Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7813

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
C/13/620477 / HA ZA 16-1260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een man moet een restschuld van 100.000 euro voor een hypothecaire lening aan de ING betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/620477 / HA ZA 16-1260

Vonnis van 25 oktober 2017

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. A. Köker te Amstelveen.

Partijen zullen hierna ING en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 november 2016 van ING, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden] , met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 15 februari 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    de akte houdende producties van ING, met producties.

Vervolgens heeft op 6 oktober 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden waarbij van de zijde van ING aanwezig was de heer M. Zieltjens , medewerker Vesting Finance Incasso, schriftelijk gemachtigde van ING, bijgestaan door mr. J. Posthuma en van de zijde van [gedaagden] de heer [gedaagde sub 1] , bijgestaan door mr. K. Tülü. [gedaagde sub 2] was niet aanwezig.

Mr. Posthuma heeft verklaard conform zijn spreekaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd. Mr. Tülü heeft verklaard dat [gedaagden] door ING en de notaris onder druk is gezet om binnen 24 uur te beslissen over de drie voorgelegde biedingen op de woning, dat daarbij werd gezegd dat de woning bij een openbare veiling zou worden verkocht als hij geen van de biedingen zou accepteren en dat de opbrengst in dat geval lager zou zijn.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 9 november 2009 heeft [gedaagden] bij ING een hypothecaire geldlening gesloten voor een bedrag van € 360.000,00 en is een eerste recht van hypotheek gevestigd op een door [gedaagden] aangekochte bouwkavel (hierna: het registergoed) te [plaats] .

2.2.

Op een gegeven moment is er een betalingsachterstand ontstaan bij [gedaagden] en heeft ING de hypothecaire geldlening opgezegd.

2.3.

Bij exploot van 6 mei 2015 heeft ING de executieveiling van het registergoed aangezegd.

2.4.

Op 3 juni 2015 heeft de notaris verklaard dat hij vier onderhandse biedingen had ontvangen, waarvan de hoogste € 225.655,00 bedroeg.

2.5.

Bij beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland d.d. 30 juni 2015 is, bij uitblijven van bezwaar van de belanghebbenden, verlof verleend voor de onderhandse verkoop van het registergoed volgens de aan de beschikking gehechte koopovereenkomst voor de koopprijs van € 225.655,00.

2.6.

Na de onderhandse verkoop bedroeg de restschuld € 237.484,34.

3 Het geschil

3.1.

ING vordert samengevat - dat de rechtbank [gedaagden] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeelt tot betaling van de restschuld van (in het kader van deze procedure onder voorbehoud van rechten beperkt tot) € 100.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagden] voert - samengevat - tegen de vordering aan dat ING haar onder druk heeft gezet binnen 24 uur akkoord te gaan met het onderhandse bod. De onderhandse biedingen lagen onder de reële marktwaarde en door de verkoop is [gedaagden] met een grote restschuld blijven zitten. ING heeft hiermee onrechtmatig jegens [gedaagden] gehandeld, aldus steeds [gedaagden]

4.2.

Vast staat dat ING met verlof van de voorzieningenrechter de woning onderhands heeft verkocht voor een koopprijs van € 225.655,00. Nu ING met toestemming van de voorzieningenrechter heeft gehandeld, is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom ING desondanks onrechtmatig jegens [gedaagden] zou hebben gehandeld. De enkele stelling dat verkocht is voor een prijs die onder de marktwaarde lag is, wat er verder ook zij van de juistheid van die stelling, is onvoldoende om de conclusie te dragen dat ING onzorgvuldig heeft gehandeld. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.3.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- dagvaarding € 103,89

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.874,89

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan ING te betalen een bedrag van € 100.000,00 (éénhonderdduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 30 november 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 4.874,89, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, rechter, bijgestaan door mr. S.A.M. Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.