Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:794

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
13/728194-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 248b Sr, ontucht met minderjarige prostituee. Veroordeling tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een dag en een werkstraf voor 120 uren. Bij strafmaat is aansluiting gezocht bij de arresten van het gerechtshof Den Bosch in de Valkenburgse zedenzaken. Geen strijd met zogenaamd taakstrafverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728194-15 (Promis)

Datum uitspraak: 14 februari 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.F. de Boer, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. S. Burmeister, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2014 tot en met 11 februari 2014 in de gemeente Diemen, in elk geval elders in Nederland (meermalen) ontucht heeft gepleegd met [naam] , geboren op [geboortedatum] 1996 die zich (onder de werknaam " [werknaam] " en/of " [werknaam 1] ")

beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht (onder meer) bestond uit:

- het aanraken en/of betasten en/of voelen van de borsten en/of de vagina van die [naam] en/of

- het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door die [naam] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina en/of de anus van die [naam] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

De standpunten van partijen

4.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode tweemaal ontucht heeft gepleegd met het zeventienjarige slachtoffer. Deze ontucht bestond uit pijpen en/of aftrekken. Zij baseert zich daarbij op de sms berichten die zijn aangetroffen op de telefoon van het slachtoffer en die op 2 februari 2014 tussen 00.12 uur en 00.43 uur zijn ontvangen vanaf het telefoonnummer van verdachte. Uit deze sms berichten blijkt dat verdachte met het meisje dat hij ‘ [werknaam 1] ’ noemt af wil spreken en dat hij al eerder bij haar is geweest en dat dat ‘lekker’ was. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij klanten ontving op de [adres1] in Diemen en met klanten bijna altijd wel seks heeft gehad en dat zij daarmee binnendringen bedoelt. Verdachte heeft bekend dat hij op de [adres1] in Diemen is geweest bij een prostituee en herkent ‘ [werknaam 1] ’ van een foto. Hij is twee keer bij haar geweest en denkt orale en/of handmatige seks met haar te hebben gehad.

4.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte in de ten laste gelegde periode seks heeft gehad met het slachtoffer. Uit de sms berichten van 2 februari 2014 van verdachte aan het slachtoffer kan weliswaar worden afgeleid dat zij elkaar voor deze datum al eens hebben getroffen, maar daaruit blijkt niet wanneer dit is geweest en of deze ontmoeting binnen de ten laste gelegde periode plaats heeft gevonden. Daarbij is van belang dat de advertentie van het slachtoffer op de website www.seksjobs.nl is aangemaakt op 26 december 2013 en dat verdachte heeft verklaard ook deze website te hebben gebruikt. Het is mogelijk dat verdachte en het slachtoffer elkaar vóór de ten laste gelegde periode hebben getroffen.

Ook kan volgens de raadsman niet bewezen worden dat sprake is geweest van een tweetal afspraken, nu dit slechts een basis vindt in de verklaring van verdachte dat hij denkt dat hij twee keer bij ‘ [werknaam 1] ’ is geweest. Uit het sms-verkeer blijkt dat zij elkaar vóór 2 februari 2014 hebben getroffen, maar er wordt geen concrete afspraak gemaakt voor een nieuw bezoek. Dat een tweede afspraak heeft plaatsgevonden kan niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Hoe dan ook kan niet worden bewezen waaruit de ontucht die verdachte zou hebben gepleegd precies heeft bestaan. Op de vraag welke handelingen zijn verricht heeft verdachte verklaard: “Ik denk oraal, maar ik weet het niet zeker. Misschien wel alleen handmatig”. Het dossier bevat overigens geen aanknopingspunten of en zo ja welke seksuele handelingen tussen verdachte en het slachtoffer hebben plaatsgevonden.

4.2.

Partiële vrijspraak

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte tweemaal ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer.

Uit de sms berichten die verdachte op 2 februari 2014 naar het slachtoffer heeft gestuurd kan worden afgeleid dat verdachte met het slachtoffer dat hij ‘ [werknaam 1] ’ noemt af wil spreken en dat hij al eerder bij haar is geweest en dat dat ‘lekker’ was. Uit het sms-contact blijkt echter niet dat er een concrete afspraak is gemaakt om elkaar nogmaals te ontmoeten. Het sms-contact houdt immers op na de laatste sms op 2 februari 2014 om 00.43 uur van verdachte, die luidt: “laat me weten mocht je eerder kunnen ajb. Truste. X”. De enkele omstandigheid dat verdachte bij zijn politieverhoor op de vraag hoe vaak hij bij het slachtoffer is geweest verklaart: “Ik denk twee keer” is onvoldoende om vast te stellen dat er op of na 2 februari 2014 opnieuw een ontmoeting tussen verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden.

4.3.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte eenmaal ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer en dat dit binnen de tenlastegelegde periode is geweest.

Uit de sms-berichten blijkt dat verdachte voorafgaand aan 2 februari 2014 ontucht met het slachtoffer heeft gepleegd. Bij de rechter-commissaris heeft het slachtoffer verklaard dat zij vier of vijf weekenden voordat de politie kwam, in Diemen heeft gewerkt. Uit het dossier volgt dat de politie op 11 februari 2014 op de [adres1] is binnengetreden. Uitgaande van vijf weekenden, betekent dit dat het slachtoffer niet eerder dan op 7 januari 2014 is begonnen met werken in Diemen. Dit valt binnen de tenlastegelegde periode.

De rechtbank interpreteert de verklaring van verdachte “Ik denk oraal, maar ik weet het niet zeker. Misschien wel alleen handmatig” als volgt: dat verdachte misschien is gepijpt, maar in ieder geval is afgetrokken door het slachtoffer.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 2 januari 2014 tot en met 11 februari 2014 in de gemeente Diemen, ontucht heeft gepleegd met [naam] , geboren op [geboortedatum] 1996 die zich, onder de werknaam " [werknaam 1] ", beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht bestond uit het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes, penis door die [naam] en/of het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, waarbij zij zich onder meer heeft gebaseerd op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de Richtlijn van het Openbaar Ministerie met betrekking tot artikel 248b Sr (2015R054). Met het opleggen van een taakstraf gecombineerd met een gevangenisstraf voor de duur van één dag, zoals is gebeurd in de zogenaamde Valkenburgse zedenzaak (onder meer ECLI:NL:GHSHE:2016:5684), toetst de rechter in wezen de innerlijke waarde van artikel 22b Sr en dat is volgens artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen verboden. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 22b Sr blijkt volgens de officier van justitie dat de wetgever nadrukkelijk heeft bedoeld dat voor delicten als artikel 248b Sr alleen een taakstraf kan worden opgelegd als deze wordt gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en voor het overige geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks tegen betaling met een minderjarige in de leeftijd tussen 16 en 18 jaar, zoals strafbaar is gesteld in artikel 248b van het Wetboek van strafrecht. Dit is een ernstig feit. Met artikel 248b Sr is beoogd minderjarigen een doeltreffende strafrechtelijke bescherming tegen jeugdprostitutie te bieden.

Niet is gebleken dat verdachte op enige wijze de leeftijd van het slachtoffer heeft gecontroleerd. Hij vertrouwde er kennelijk op dat de op de website vermelde leeftijd van 19 jaar juist was. Door na te laten de leeftijd van het slachtoffer te controleren heeft verdachte het ongeoorloofde risico genomen dat het slachtoffer minderjarig was. Hij was temeer tot controle verplicht, omdat hij te maken had met een, ook naar de onware opgave op de website, jeugdig persoon. Door toch seks met het slachtoffer te hebben heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie en dit moet hem ernstig worden aangerekend.

Voor het bepalen van de strafvorm en strafmaat zijn verder van belang de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Omtrent de omstandigheden is het volgende gebleken.

- Het minderjarige slachtoffer was ten tijde van het feit 17 en een half jaar oud;

- Zij heeft verklaard dat zij prostitutiediensten aanbood via advertenties op de internetwebsites kinky.nl en sexjobs.nl;

- In deze advertenties stond in strijd met de waarheid vermeld dat zij 19 jaar was. Via een telefoonnummer op deze website konden klanten met haar in contact komen;

- Na telefonisch of sms-contact gaf zij het adres door van de woning waar de prostitutie plaats vond;

- Verdachte heeft gereageerd op een van de internetadvertenties;

- Het slachtoffer heeft verklaard dat zij wel ouder werd geschat dan haar kalenderleeftijd;

- Verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft getwijfeld aan haar meerderjarigheid;

- De bewezen verklaarde handelingen bestaan uit pijpen en/of aftrekken;

- Uit twee door de officier van justitie aan het dossier toegevoegde arresten van het Gerechtshof Amsterdam (arresten van 19 september 2016, parketnummers: 23/001907-15 en 23/001898-15) blijkt verder dat twee andere personen ten aanzien van onder meer het slachtoffer in onderhavige zaak, zijn veroordeeld ter zake van mensenhandel. Uit de betreffende vonnissen blijkt dat deze personen onder meer de prostitutie die in de onderhavige zaak aan de orde is hebben gefaciliteerd en daarvan hebben geprofiteerd. De officier van justitie heeft niet gesteld dat verdachte signalen had moeten oppikken dat deze anderen aldus bij de prostitutie van het slachtoffer waren betrokken. De rechtbank ziet daarvoor ook geen aanwijzingen;

- Het slachtoffer heeft geen aangifte willen doen. Zij heeft steeds volgehouden dat zij het werk vrijwillig deed en verklaard dat zij de bemoeienis van justitie niet op prijs stelde. Omtrent haar omstandigheden heeft zij in 2014 verklaard dat zij op haar vierde wees is geworden en daarna in een pleeggezin en vervolgens in instellingen is opgegroeid. Zij heeft eerder in Gouda in de prostitutie gewerkt. Op de vraag waarom zij het werk is gaan doen heeft zij geantwoord dat dat gewoon was om wat bij te verdienen. In januari 2017 is zij opnieuw gehoord. Toen heeft zij verklaard dat het goed met haar gaat, dat zij de prostitutie heeft verlaten, dat zij zich heel erg schaamt voor wat er is gebeurd en dat het een grote fout in haar leven is geweest.

Omtrent de verklaring van het slachtoffer overweegt de rechtbank dat eventuele vrijwilligheid ten aanzien van de prostitutie voor de strafbaarheid geen rol speelt. De reden daarvoor is dat een minderjarige onvoldoende in staat is om de gevolgen van een beslissing om zich te prostitueren te overzien. De onderhavige zaak is daarvoor een illustratie, gelet op de spijt en schaamte waarmee het slachtoffer op deze episode in haar leven terugziet.

Ook vormt de onderhavige zaak een illustratie voor de ervaring dat het juist minderjarigen met een problematisch verleden zijn die door toedoen van anderen in de prostitutie belanden. Zoals hierboven is overwogen houdt het aan verdachte te maken verwijt niet in dat hij had kunnen of moeten onderkennen dat het slachtoffer feitelijk ook slachtoffer van mensenhandel was. In algemene zin vormt deze omstandigheid evenals de andere omstandigheden van het slachtoffer, wel een inkleuring van het ongeoorloofde risico dat verdachte, door niet de leeftijd te controleren, heeft genomen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij zich op de uitnodiging bij de politie heeft gemeld. Uit zijn daar afgelegde verklaring blijkt dat hij is geschrokken toen hij met de minderjarigheid van het slachtoffer werd geconfronteerd en dat hij excuus heeft willen maken.

Uit het verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 5 januari 2017 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Hij komt met andere woorden thans voor de eerste maal met het strafrecht in aanraking. Met de door de raadsman genoemde problemen die met het werk van verdachte zouden ontstaan, kan de rechtbank geen rekening houden, omdat deze niet zijn onderbouwd.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware straf. De rechtbank zal daarom gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te beperken tot een dag en daarnaast een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uur.

De rechtbank volgt de officier niet in haar standpunt dat de gekozen combinatie van straffen in strijd zou zijn met de wet of met de bedoeling van de wetgever. Artikel 22b bepaalt slechts dat een taakstraf gecombineerd moet worden met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, maar niet hoe lang die moet zijn. Evenals het Hof Den Bosch in de reeds aangehaalde Valkenburgse zedenzaak heeft overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de gekozen combinatie tot het “palet van mogelijke straffen behoort”. In dit verband verwijst de rechtbank nog naar de door de Hoge Raad in zijn recente arrest van 24 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:66) geciteerde wetsgeschiedenis, waarin sprake is van een met artikel 22b Sr gezochte “balans tussen de richtinggevende rol van de wetgever en de straftoemetingsvrijheid van de rechter”. De rechtbank ziet niet in waarom de tekst van artikel 22b Sr deze balans niet zou weergeven. De wetsgeschiedenis dwingt daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet.

Het is de taak van de rechtbank om binnen de wettelijke mogelijkheden een straf te bepalen die recht doet aan alle omstandigheden van het geval, indachtig de verschillende strafdoelen zoals generale en speciale preventie en vergelding. Een langere gevangenisstraf dan wordt opgelegd zou naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheden van dit geval niet passend zijn.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22b, 22c, 22d en 248b van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. M.R. Jöbsis en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Heijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2017.