Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7798

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
13/669065-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige Amsterdammer is veroordeeld tot een celstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor onder meer de bedreiging van een advocaat en zijn vrouw en voor een poging tot zware mishandeling van een medewerker van het advocatenkantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669065-17 (Promis)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.C. van Dijk, en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

ten aanzien van feit 1

poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door op 3 juli 2017 te Amsterdam een steen door een ruit van een kantoorpand te gooien, terwijl er achter die ruit een trap was en achter die ruit [slachtoffer 2] aan een bureau zat te werken;

ten aanzien van feit 2

bedreiging van [slachtoffer 1] en diens vrouw in de periode van 1 juni 2017 tot en met 4 juli 2017, door facebookberichten te plaatsen en een steen door een ruit te gooien;

ten aanzien van feit 3

vernieling van ruiten van een kantoorpand op 3 juli 2017 en 4 juli 2017;

ten aanzien van feit 4

belaging van [slachtoffer 3] in de periode van 6 april 2017 en 4 juli 2017 door veelvuldig e‑mails te sturen en facebookberichten te plaatsen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir, gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, op grond van de aangiftes van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), de verklaring van verdachte en de in het dossier gevoegde afbeeldingen van de berichten die verdachte op Facebook heeft geplaatst en per e-mail heeft verzonden. Verdachte heeft minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij heeft immers tijdens kantooruren een forse straatklinker door de ruit gegooid, terwijl hij de indeling van het kantoor kende en wist dat daar personen aanwezig waren.

4.2

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven niet te willen verklaren over het tenlastegelegde en heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vraag of er voldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Poging tot zware mishandeling (feit 1) en vernieling (feit 3)

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Op 3 juli 2017 en 4 juli 2017 zijn er stenen door de ruiten van het advocatenkantoor van [slachtoffer 1] gegooid. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie bekend dat hij de persoon is geweest die op deze data stenen heeft gegooid.

Op 3 juli 2017 was op het moment dat de steen door de ruit werd gegooid, een medewerker van het kantoor ( [slachtoffer 2] ) werkzaam aan een bureau dat slechts enkele meters achter het raam stond. De rechtbank stelt vast dat verdachte hiervan op de hoogte was. Kort daarvoor was verdachte immers nog binnen geweest en voordat hij de steen gooide, heeft hij door de ruiten naar binnen gekeken. [slachtoffer 2] moet voor verdachte duidelijk zichtbaar zijn geweest. Desondanks heeft verdachte besloten een flinke steen met kracht door de ruit te gooien. Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. [slachtoffer 2] had immers geraakt kunnen worden door de steen of door rondvliegende glasscherven. De verklaring van verdachte dat hij de steen bewust schuin door de ruit heeft gegooid om niemand te verwonden, maakt dit niet anders. Verdachte had namelijk slechts in beperkte mate invloed op de richting van de steen en de rondvliegende glasscherven. Dat de glasscherven [slachtoffer 2] hadden kunnen raken blijkt uit de foto’s waarop is te zien dat flinke stukken glas op en onder het bureau lagen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [slachtoffer 2] door een steen door de ruit te gooien. Dat [slachtoffer 1] of andere medewerkers van het kantoor ook door de steen of het glas geraakt had kunnen worden blijkt niet uit het dossier, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Op 4 juli 2017 heeft verdachte stenen door diverse ruiten van het kantoorpand gegooid en deze ruiten aldus vernield.

Bedreiging (feit 2)

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich gedurende een langere periode middels een groot aantal berichten gericht aan [slachtoffer 1] en diens vrouw, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling.

Belaging (feit 4)

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde feit. Zij overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft vanaf begin april 2017 een grote hoeveelheid e-mails verzonden en berichten op Facebook geplaatst. Deze e-mails en Facebook-berichten waren gericht aan de ex-vriendin van verdachte, [slachtoffer 3] , en aan haar vader.

[slachtoffer 3] had aan verdachte te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan contact. Gezien de aard, de frequentie en intensiteit van de berichten en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van [slachtoffer 3] , kwalificeert de rechtbank deze gedragingen als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de inhoud van de berichten kan het niet anders dan dat verdachte een reactie bij [slachtoffer 3] wilde uitlokken, wat ook blijkt uit berichten als “Schatje speel nou mee”, “Hou je telefoon in de gaten” en “ [slachtoffer 3] , ik wil dat je met me praat. Ik wil dat je antwoorden geeft op me vragen”. [slachtoffer 3] is hierdoor gedwongen tot het dulden van contact met verdachte. Hier komt bij dat de berichten een bedreigend karakter hebben waardoor deze berichten [slachtoffer 3] vrees hebben aangejaagd. Door aldus te handelen heeft verdachte [slachtoffer 3] belaagd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 3 juli 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] in het pand gelegen aan de [adres 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tijdens kantoortijd met kracht een steen door een ruit van voornoemd pand te gooien terwijl er achter die ruit een bureau stond waaraan [slachtoffer 2] op dat moment aan het werk was;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 juni 2017 tot en met 4 juli 2017 te Amsterdam [slachtoffer 1] en diens vrouw heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend facebookberichten geplaatst met daarin de tekst:

  • -

    ‘ik schijt je hele bek vol [slachtoffer 1] ’ en

  • -

    ‘ik kom straks naar je kantoor [slachtoffer 1] ’ en

  • -

    ‘ik sta voor je deur [slachtoffer 1] ’ en

  • -

    ‘en ergens onderweg, kom ik je vrouw tegen. En dan rammel ik haar kunstgebit uit haar broekje!!! Heer [slachtoffer 1] !!’

ten aanzien van feit 3:

op 3 juli 2017 en 4 juli 2017 te Amsterdam telkens opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een pand gevestigd aan de [adres 1] toebehorend aan Advocatenkantoor [slachtoffer 1] heeft vernield;

ten aanzien van feit 4:

op tijdstippen in de periode van 6 april 2017 tot en met 4 juli 2017 te Almere wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, door

- veelvuldig e-mails te sturen naar het account van die [slachtoffer 3] , waaronder, onder andere:

op 6 april 2017

"Kom laten we spelen wie het snelste in de bak gaat" en

"Je vrienden weten het al, dat we nu een spelletje doen. [naam 1] of [naam 2] al gesproken?" en

"Je moeder en [naam 3] , horen het straks. Het is al onderweg !!!" en

"Hou je vast, want een paar mensen, die moeten wat uitleggen zometeen" en

"Schatje speel nou mee" en

"Duurt me te lang. Volgende zet wordt gedaan. Er wordt morgen iemand heel naar wakker" en

"Oohw Schat ik voel me zooo slecht, omdat het zo lekker voelt. Ik ga dit spel vaker spelen" en

op 7 april 2017

"Oohw het wordt zo gevaarlijk" en

"Hou je telefoon in de gaten, je wordt gebeld vandaag" en

"En dan gaat het veel hard" en

"Hoe is het met je vader? Als hij weet wat er gaat gebeuren met jullie, dan weet ie ook dat het met hem gaat gebeuren." en

"Vanavond praat ik met je vader en vanacht met je moeder. En hou je telefoon in de gaten!" en

"Onthoud één ding, in de toekomst krijgen al jouw familieleden te horen, hoe dit is gegaan. En dan slopen ze jouw, als je tumornog niet geklapt is." en

"Ik ben zo geil nu" en

op 8 april 2017

" [slachtoffer 3] , Ik wil dat je met me praat. Ik wil dat je antwoorden geeft op me vragen" en

op 9 april 2017

"Maar schat, maak je niet druk, want jij krijgt een hogere ranking. Want jij wordt immers genaaid door [bijnaam] . Tot ongenoegen van me vrouwtjes. Me vrouwtjes wachten op jou en wanneer je daar aankomt, wordt jij genomen. Wie jouw neemt, krijgt een uitreiking en zal vereeuwigd worden met [bijnaam] . En trek iets moois aan morgen. Ik kijk graag naar mooie dingen"

en

- veelvuldig berichten gericht aan die [slachtoffer 3] te plaatsen op Facebook, op zijn, verdachtes, account en het account van [naam 4] , waaronder, onder andere:

op 8 mei 2017

" [slachtoffer 3] moet ik de wereld over, op zoek naar een familie om te vragen of hun dochter nog in leven is of dat er nog contact is. Of moet ik een wapen halen en jouw met [naam 5] en zijn vriendjes doodschieten? Want hoe langer het duurt met deze vraagstuk, hoe dichter jij bij het antwoord komt, [slachtoffer 3] " en "Zie je dit, dit wordt jullie dood. A King is Arising. [bijnaam] " en

op 12 mei 2017

"Hoor die stem, die tegen je praat. Dat is je ziel, ik weet waar je terecht komt, [slachtoffer 3] " en " [slachtoffer 3] KUTWIJF" en "Zeg eens [slachtoffer 3] moet ik je familie met rust laten?" en "fout, ze gaan allemaal stuk, ook jouw schuld" en

op 17 mei 2017

"Ik haat jullie, voor wat jullie doen en hebben gedaan. En [slachtoffer 3] ik haat jou, voor wat je achter hebt gelaten en dat mensen hun hele leven moeten nalopen of er nog mensen in leven zijn. Want geld en haat is bij jou een dodelijke combinatie" en

op 13 juni 2017

" [slachtoffer 3] JE MOET [slachtoffer 1] HARDER ZUIGEN ER KOMT EEN HELE DIKKE REKENING AAN!!!" en

op of omstreeks 2 juli 2017

" [slachtoffer 3] , ik hoorde op straat dat je dood bent. 't spijt me ok? [bijnaam] gewoon het lekkerste toetje."

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en de maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met [slachtoffer 1] en diens vrouw alsmede [slachtoffer 3] en een locatieverbod voor de woning van [slachtoffer 3] en het kantoorpand gelegen aan de [adres 1] te Amsterdam, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie vordert dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De officier van justitie vordert tevens toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie vordert gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 3] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige gedeelte dient deze niet-ontvankelijk te worden verklaard. .

8.2.

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft te kennen gegeven niet te willen verklaren over een eventuele strafoplegging.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een medewerker van het advocatenkantoor van [slachtoffer 1] , bedreiging van [slachtoffer 1] en diens vrouw en vernieling van ruiten. Hiermee heeft hij niet alleen financiële schade en hinder veroorzaakt, maar heeft hij bovenal meerdere personen angst aangejaagd, zoals is gebleken uit onder meer de door [slachtoffer 1] ter zitting afgelegde slachtofferverklaring en de verklaring van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft indringende en bedreigende berichten gestuurd en met het gooien van de stenen heeft hij die bedreigingen kracht bijgezet. De rechtbank acht het van groot belang dat advocaten en hun medewerkers, die een belangrijke bijdrage leveren aan de vormgeving en instandhouding van onze rechtstaat, zich vrij en veilig voelen om hun taak naar behoren te vervullen. Verdachte heeft voorts zijn ex-vriendin belaagd. Aangeefster heeft bij de politie verklaard erg angstig te zijn geweest en heeft zelfs tijdelijk bij een vriendin gelogeerd. Door het plegen van dit feit heeft verdachte op indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vriendin.

De rechtbank houdt ook rekening met het strafblad van verdachte van 16 september 2017, waaruit blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan het opstellen van enige psychiatrische of psychologische rapportage. Ter zitting heeft verdachte wederom te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan contact met een psycholoog of psychiater. Dit is zorgwekkend nu gezien het reclasseringsadvies en de NIFP-rapportage het vermoeden bestaat dat verdachte kampt met psychiatrische problematiek en het erop lijkt dat zijn handelen door deze problematiek is ingegeven. Door geen medewerking te verlenen kan de rechtbank hier geen rekening mee houden en ziet zij zich genoodzaakt over te gaan tot het opleggen van een gevangenisstraf, teneinde de maatschappij te beschermen. Vanuit algemeen preventief oogpunt acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd. De ernst van de feiten rechtvaardigt echter niet een gevangenisstraf voor de duur zoals door de officier van justitie geëist.

Gezien de mogelijke psychiatrische problematiek van verdachte en het vermoeden dat de door hem gepleegde strafbare feiten hierdoor zijn ingegeven, bestaat de kans dat verdachte na invrijheidstelling zal vervallen in strafbaar gedrag. Op de vraag of de rechtbank er rekening mee moet houden dat hij in de toekomst wederom dergelijke feiten zal begaan, antwoordde verdachte: ‘Dat laat ik aan God’. De rechtbank vindt het daarom van belang de slachtoffers te beschermen tegen eventuele recidive. Om die reden acht de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht passender dan oplegging van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk op te leggen strafdeel, nu overtreding van de maatregel direct kan worden gehandhaafd zonder rechterlijke tussenkomst. De rechtbank beveelt de oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaar en bepaalt de vervangende hechtenis voor de duur van 14 dagen voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt. Aangezien de rechtbank er ernstig rekening mee houdt dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan beveelt zij dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] cs advocaten

De benadeelde partij [slachtoffer 1] cs advocaten vordert € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] cs advocaten, de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 25,67 (vijfentwintig euro en zevenzestig cent) aan materiële schadevergoeding en € 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 325,67 (driehonderdvijfentwintig euro en zevenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 6.053,52 (zesduizend drieënvijftig euro en tweeënvijftig cent) aan materiële schadevergoeding en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft mr. M.M.P.M. Lousberg de vordering nader toegelicht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [slachtoffer 3] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 4, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat een gedeelte van de gevorderde materiële schade nog niet gemaakte kosten, maar mogelijk in de toekomst alsnog te maken kosten betreft. Voor zover er door [slachtoffer 3] nog geen kosten zijn gemaakt wijst de rechtbank deze gedeelten van de vordering af (te weten: het eigen risico, de awareknop, de onkosten hoger beroep en de verhuiskosten). Ten aanzien van de slaappillen is een bedrag van € 60,00 gevorderd. De benadeelde partij heeft hieraan tot nu toe € 15,08 besteed. De rechtbank wijst de vordering voor laatstgenoemd gedeelte toe. De overige € 44,92 zijn wellicht nog te maken kosten. De rechtbank verklaart [slachtoffer 3] ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij reiskosten heeft gemaakt en wijst dit gedeelte van de vordering toe (€ 58,52). Dit betekent dat in totaal een bedrag van € 73,60 (drieënzeventig euro en zestig cent) aan materiele schade wordt toegekend.

De rechtbank waardeert de immateriële schade op een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro). De benadeelde partij zal in het overige deel van de immateriële schade vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 573,60 (vijfhonderddrieënzeventig euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 285, 285b, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren

  1. zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 meter rond het kantoor van mr. [slachtoffer 1] , gelegen aan de [adres 1] te Amsterdam en zich tevens niet zal ophouden in het gebied Wibautstraat – Mauritskade – Linnaeusstraat – Populierenweg/Platanenweg te Amsterdam;

  2. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met mr. [slachtoffer 1] , zijn echtgenote en [slachtoffer 3] ;

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom contact zal opnemen met deze personen en hij wederom in deze omgeving een misdrijf zal plegen dat inbreuk maakt op de integriteit van het menselijk lichaam of zich belastend zal gedragen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] cs advocaten, vestigingsplaats [adres 1] te Amsterdam, toe tot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] cs advocaten voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] cs advocaten aan de Staat € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], wonende te Amsterdam, toe tot € 325,67 (driehonderdvijfentwintig euro en zevenenzestig cent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 325,67 (driehonderdvijfentwintig euro en zevenenzestig cent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 3] ,toe tot € 573,60 (vijfhonderddrieënzeventig euro en zestig cent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering af voor het gedeelte van € 5.935,00 (vijfduizendnegenhonderdvijfendertig euro), bestaande uit het eigen risico, de awareknop, de onkosten hoger beroep en de verhuiskosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het gedeelte van € 2.544,92 (tweeduizendvijfhonderd-vierenveertig euro en tweeënnegentig cent) niet-ontvankelijk in haar vordering is, bestaande uit € 44,92 (vierenveertig euro en tweeënnegentig cent) aan slaappillen en € 2.500,00 (tweeduizendvijfhonderd euro) immateriële schade.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] , € 573,60 (vijfhonderddrieënzeventig euro en zestig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 11 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.