Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7870

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
C/13/624733 / HA RK 17-72
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2018:3206, Overig
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor. De vermeende vorderingen waarop het vgv betrekking heeft, zijn verjaard. Daarnaast onvoldoende concrete aanknopingspunten voor gestelde betrokkenheid van verweerder sub 2 bij aanslag op het leven van verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/624733 / HA RK 17-72

Beschikking van 26 oktober 2017

in de zaak van

1 [verzoeker sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BALANS CASEMANAGEMENT B.V.,
in diens hoedanigheid van bewindvoerster over het vermogen van [verzoeker sub 1] ,
gevestigd te Lelystad,

verzoekers,
advocaat mr. P.C. Schouten te Breda,

tegen

1 MR. A. VAN HEES,
in diens hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater] ,
kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerder,

advocaat mr. P.W. den Hollander te Amsterdam,

2. [verweerder sub 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ABEA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

4. [verweerder sub 4],
wonende te [woonplaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder sub 5],
gevestigd te [woonplaats] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder sub 6],
gevestigd te [woonplaats] ,

verweerders,

advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem.

Verzoekers zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker sub 1] onderscheidenlijk de bewindvoerder en gezamenlijk als [verzoekers gezamenlijk] Verweerder sub 1 zal hierna worden aangeduid als de vereffenaar en verweerder sub 2 als [verweerder sub 2] . Verweerders zullen gezamenlijk worden aangeduid als [verweerders gezamenlijk] [erflater] zal hierna worden aangeduid als [erflater] .

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 1 maart 2017,

  • -

    de tussenbeschikking van 6 april 2017, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het verweerschrift zijdens de vereffenaar, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 21 juli 2017,

  • -

    het verweerschrift zijdens verweerders sub 2 t/m 6, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 25 juli 2017,

  • -

    het aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 25 juli 2017,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 2 augustus 2017, met de daarin genoemde (overige) stukken,

  • -

    de brief van mr. Schouten van 7 augustus 2017, met bijlage,

  • -

    de brief van deze rechtbank aan mr. Schouten van 8 augustus 2017,

  • -

    de brief van mr. Schouten van 17 augustus 2017, met bijlagen.

2 De feiten

2.1.

Tussen [verzoeker sub 1] en [erflater] is vanaf 1984 een zakelijke en vriendschappelijke relatie ontstaan.

2.2.

Op 26 december 1999 is er een aanslag gepleegd op het leven van [verzoeker sub 1] (hierna: de aanslag), waarbij [verzoeker sub 1] door zijn hoofd is geschoten. Als gevolg van de aanslag zijn onder meer de cognitieve functies van [verzoeker sub 1] ’s brein beperkt.

2.3.

Op 17 mei 2004 is [erflater] als gevolg van een aanslag overleden.

2.4.

Bij brief van 12 november 2004 heeft mr. O. Hammerstein een vordering van [verzoeker sub 1] op [erflater] van tenminste 40 miljoen euro aangemeld bij de vereffenaar.

2.5.

Op 24 februari 2005 is [neef] , een neef van [erflater] , door de politie als getuige gehoord. Het proces-verbaal van deze getuigenverklaring luidt onder meer als volgt:

“(…) Hoe reageerde [erflater] , Rb] op die poging tot liquidatie op [verzoeker sub 1] .

Mij is duidelijk dat [erflater] geen betrokkenheid had bij de liquidatie omdat hij na het gebeuren heel erg onder de indruk was.

(…)

En [verweerder sub 2] , wat kun je daarvan zeggen…deed hij al samen met [erflater] vroeger,
[verweerder sub 2] had voor de dood van [erflater] zijn eigen leven, en bemoeide zich niet met de zaak

(…)”

2.6.

Vanaf 2008 staat het vermogen van [verzoeker sub 1] onder bewind.

2.7.

Op 22 april 2013 is [naam 1] , de zus van [naam 2] (hierna: [naam 2] ), door de politie als getuige in een zaak tegen [naam 2] gehoord. Het proces-verbaal van deze getuigenverklaring luidt onder meer als volgt:

“(…) Ik weet dat bijvoorbeeld [verzoeker sub 1] ook geld heeft ondergebracht bij [erflater] . (…)

Volgens [naam 2] weet [verweerder sub 2] alles over de handel van [erflater] . (…)
Ik heb van mijn broer wel vernomen dat [verweerder sub 2] het overgenomen heeft van [erflater] . (…)”

2.8.

Op 29 september 2014 heeft [naam 3] , weduwe van de in 2000 geliquideerde [naam 4] , een getuigenverklaring afgelegd in de een zaak tegen [naam 2] . Het proces-verbaal van deze getuigenverklaring luidt onder meer als volgt:

“(…)
G[etuige]: [verzoeker sub 1] , dus die was zeg maat vlak daarvoor was die neergeschoten (…)
G: [erflater] en [naam 2] , zo is het mij dan verteld, die hebben aan [naam 4] en [naam 5] de opdracht gegeven en die hebben de opdracht weet doorgegeven aan andere mensen. (…)

V[erbalisant]i: Wat ik wel interessant vind om te weten is of jij weet waarom die [verzoeker sub 1] gedaan moest worden, wat was de reden daarachter?
G: Nou ja, wat ik later begrepen heb, dat dateert van daarna weer is, omdat die man om geld is gekomen.
V[erbalisant]2: Bij?
G: [erflater] .
Vi: Omdat hij ook geïnvesteerd had natuurlijk?
G:ja. (…)”

2.9.

Op 29 oktober 2015 heeft mr. Schouten, namens [verzoeker sub 1] aangifte gedaan van de liquidatiepoging op [verzoeker sub 1] en justitie verzocht een adequaat onderzoek te verrichten naar de betrokkenheid van [erflater] , [verweerder sub 2] en [naam 2] bij deze aanslag.

2.10.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de Officier van Justitie mr. S. Tammes aan mr. Schouten onder meer geschreven:

“(…) Voor zover uw stelling ten aanzien van [erflater] juist zou zijn, zou het daarbij blijven, aangezien zijn overlijden aan een vervolging in de weg staat. Ten aanzien van de broer van [erflater] deel ik u mee dat niets in het onderzoek Minerva wijst op zijn betrokkenheid. Van steunbewijs door de verklaringen van [naam 3] is derhalve geen sprake. Overigens verklaart [naam 3] in het geheel niet over de broer van [erflater] , zodat ook haar verklaringen op zichzelf geen aanleiding geven voor nader onderzoek. Het openbaar ministerie zal dan ook geen gevolg geven aan uw verzoek om hem te vervolgen. (…)”

2.11.

Op 26 mei 2017 heeft de bewindvoerder aan de kantonrechter te Amsterdam toestemming verzocht om “namens dhr. [verzoeker sub 1] (…) verder te mogen procederen in de claim tegen de erven van [erflater] ”. Op 12 juni 2017 is dit verzoek toegewezen.
Op 10 augustus 2017 heeft de bewindvoerder aan de kantonrechter machtiging verzocht te mogen procederen tegen alle zes verweerders. Op 15 augustus 2017 heeft kantonrechter dat verzoek toegewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank op grond van artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen tot het horen van 31 getuigen ten overstaan van een rechter-commissaris.

3.2.

[verzoekers gezamenlijk] legt aan zijn verzoek - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag. [verzoeker sub 1] heeft in de jaren dat hij bevriend was met [erflater] (de periode van 1984 tot 1999) geld aan hem ter beschikking gesteld voor het doen van diverse investeringen. [verzoeker sub 1] heeft daardoor een vordering op (de erven van) [erflater] van minimaal 30 miljoen euro. Daarnaast heeft [verzoeker sub 1] op (de erven) [erflater] en op [verweerder sub 2] een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat [erflater] en [verweerder sub 2] betrokken waren bij het geven van de opdracht tot de aanslag. Het voorlopig getuigenverhoor dient ertoe om feiten aan het licht te brengen ten aanzien van de vorderingen van [verzoeker sub 1] op de erven [erflater] en de titels die daaraan ten grondslag liggen, alsmede om feiten aan het licht te brengen ter staving van de aansprakelijkheid van [erflater] en [verweerder sub 2] voor de schade die [verzoeker sub 1] heeft geleden als gevolg van de aanslag.

3.3.

[verweerders gezamenlijk] verzetten zich tegen inwilliging van het verzoek en voeren hiertoe - kort weergegeven - het volgende aan.

[verzoeker sub 1] is niet ontvankelijk in zijn verzoek, omdat alleen de bewindvoerder bevoegd is een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken met betrekking tot goederen die onder het bewind vallen.

De bewindvoerder is niet ontvankelijk in het verzoek jegens verweerders sub 2 t/m 6, aangezien een toereikende machtiging van de kantonrechter voor het voeren van deze procedure ontbreekt.

De gestelde vordering van [verzoeker sub 1] ziet op van misdrijf afkomstige gelden. Toewijzing van het verzoek is daarom in strijd met de openbare orde. Bovendien heeft [verzoekers gezamenlijk] geen belang bij zijn verzoek. De gestelde geldvordering is in een bodemprocedure niet toewijsbaar, omdat toewijzing om dezelfde redenen (witwassen van geld) in strijd is met de openbare orde en omdat de geldvordering is verjaard. Ook de gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad is verjaard. Verder ontbreekt in het verzoekschrift een concrete omschrijving van specifiek te bewijzen feiten, heeft [verzoeker sub 1] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en voldoet het verzoek niet aan de eisen van proportionaliteit.

Tot slot geldt dat [verzoeker sub 1] met het voorlopig getuigenverhoor doelen wenst te realiseren die in het domein van het strafrecht liggen, waarvoor het voorlopig getuigenverhoor niet is bedoeld.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De rechtbank acht [verzoeker sub 1] ontvankelijk in zijn verzoek, voor zover het voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft op goederen die niet onder het onder bewind gestelde vermogen vallen. Voor de goederen daar wel onder vallen, treedt de bewindvoerder, ten behoeve van [verzoeker sub 1] , op als partij in de onderhavige procedure. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bewindvoerder geldt dat mr. Schouten bij brief van 10 augustus 2017 aan de rechtbank een (aanvullende) machtiging heeft toegestuurd, waarin de kantonrechter te Amsterdam aan de bewindvoerder toestemming heeft gegeven ook te mogen procederen tegen verweerders sub 2 t/m 6. Deze machtiging ziet derhalve (ook) op de onderhavige procedure, zodat de bewindvoerder ontvankelijk is in haar verzoek. Daaraan doet niet af dat de machtiging pas na aanvang van de procedure is verleend.

Inhoudelijke beoordeling

4.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is dat de rechter in beginsel op de voet van artikel 186 Rv, gelezen in samenhang met artikel 166 Rv, een getuigenverhoor beveelt zo vaak een partij dit verzoekt, indien de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden.

4.3.

Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan evenwel, ook als het verder aan de eisen voor toewijzing voldoet, onder meer worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken wordt uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan toewijzing van het verzoek achterwege blijven indien het strijdig is met een goede procesorde, dan wel indien toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig beoordeeld bezwaar. Voorts is ook de in artikel 3:303 BW neergelegde regel, dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt, op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van toepassing.

4.4.

Het door [verzoeker sub 1] verzochte voorlopig getuigenverhoor heeft betrekking op twee vermeende vorderingen, namelijk de vordering tot (terug)betaling van door [verzoeker sub 1] aan [erflater] ter beschikking gestelde gelden enerzijds (hierna: de gestelde geldvordering) en de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad anderzijds.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat [verzoeker sub 1] zijn verzoek ten aanzien van verweerders sub 3 t/m 6 niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. [verzoeker sub 1] stelt weliswaar dat zij hulppersonen waren van [erflater] en met hem vereenzelvigd kunnen worden, maar hij heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op basis waarvan die conclusie getrokken zou kunnen worden. Dit geldt ook voor de stelling van [verzoeker sub 1] dat “het zeer aannemelijk is dat assets uit de gemeenschap tussen [verzoeker sub 1] en [erflater] onderdak hebben gevonden bij [verweerder sub 5] [verweerder sub 5, rb] en [verweerder sub 6] [verweerder sub 6, rb]”. Het enkele feit dat binnen het conglomeraat bedrijven van [erflater] met grote regelmaat assets, vermogens en rechten heen en weer werden geschoven, is onvoldoende concreet om tot de door [verzoeker sub 1] betoogde conclusie te kunnen leiden. Nu niet, althans onvoldoende onderbouwd, is gesteld dat verweerders sub 3 t/m 6 schuldenaars zijn van de gestelde vorderingen waarop het verzochte voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft, heeft [verzoeker sub 1] ten aanzien van hen onvoldoende belang bij zijn verzoek.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker sub 1] ook overigens onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij het houden van het verzochte voorlopig getuigenverhoor, omdat de gestelde vorderingen van [verzoeker sub 1] - zoals [verweerders gezamenlijk] hebben aangevoerd - allebei zijn verjaard, met uitzondering van de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad jegens [verweerder sub 2] . Daartoe wordt als volgt overwogen.

De gestelde geldvordering

4.7.

[verzoeker sub 1] stelt in zijn verzoekschrift herhaaldelijk dat hij eind 1999 bij [erflater] terugbetaling heeft geëist van het door [verzoeker sub 1] bij [erflater] geïnvesteerde geld. De gestelde geldvordering waarop het voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft, was naar de eigen stelling van [verzoeker sub 1] dus reeds in 1999 opeisbaar. Daargelaten de vraag of de overeenkomsten die aan de gestelde geldvordering ten grondslag liggen nietig zijn - en om die reden wellicht al eerder een verjaringstermijn is gaan lopen - is dus in elk geval eind 1999 de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gaan lopen. [verzoeker sub 1] stelt dat kort na het opeisen van het geld bij [erflater] de aanslag is gepleegd, waardoor hij daarna - mede door het hersenletsel als gevolg van de aanslag - niet meer in staat was om tot het innen van zijn vordering over te gaan, uit kinderlijke angst dat hij dan alsnog vermoord zou worden. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het begrijpelijk dat [verzoeker sub 1] , vanwege zijn vermoeden dat [erflater] achter de aanslag zat, op zijn minst enige terughoudendheid betrachtte bij het alsnog innen van zijn vordering. Deze verhindering is in 2004, door het overlijden van [erflater] , evenwel tot een einde gekomen, zodat vanaf dat moment de verjaringstermijn weer is gaan lopen. [verzoeker sub 1] stelt verder dat er verschillende betalingen zijn gedaan als “voorlopige regeling” tot terugbetaling van de gestelde geldvordering, waarvan de laatste betaling in 2007 zou hebben plaatsgevonden. Voor zover die betalingen te gelden hebben als erkenning van de gestelde geldvordering en dus een stuitende werking hebben ten aanzien van de verjaring van die vordering, geldt dat de verjaringstermijn opnieuw is gaan lopen in 2007. Eerst in 2014 heeft [verzoeker sub 1] de gestelde geldvordering aangemeld bij de vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] . Gesteld noch gebleken is dat er in de tussentijd (2007 - 2014) stuitingshandelingen zijn verricht, zodat de gestelde geldvordering van [verzoeker sub 1] (uiterlijk) in 2012 is verjaard.

4.8.

Het beroep van [verzoeker sub 1] op de verlengingsgrond voor verjaring van artikel 3:321 lid 1 sub f BW slaagt niet. Van een geval als daar bedoeld is alleen sprake als de schuldenaar - in dit geval (de erven van) [erflater] - de schuld of de opeisbaarheid daarvan jegens de schuldeiser - in dit geval [verzoeker sub 1] - verborgen heeft gehouden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Dat [verzoeker sub 1] en [erflater] hun afspraken tegenover de buitenwereld verborgen wilden houden, zoals [verzoeker sub 1] stelt, is geen situatie als bedoeld in voornoemd artikel. Ook het beroep van [verzoeker sub 1] op de verlengingsgrond voor verjaring van artikel 3:321 lid 1 sub b/c BW gaat niet op. Dat artikel ziet op de situatie dat de rechthebbende voor wie het bewind wordt gevoerd een vordering heeft op zijn bewindvoerder betreffende het bewind. Die vordering kan tijdens het bewind niet verjaren. Ook die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor.

4.9.

[verzoeker sub 1] beroept zich er nog op dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen geslaagd beroep kan worden gedaan op de verjaring van de gestelde geldvordering, omdat [verzoeker sub 1] als gevolg van de aanslag (cognitief) niet in staat was om zijn vordering te innen. Zoals hiervoor in r.o. 4.7 overwogen, is de verhindering waarop [verzoeker sub 1] doelt echter geëindigd in 2004. Bovendien geldt dat het vermogen van [verzoeker sub 1] in 2008 onder bewind is gesteld, zodat de bewindvoerder tot het innen van de vordering had kunnen overgaan. Het beroep van [verzoeker sub 1] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt in deze omstandigheden dan ook niet.

De gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad

4.10.

Vooropgesteld wordt dat een vordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW). Voor het aanvangen van de verjaringstermijn dient sprake te zijn van daadwerkelijke bekendheid met de schade en voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - dat die schade is veroorzaakt door het handelen van de betrokken persoon.

4.11.

[verzoeker sub 1] was korte tijd na de aanslag, dus eind 1999/begin 2000, bekend met de schade als gevolg daarvan. Uit de stellingen van [verzoeker sub 1] volgt dat hij er direct na de aanslag vanuit ging dat de aanslag was gepleegd in opdracht van [erflater] . Hij was derhalve vanaf dat moment in staat om een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad tegen [erflater] in te stellen, zodat de verjaringstermijn in beginsel vanaf (uiterlijk) begin 2000 is gaan lopen. Zo als ten aanzien van de verjaring van de gestelde geldvordering is overwogen (r.o. 4.7), geldt ook hier dat begrijpelijk is dat [verzoeker sub 1] op zijn minst enige terughoudendheid betrachtte bij het aanhangig maken van zijn vordering vanwege zijn angst alsnog geliquideerd te worden. Zoals is overwogen, is die verhindering in 2004 tot een einde gekomen en is ook in dit kader dus de verjaringstermijn op dat moment weer gaan lopen. Aangezien gesteld noch gebleken is dat [verzoeker sub 1] dan/wel de bewindvoerder stuitingshandelingen heeft verricht ten aanzien van de gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad, is de verjaringstermijn in 2009 voltooid. Weliswaar bepaalt artikel 3:310 lid 4 BW thans dat indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen, maar die bepaling is eerst op 1 april 2013 in werking getreden. Artikel 73a lid 2 Overgangswet nieuwe Burgerlijk Wetboek bewerkstelligt dat ten tijde van de invoering reeds verstreken verjaringen door de nieuwe regel niet worden aangetast.

4.12.

Ten aanzien van de gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad tegen [verweerder sub 2] geldt dat niet kan worden geoordeeld dat die onmiskenbaar is verjaard. Niet duidelijk is wanneer [verzoeker sub 1] van zijn mogelijke betrokkenheid op de hoogte is geraakt, zodat niet vaststaat wanneer de verjaring is aangevangen en of deze reeds was voltooid bij de invoering van het huidige lid 4 van artikel 3:310 BW.

4.13.

Met [verweerder sub 2] is de rechtbank echter van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat toewijzing van het verzoek zou leiden tot een fishing expedition waarvoor het voorlopig getuigenverhoor niet is bedoeld. De stelling dat [verweerder sub 2] jegens [verzoeker sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld, is gebaseerd op het vermoeden van [verzoeker sub 1] dat [verweerder sub 2] betrokkenheid heeft gehad bij de aanslag. [verzoeker sub 1] heeft echter geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die zouden maken dat deze vermoedens gerechtvaardigd zijn. [neef] (zie 2.5), [naam 1] (zie 2.7) en [naam 3] (zie 2.8) hebben niets verklaard over eventuele betrokkenheid van [verweerder sub 2] bij de aanslag. De Officier van Justitie zag kennelijk - blijkens haar brief van 14 januari 2016 (zie 2.10) - ook geen aanknopingspunten om over te gaan tot het instellen van een onderzoek naar die betrokkenheid. [verzoeker sub 1] heeft nog aangevoerd dat “getuige X” over de betrokkenheid van [verweerder sub 2] kan verklaren, omdat hij een gesprek heeft gehad met een opdrachtnemer van de aanslag. Deze zeer summiere stelling, zonder nadere informatie en gelet op het gebrek aan aanknopingspunten die het vermoeden van [verzoeker sub 1] ondersteunen, is onvoldoende om het houden van een voorlopig getuigenverhoor te kunnen rechtvaardigen.

4.14.

De conclusie luidt derhalve dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zal worden afgewezen.

4.15.

De overige stellingen van partijen behoeven bij deze uitkomst geen verdere bespreking.

4.16.

[verzoeker sub 1] zal - zoals door [verweerders gezamenlijk] is verzocht - als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de vereffenaar worden tot op heden begroot op € 1.191,00, bestaande uit € 287,00 aan vast recht en € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00) aan salaris advocaat. De kosten aan de zijde van verweerders sub 2 t/m 6 worden op gelijke wijze begroot op € 1.191,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van de vereffenaar begroot op € 1.191,00 en aan de zijde van verweerders sub 2 t/m 6 begroot op € 1.191,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.1

1 type: WAB coll: