Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7890

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
AMS 16/2794
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Precariobelasting. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar bij de aanslagen 2014 en 2015 is uitgegaan van een onjuiste heffingsmaatstaf. De heffingsambtenaar is namelijk voor de berekening van de precariobelasting ten onrechte uitgegaan van het aantal vierkante meters van het gehele depot van 3.500 m² dat afgerasterd is. Het aantal meters had moeten worden berekend aan de hand van de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond.

De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank stelt de precariobelasting voor de belastingjaren 2014 en 2015 vast op een bedrag van in totaal € 8.653,50.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2017 in de zaak tussen

de gemeente Amsterdam, stadsdeel Zuidoost, eiseres, hierna te noemen: de gemeente Amsterdam,

(gemachtigde: mr. D.R. van Ee),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen , verweerder, hierna te noemen: de heffingsambtenaar,

(gemachtigde: mr. A.S. Polder).

Procesverloop

Op 31 maart 2015 heeft de heffingsambtenaar de gemeente Amsterdam voor het belastingjaar 2013 een aanslag precariobelasting (aanslag 2013) opgelegd ter hoogte van € 74.200,-.

Op 31 maart 2015 heeft de heffingsambtenaar de gemeente Amsterdam voor het belastingjaar 2014 een aanslag precariobelasting (aanslag 2014) opgelegd ter hoogte van € 167.125,-.

Op 30 april 2015 heeft de heffingsambtenaar de gemeente Amsterdam voor het belastingjaar 2015 een aanslag precariobelasting (aanslag 2015) opgelegd ter hoogte van € 56.175,-.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2016 (de bestreden uitspraak I) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van de gemeente Amsterdam tegen de aanslag 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard en deze aanslag verminderd tot € 66.150,-. De bezwaren tegen de aanslagen 2014 en 2015 heeft de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard.

De gemeente Amsterdam heeft tegen de bestreden uitspraak I beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2016 (de bestreden uitspraak II) heeft de heffingsambtenaar de bestreden uitspraak I gecorrigeerd in die zin dat het bezwaar tegen de aanslagen 2013 en 2015 niet-ontvankelijk is en het bezwaar tegen de aanslag 2014 ongegrond.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 maart 2017. De gemeente Amsterdam heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [de persoon 1] , werkzaam bij de gemeente Amsterdam. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [de persoon 2] , werkzaam bij de gemeente Diemen .

Overwegingen

1.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat de bestreden uitspraak II geheel in de plaats is gekomen van de bestreden uitspraak I, en dat de bestreden uitspraak I hiermee is komen te vervallen. De gemeente Amsterdam heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de bestreden uitspraak I. De rechtbank zal het beroep tegen de bestreden uitspraak I daarom niet-ontvankelijk verklaren.

1.2

Met de bestreden uitspraak II is niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van de gemeente Amsterdam, zodat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen de bestreden uitspraak II.

De ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de aanslagen 2013 en 2015

2.1

De rechtbank zal allereerst - ambtshalve - beoordelen of de bezwaarschriften tegen de aanslagen 2013 en 2015 in de bestreden uitspraak II terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

2.2

Op grond van de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Awb geldt, voor zover hier van belang, het volgende. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop het besluit door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De aanslag 2013

3.1

Vast staat dat de aanslag 2013 is gedagtekend 31 maart 2015. Tussen partijen is allereerst in geschil of de heffingsambtenaar die aanslag op 31 maart 2015 heeft verzonden naar de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam zegt van niet; zij heeft de aanslag 2013 pas met de brief van de heffingsambtenaar van 22 juni 2015 ontvangen.

3.2

Het is allereerst aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de aanslag 2013 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De aanslag 2013 is niet per aangetekende post verstuurd. Tijdens de zitting heeft [de persoon 2] desgevraagd verklaard dat zij de aanslagen 2013 en 2014 op 31 maart 2015 in één envelop heeft gedaan. [de persoon 2] heeft verder toegelicht dat zij zich deze handeling nog goed kan herinneren, omdat het ad hoc aanslagen zijn die niet regelmatig voorkomen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen en de gemeente Amsterdam heeft die ook niet betwist. De rechtbank stelt verder vast dat de gemeente Amsterdam de aanslag 2014 heeft ontvangen. De gemeente Amsterdam heeft immers bij brief van 8 april 2015 daar op gereageerd.

3.3

Aangezien de gemeente Amsterdam de aanslag 2014 kort na 31 maart 2015 heeft ontvangen en de aanslag 2013 in dezelfde envelop als de aanslag 2014 zat, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de aanslag 2013 op 31 maart 2015 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat de gemeente Amsterdam de ontvangst van de aanslag 2013 niet op geloofwaardige wijze heeft ontkend. De termijn voor het maken van bezwaar tegen de aanslag 2013 loopt dan ook van 1 april 2015 tot en met 12 mei 2015.

3.4

De gemeente Amsterdam stelt vervolgens dat zij met de brief van 8 april 2015 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag 2013. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De brief van 8 april 2015 ziet blijkens de inhoud daarvan namelijk alleen maar op de aanslag 2014. In die brief wordt immers uitsluitend naar factuurnummer 1437042 verwezen, dat ziet op de aanslag 2014 die als bijlage bij de brief van 8 april 2015 is gevoegd. Uit niets blijkt dat de gemeente Amsterdam met deze brief ook bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag 2013.

3.5

De gemeente Amsterdam heeft wel op 24 juli 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslag 2013. Dit is echter na afloop van de bezwaartermijn en dus te laat.

3.6

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.7

De gemeente Amsterdam heeft geen redenen aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Dit betekent dat de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag 2013 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijk beoordeling van de aanslag 2013.

De aanslag 2015

4.1

Vast staat dat deze aanslag is gedagtekend 30 april 2015. Tussen partijen is allereerst in geschil of de aanslag op die dag is verzonden. De gemeente Amsterdam zegt van niet; zij heeft de aanslag 2015 pas met de brief van de heffingsambtenaar van 22 juni 2015 ontvangen.

4.2

Het is allereerst aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de aanslag 2015 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Deze aanslag is niet per aangetekende post verstuurd. De heffingsambtenaar heeft niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de aanslag 2015 op 30 april 2015 bekend is gemaakt. Tijdens de zitting is weliswaar de werkwijze van postverwerking door de heffingsambtenaar beschreven, maar niet duidelijk is geworden of de aanslag 2015 daadwerkelijk op 30 april 2015 door de postkamer van de heffingsambtenaar aan PostNL is aangeboden. Ook is niet duidelijk geworden wanneer de aanslag 2015 door PostNL zou zijn verzonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn niet op 1 mei 2015 is aangevangen.

4.3

Uit de gedingstukken blijkt dat de aanslag 2015 wel op 22 juni 2015 aan de gemeente Amsterdam bekend is gemaakt. De bezwaartermijn loopt daarom van 23 juni 2015 tot en met 3 augustus 2015. Het bezwaarschrift tegen de aanslag 2015 is op 24 juli 2015 en daarmee binnen de termijn ingediend. Dit betekent dat de heffingsambtenaar dit bezwaar in de bestreden uitspraak II ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is om deze reden gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak II voor zover daarin het bezwaar tegen de aanslag 2015 niet-ontvankelijk is verklaard.

4.4

In het kader van een finale geschillenbeslechting zal de rechtbank beoordelen of de heffingsambtenaar terecht de aanslag 2015 heeft opgelegd aan de gemeente Amsterdam. De heffingsambtenaar heeft namelijk in de bestreden uitspraak II (ambtshalve) een inhoudelijk standpunt ingenomen over die aanslag en de gemeente Amsterdam heeft daar in beroep op gereageerd. Bovendien hebben partijen hun stellingen over de juistheid van die aanslag ter zitting nader toegelicht.

De feiten

5.1

De gemeente Amsterdam heeft in september 2013 een “Tijdelijk [depot] ” opgericht. Het depot bevindt zich op de grens van [stadsdeel] , de gemeente [plaats 1] en de gemeente [plaats 2] . De grond waar het depot op ligt is grotendeels in eigendom van de gemeente [plaats 1] . De gemeente [plaats 2] heeft de grond in beheer en onderhoud. Zij heeft het depot in gebruik voor de opslag van materialen en objecten, zoals zand, losse tegels en stenen, puinbrekers, bouwketen, zeecontainers en hekwerken.

5.2

Bij besluit van 5 februari 2015 heeft de heffingsambtenaar aan de gemeente Amsterdam een vrijstelling objecten verleend voor het inrichten van een depot door het plaatsen van bouwhekken, ecotoilet, schaftketen en zeecontainer vanaf 1 januari 2015 tot en met 15 maart 2015 op het [perceel] nabij [afrit] te Diemen.

5.3

In de aanslagen 2014 en 2015 heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam precariobelasting geheven vanwege het tijdelijk [depot] . De heffingsmaatstaf is daarbij berekend op 3.500 m².

Geschil en beoordeling

6.1

Voor het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6.2

In geschil is of de aanslagen 2014 en 2015 terecht aan de gemeente Amsterdam zijn opgelegd. De gemeente Amsterdam meent van niet en heeft daartoe een aantal hierna te bespreken beroepsgronden ingediend. De rechtbank merkt in dat verband op dat de gemeente Amsterdam tijdens de zitting de beroepsgrond dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 4, sub c, van de Verordening precariobelasting van de gemeente Diemen heeft ingetrokken. De rechtbank zal die beroepsgrond daarom niet bespreken.

De bezwaarprocedure

7. De gemeente Amsterdam betoogt dat zij na de verzending van het bezwaarschrift niet geïnformeerd is door de heffingsambtenaar over de procedure die geldt voor de afhandeling van het bezwaarschrift. Hierdoor is de gemeente Amsterdam niet in de gelegenheid gesteld haar wens om te worden gehoord kenbaar te maken. Dit betoog slaagt niet. Er bestaat namelijk geen rechtsregel die de heffingsambtenaar verplicht om na ontvangst van het bezwaarschrift uiteen te zetten welke procedure gevolgd zal worden. Indien de gemeente Amsterdam gehoord had willen worden, had zij daar in haar bezwaarschrift om kunnen verzoeken. Het feit dat de gemeente Amsterdam dat heeft nagelaten, kan de heffingsambtenaar dan ook niet aangerekend worden.

De juridische grondslag van de aanslagen 2014 en 2015

8.1

De gemeente Amsterdam betoogt verder dat de heffingsambtenaar in de bestreden uitspraak II de grondslag van de geheven aanslagen niet heeft gemotiveerd.

8.2

De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 228 van de Gemeentewet en de Verordeningen precariobelasting 2014 en 2015 de grondslag geeft voor de aanslagen.

8.3

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de Verordeningen precariobelasting 2014 en 2015 de grondslag vormen voor de heffing van de precariobelasting over 2014 en 2015. Dit is overigens ook niet door gemeente Amsterdam betwist. Uit het beroepschrift leidt de rechtbank af dat de gemeente Amsterdam met deze grondslag ook bekend was, omdat de gemeente Amsterdam hierin verwijst naar artikel 4, sub c, van de Verordening precariobelasting van de gemeente Diemen . Daarbij komt dat de gemeente Amsterdam zelf een Verordening precariobelasting heeft. Om die reden kon de grondslag van de aanslagen 2014 en 2015 duidelijk zijn voor de gemeente Amsterdam. Dit betoog van de gemeente Amsterdam slaagt dan ook niet.

Voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond

9.1

Tijdens de zitting is met partijen vastgesteld waar de kadastrale grens loopt. Tevens is toen vastgesteld dat de gronden waarover precariobelasting is geheven binnen de gemeente Diemen liggen en dat deze ook eigenaar is van deze grond.

9.2

De gemeente Amsterdam betoogt dat zij het bewuste gebied al jaren in beheer en onderhoud heeft. De gemeente Amsterdam verkeert in de veronderstelling dat het beheer en het onderhoud is gebaseerd op een beheersovereenkomst tussen haar en de gemeente Diemen , die gesloten zou zijn ten tijde van de aanleg van de [straat 1] . Deze beheersovereenkomst staat in de weg aan het heffen van de aanslagen. Verder betoogt de gemeente Amsterdam dat niet aannemelijk is dat de grond wordt gebruikt ten bate van de publieke dienst van de gemeente Diemen .

9.3

Dit betoog slaagt niet. Het feit dat de gemeente Amsterdam al jarenlang het stuk grond beheert, neemt namelijk niet weg dat de gemeente Diemen eigenaar is van de grond. Verder is van een beheersovereenkomst tussen de gemeente Amsterdam en de heffingsambtenaar, zowel in de gedingstukken als tijdens de zitting, niet gebleken.

9.4

De stelling van de gemeente Amsterdam dat het gebied niet is “bestemd voor de openbare dienst” omdat zij de beheerstaken uitvoert en de gronden beheert, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst in dat verband naar vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam.1 Hieruit blijkt dat gemeentegrond voor de openbare dienst bestemd is indien deze feitelijk strekt tot algemeen nut en een ieder in beginsel bij die grond belang kan hebben, in die zin dat het gebruik ervan voor een ieder openstaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de grond waarop de aanslagen betrekking hebben nog steeds voor de openbare dienst bestemd. De grond is immers voor een ieder toegankelijk en kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de hond uit te laten. Dat de gemeente Amsterdam het beheer uitvoert, betekent dan ook niet dat geen sprake is van algemeen nut. Het enkele feit dat de grond was omheind met een hekwerk, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat geen sprake was van voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De rechtbank verwijst in dat verband eveneens naar vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam.2 Dat de grond alleen toegankelijk is vanaf de wegen van gemeente Amsterdam, namelijk de [straat 2] , is dan ook niet relevant. Het gaat er namelijk om of de grond feitelijk voor iedereen toegankelijk is. En dat is het geval.

De heffingsmaatstaf voor de precariobelasting

10.1

De gemeente Amsterdam betoogt dat alleen precariobelasting geheven kan worden over gemeentegrond waarop voorwerpen zijn geplaatst.

10.2

Uit vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam volgt dat niet geheven wordt ter zake van het gebruik van gemeentegrond waarop géén voorwerpen zijn geplaatst.3 Verder is het vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dat het heffen van precariobelasting voortvloeit uit het uitoefenen door het stadsdeel van haar publiekrechtelijke bevoegdheid tot het van belanghebbende heffen van precariobelasting met betrekking tot het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond.4

10.3

Gezien voormelde rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar voor de berekening van de precariobelasting ten onrechte is uitgegaan van het aantal vierkante meters van het gehele depot van 3.500 m² dat afgerasterd is. De Verordeningen precariobelasting 2014 en 2015 van de gemeente Diemen bieden namelijk geen grondslag voor heffing van precariobelasting voor de ruimte tussen de op de grond geplaatste voorwerpen. De uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 20105 waarnaar de heffingsambtenaar tijdens de zitting heeft verwezen leidt niet tot een ander oordeel. Uit die uitspraak komt niet naar voren of daarvoor een wettelijke grondslag was. Ook de door de heffingsambtenaar genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 september 20146leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak was de Verordening Precariobelasting van de gemeente Haarlem van toepassing. In die verordeningen was expliciet een bepaling opgenomen die het toestond om de ruimtes tussen de geplaatste objecten te gebruiken als heffingsmaatstaf. In de Verordeningen Precariobelasting 2014 en 2015 van de gemeente Diemen ontbreekt zo’n bepaling. Er is dus geen wettelijke grondslag aanwezig om de gronden die tussen de hekken liggen en waarop geen voorwerpen zijn geplaatst, te betrekken bij de heffingsmaatstaf. Dit betekent dat het aantal meters waarover precariobelasting wordt geheven moet worden berekend aan de hand van de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond. De heffingsambtenaar is bij de aanslagen 2014 en 2015 dus uitgegaan van een onjuiste heffingsmaatstaf.

10.4

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak II, voor zover dat ziet op de aanslag 2014, niet in stand kan blijven.

De rechtbank voorziet zelf

11.1

De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de aanslagen precariobelasting over 2014 en 2015 zelf vast te stellen op de in overweging 11.3 aangegeven wijze. De rechtbank zal voorts bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak II.

11.2

De gemeente Amsterdam betoogt dat gedurende het grootste gedeelte van de periode waarop de aanslagen 2014 en 2015 ziet op het perceel helemaal geen objecten stonden, zodat over een groot deel van de periodes geen precario geheven kan worden. Dit betoog slaagt niet omdat de gemeente Amsterdam dit standpunt niet heeft onderbouwd. Weliswaar zijn er foto’s overgelegd, maar die zijn niet toereikend. Uit de foto’s blijkt namelijk niet wanneer die zijn genomen. Bovendien gaat het bij die foto’s om momentopnames.

11.3

Tijdens de zitting heeft de gemeente Amsterdam desgevraagd toegelicht dat de volgende objecten op het perceel hebben gestaan: 3 grote zeecontainers, 3 bouwketens, een puinbreker, losse tegels en stenen, en een hekwerk. Uit de gedingstukken en ook ter zitting is niet duidelijk geworden wanneer deze objecten precies op het depot hebben gestaan en wat de omvang/afmetingen van de objecten zijn. Om een redelijke inschatting van de aanslagen te maken, gaat de rechtbank uit van een gebruik van de gemeentegrond over het hele kalenderjaar 2014 en over de periode 1 januari tot en met 15 maart 2015. De rechtbank hanteert daarbij voor de genoemde objecten de volgende maten:

Grote zeecontainers: 44,31 m² (= 60,58 lang x 24,38 breed = 1.477 m² x

3 zeecontainers)

Bouwketens: 24 m² (=2 m² x 4 m² x 3 bouwketens)

Puinbreker: 24 m² (=8 m² x 3 m²)

Losse tegels en stenen: 4 m² (=2 m² x 2 m²)

Hekwerk: 38,5 m² (=3,5 m² x 11 m²)

Gebruik gemeentegrond in m²: 134,81 m²

Afgerond in m²: 135 m².

11.4

Op grond van artikel 8.1 van de bij de Verordening Precariobelasting 2014 behorende tarieventabel bedraagt de heffing € 48,70 per m² per jaar, zodat voor het jaar 2014 een bedrag van € 6.574,50 (= 135 m² x € 48,70) aan precariobelasting moet worden opgelegd.

11.5

Op grond van artikel 8.1 van de bij de Verordening Precariobelasting 2015 behorende tarieventabel bedraagt de heffing € 5,45 per m² per maand en € 1,50 per m² per week, zodat over de periode van 1 januari 2015 tot en met 15 maart 2015 een bedrag van € 2.079,- (= 135 m² x (€ 5,45 x 2 =) € 10,90 + 135 m² x (€ 1,50 x 3 =) € 4,50) aan precariobelasting moet worden opgelegd.

11.6

Dit leidt voor de belastingjaren 2014 en 2015 tot een precariobelasting van in totaal € 8.653,50.

Slotoverwegingen

12. Omdat het beroep tegen de bestreden uitspraak II gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan de gemeente Amsterdam het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, omdat van zulke kosten niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de bestreden uitspraak I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de bestreden uitspraak II gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden uitspraak II voor zover dat ziet op de aanslagen 2014 en 2015;

  • -

    stelt de aanslag precariobelasting over het belastingjaar 2014 vast op € 6.574,50,-;

- stelt de aanslag precariobelasting over het belastingjaar 2015 vast op € 2.079,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak II;

- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 334,- aan de gemeente Amsterdam te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Hoogendoorn, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

U kunt ook digitaal hoger beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale (hoger)beroepschrift-formulier dat u op de website van de rechtspraak vindt (www.rechtspraak.nl). Om toegang te krijgen tot het formulier moet u beschikken over DigiD. Het formulier kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Bijlage: wettelijk kader

Gemeentewet

In artikel 228 is bepaald:

1. Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven.

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2014

In artikel 2 (Belastbaar feit) is bepaald:

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

In artikel 3 (Belastingplicht) is bepaald:

1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet belastingplichtig is op grond van het eerste lid.

In artikel 6 (Berekening van de precariobelasting) is bepaald:

1. Voor de berekening van de belasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde tijd-, lengte- of oppervlakte-eenheid een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt. 2. Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de belasting bij rechthoekige voorwerpen berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van het voorwerp of de voorwerpen, tenzij anders is bepaald. 3. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 4. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de belasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is. 5. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze. 6. Het bedrag aan precariobelasting dat met toepassing van het maandtarief wordt berekend, wordt niet hoger gesteld dan het bedrag dat voor het belastbare object aan precariobelasting zou zijn berekend met toepassing van het jaartarief.

Tarieventabel behorende bij de Verordening Precariobelasting 2014

In artikel 8 (Schuttingen, steigers, bouwmaterialen e.d.) is bepaald:

Bouwmaterialen, zoals een loods, een keet, een container, een steiger of een stelling, een heikar of een heistelling, een kraan, een betonmolen, een asfaltketel, trechter, of enig ander werktuig ten dienste van bouwwerken, alsmede directieketen, directiewagens, schaftwagens, werk- en bergloodsen, en dergelijke, per m²

€ 1,50

€ 5,40

€ 48,70

Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2015

In artikel 2 (Belastbaar feit) is bepaald:

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

In artikel 3 (Belastingplicht) is bepaald:

1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet belastingplichtig is op grond van het eerste lid.

In artikel 6 (Berekening van de precariobelasting) is bepaald:

1. Voor de berekening van de belasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde tijd-, lengte- of oppervlakte-eenheid een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt. 2. Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de belasting bij rechthoekige voorwerpen berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van het voorwerp of de voorwerpen, tenzij anders is bepaald. 3. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 4. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de belasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is. 5. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze. 6. Het bedrag aan precariobelasting dat met toepassing van het maandtarief wordt berekend, wordt niet hoger gesteld dan het bedrag dat voor het belastbare object aan precariobelasting zou zijn berekend met toepassing van het jaartarief.

Tarieventabel behorende bij de Verordening Precariobelasting 2015

In artikel 8 (schuttingen, steigers en bouwmaterialen e.d.) is bepaald:

Bouwmaterialen, zoals een loods, een keet, een container, een steiger of een stelling, een heikar of een heistelling, een kraan, een betonmolen, een asfaltketel, trechter, of enig ander werktuig ten dienste van bouwwerken, alsmede directieketen, directiewagens, schaftwagens, werk- en bergloodsen, en dergelijke: per m²

€ 1,50

€ 5,45

€ 49,90

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7411, r.o. 5.1.2.

2 Zie voormelde uitspraak van 25 februari 2010, r.o. 5.1.3.

3 Zie de uitspraak van 2 maart 1990, ECLI:NL:GHAMS:1990:AS7019.

4 Zie voormelde uitspraak van 25 februari 2010.

5 ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7411.

6 ECLI:NL:RBNH:2014:8528.