

Benadeelde partij

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 4 primair bewezen verklaarde feit. De opgegeven schade houdt verband met een woninginbraak die kort voor de diefstal van de auto bij dezelfde benadeelde partij werd gepleegd, en waarbij de reservesleutel van de auto werd gestolen. Deze schade is niet rechtstreeks veroorzaakt door de diefstal van de auto.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 augustus 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/123930-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 2 december 2013 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet hierin in dit geval echter geen aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van een taakstraf niet opportuun vanwege de langdurige gevangenisstraf die in onderhavige zaak aan verdachte wordt opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 4 primair bewezenverklaarde:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    een jammer (5028199)

  • -

    een jammer (5028172)

  • -

    een zak (kleur:zwart) (5027729)

  • -

    een revolver (5027308)

  • -

    8 stuks munitie (5027309)

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    een foto (5028286)

  • -

    een papier (5028290)

  • -

    een horloge (kleur: rood) (5027665)

  • -

    geld ten bedrage van € 1.343,75 (5027681)

  • -

    een navigator (TOMTOM) (5028256)

  • -

    een zaktelefoon (BLACKBERRY) (5028264)

  • -

    een kogelvrij vest (5035499)

  • -

    een MP3-speler (APPLE IPOD) (5028263)

  • -

    een zaktelefoon (SAMSUNG, kleur: wit( (5028265)

  • -

    een autosleutel met label (5028287)

  • -

    een zaktelefoon (BLACKBERRY, kleur: zwart) (5028262)

Verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/123930-13 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2017.

De oudste rechter is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.