Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7796

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
5894240 CV EXPL 17-8832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een automobiliste moet Q-Park € 390 betalen omdat zij al bumperklevend –‘treintje rijden’– en zonder te betalen achter haar voorganger een parkeergarage in Utrecht is uitgereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5894240 CV EXPL 17-8832

vonnis van: 24 oktober 2017

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Q-Park Operations Netherlands II B.V.

gevestigd te Maastricht

eiseres

nader te noemen: Q-Park

gemachtigde: [naam gemachtigde]

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding van 6 april 2017 met producties;

  • -

    antwoord met producties;

  • -

    instructievonnis;

  • -

    repliek met producties;

  • -

    dupliek met producties;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

Q-Park is exploitant van onder meer de parkeergarages La Vie te Utrecht en Nieuwendijk te Amsterdam.

1.2.

Het motorvoertuig met kenteken [kenteken] staat op naam van [gedaagde] .

1.3.

Door middel van het verzoeken om en ontvangen/accepteren van het parkeerticket of het binnenrijden met een betaalpas of met abonnement kunnen bezoekers zich de toegang tot genoemde parkeergarages verschaffen. Door het binnenrijden wordt een parkeerovereenkomst aangegaan.

1.4.

Op het informatiebord bij de inrijterminal van beide onder 1.1 genoemde garages worden onder meer de tarieven (waaronder het maximaal dagtarief) van de desbetreffende parkeerfaciliteit vermeld en wordt verwezen naar de algemene voorwaarden met de tekst:

Toegang en gebruik van Q-Park services uitsluitend onder toepassing van de Algemene Voorwaarden, op te vragen via www.q-park.nl of Q Park Customer Desk (…).

1.5.

Q-Park hanteert in haar parkeerfaciliteit La Vie een maximaal dagtarief van € 30,00, zoals aangeduid op het informatiebord bij de inrijterminal. Voorts staat op dit informatiebord “Bij verlies inrijkaart geldt 3x dagtarief”.

1.6.

Artikel 5.9 van de algemene voorwaarden luidt:

“De parkeerder en zijn voertuig dienen de parkeerfaciliteit uitsluitend te verlaten met gebruikmaking van een geldig, door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel. Het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeerfaciliteit is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- …”.

1.7.

Artikel 6.3 van de algemene voorwaarden luidt:

“Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (…), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- …”.

1.8.

Bij brief van 22 juli 2016 heeft de gemachtigde van Q-Park [gedaagde] meegedeeld dat haar auto op 6 juli 2017 om ca 22.30 uur zonder te betalen en treintje rijdend de parkeergarage La Vie te Utrecht is uitgereden, waardoor zij € 300,00 schadevergoeding alsmede het voor haar geldende tarief verloren kaart ad € 90,00 verschuldigd is geworden. [gedaagde] is gesommeerd het totaalbedrag van € 390,00 binnen 16 dagen na heden te voldoen, bij gebreke waarvan zij de incassokosten ad € 58,50 verschuldigd zal worden.

1.9.

Bij brief van 2 augustus 2016 heeft de gemachtigde van Q-Park [gedaagde] meegedeeld dat haar auto op 12 juli 2017 om ca 00.11 uur zonder te betalen en treintje rijdend de parkeergarage Nieuwendijk te Amsterdam is uitgereden, waardoor zij € 300,00 schadevergoeding alsmede het voor haar geldende tarief verloren kaart ad € 150,00 verschuldigd is geworden. [gedaagde] is gesommeerd het totaalbedrag van € 450,00 binnen 16 dagen na heden te voldoen, bij gebreke waarvan zij de incassokosten ad € 67,50 verschuldigd zal worden.

vordering

2. Q-Park vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 840,00 aan hoofdsom;
b. € 126,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. de wettelijke rente over € 840,00 vanaf 6 april 2017;
d. de proceskosten.

3. Aan haar vordering legt Q-Park ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de algemene voorwaarden aan schadevergoeding € 300,00 per overtreding verschuldigd is, alsmede het in haar geval geldende “tarief verloren kaart” ad € 90,00 (La Vie) en € 150,00 (Nieuwendijk), nu de auto van [gedaagde] op 6 juli 2016 en 12 juli 2016 op onrechtmatige wijze en zonder te betalen al treintje rijdend de onder 1.2 genoemde parkeergarages is uitgereden.

4. Q-Park stelt hiertoe, kort samengevat, dat tussen partijen overeenkomsten bestaan op grond waarvan [gedaagde] haar auto tegen de door Q-Park gehanteerde tarieven in haar parkeerparkeerfaciliteit op een (willekeurige) parkeerplaats mag parkeren. Bij de ingang van iedere parkeerfaciliteit en voor het binnenrijden worden de tarieven en algemene voorwaarden door Q-Park kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord. Het informatiebord staat vlakbij de inritterminal.

5. Door de in de parkeeraccommodaties aanwezige camera’s is geconstateerd dat op 6 juli 2016 en 12 juli 2016 een aan [gedaagde] toebehorende grijze Volkswagen Fox, met kenteken [kenteken] , La Vie respectievelijk Nieuwendijk is binnengereden en uitgereden zonder te betalen door vlak achter de voorganger de parkeergarage te verlaten, het zogenaamde “treintje rijden”. Hierdoor is [gedaagde] volgens Q-Park in verzuim met de betaling aangezien betaling op grond van de overeenkomst vóór het verlaten van de parkeergarage dient plaats te vinden. [gedaagde] is, op grond van de algemene voorwaarden, voor iedere keer dat zij de parkeerfaciliteit heeft verlaten zonder te betalen het dagtarief verschuldigd.

6. Voorts stelt Q-Park dat [gedaagde] conform de algemene voorwaarden voor iedere keer dat zij de parkeerfaciliteit heeft verlaten zonder te betalen een boetebedrag van maximaal € 300,00 van verschuldigd is. Artikel 6.3 van de algemene voorwaarden (zie onder 1.7) beoogt primair “treintje rijden” te voorkomen. Het “treintje rijden” leidt volgens Q-Park tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage. Zo kunnen slagbomen op hol slaan en doorslaan naar de andere zijde van de uit/inrit waardoor een aldaar aanwezige personenauto geraakt kan worden. Gevaarzetting kan ook ontstaan uit aanrijdingen met voetgangers en fietsers bij de uitgang van de parkeergarage, nu deze immers verwachten dat achter ieder voertuig de slagboom sluit. “Treintje rijden” veroorzaakt bovendien kopieergedrag. Het aantal “treintje rijders” neemt toe en de boete is mede bedoeld om kopieergedrag tegen te gaan. Voor een voldoende preventieve werking is vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is. Er is geen ander middel om “treintje rijden” tegen te gaan dat even effectief is als een boetebeding.

Voorts leidt Q-Park schade doordat zij moet investeren in dure camerasystemen voor scherpe detectie van het “treintje rijden” en doordat zij registratiesystemen heeft moeten aanschaffen. Deze registratiesystemen en de software dienen onderhouden te worden en van updates te worden voorzien. Voorts dienen de videobeelden te worden bestudeerd en moeten alle gegevens verwerkt worden. Aan de hand van het voertuig en kenteken dient een onderzoek te worden ingesteld bij het kentekenregister ten aanzien van de persoonsgegevens behorende bij het betreffende voertuig, waarvoor een advocaat is vereist. Tot slot leidt Q-Park omzetverlies omdat zij parkeergelden misloopt. [gedaagde] maakt immers bij het “treintje tijden” geen gebruik van een uitrijkaart, zodat de parkeerplek van [gedaagde] in het systeem als bezet geregistreerd blijft, terwijl deze anders opnieuw verhuurd had kunnen worden.

verweer

7. [gedaagde] verweert zich tegen de vordering en voert daartoe – kort gezegd – aan dat zij in beide gevallen niet de bestuurder is geweest. Ten aanzien van het voorval parkeergarage Nieuwendijk stelt zij dat ene heer [naam] de bestuurder was en erkent zij dat hij de garage verlaten heeft zonder te betalen. Volgens [gedaagde] heeft [naam] hierover verklaard dat hij geen middelen bij zich had om te betalen en dat de aanwezige beveiliger hem heeft aangeraden de garage al ‘treintje rijdend’ uit te rijden. In het geval van parkeergarage La Vie noemt [gedaagde] geen naam van een bestuurder maar voert zij aan dat deze persoon zich niet kan herinneren niet te hebben betaald. [gedaagde] voert verder als verweer dat de zogenoemde ‘verloren kaart tarieven’ niet uit de algemene voorwaarden blijken, betwist zij dat er door haar auto schade aan Q-Park is toegebracht en stelt zij zich op het standpunt dat de opgelegde boete onredelijk en onbegrijpelijk hoog is. [gedaagde] is wel bereid de oorspronkelijke parkeerkosten of desnoods het dagtarief te voldoen.

beoordeling

8. Het meest verstrekkende verweer dat [gedaagde] voert is dat zij in beide gevallen de bestuurder niet was, waarmee zij in feite betwist de overeenkomsten met Q-Park te zijn aangegaan. Op zich is juist, zoals door Q-Park aangevoerd, dat [gedaagde] als kentekenhouder vermoed wordt de bestuurder te zijn geweest, doch indien dit gemotiveerd wordt betwist, is het aan Q-Park om haar stellingen nader te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.

9. In het geval van parkeergarage Nieuwendijk heeft [gedaagde] concreet gesteld wie de bestuurder was (de heer [naam] ), hetgeen volgens haar op de camerabeelden te zien moet zijn. Q-Park heeft in reactie daarop slechts herhaald dat [gedaagde] vermoed wordt de bestuurder te zijn geweest en dat zij de bestuurder in vrijwaring had moeten oproepen. Q-park wordt in dit betoog niet gevolgd. Uit de overgelegde camerabeelden valt niet af te leiden wie de bestuurder was en Q-Park heeft geen nadere omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit wel [gedaagde] was. Het had op de weg van Q-Park gelegen om haar stellingen meer handen en voeten te geven. Nu Q-Park dit heeft nagelaten en op dit punt ook geen voldoende concreet bewijsaanbod heeft gedaan, moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] geen overeenkomst met Q-Park is aangegaan met betrekking tot parkeergarage Nieuwendijk, zodat het deel van de vordering dat daarop ziet zal worden afgewezen. Dat [gedaagde] de verklaring van de [naam] , gericht aan Q-Park, in de ik-vorm heeft geschreven doet aan dit oordeel niet af, omdat zij hiervoor een afdoende verklaring heeft gegeven, namelijk dat zij zelf zicht op de zaak wilde houden.

10. Anders is dit voor het deel van de vordering dat ziet op parkeergarage La Vie nu [gedaagde] in dat geval niet eens de naam van de bestuurder heeft genoemd. De betwisting is in dat geval dan ook onvoldoende gemotiveerd, hetgeen ertoe leidt dat de kantonrechter als vaststaand aanneemt dat [gedaagde] de bestuurder was en de overeenkomst met Q-Park is aangegaan.

11. Niet in geschil is dat op de overeenkomst die [gedaagde] met Q-Park met betrekking tot parkeergarage La Vie is aangegaan de algemene voorwaarden van Q-Park van toepassing zijn. Op grond van de artikelen 5.9 en 6.3 van die algemene voorwaarden (zie onder 1.6 en 1.7) is [gedaagde] aan Q-Park een boete van maximaal € 300,00 verschuldigd per keer uitrijden zonder het aanbieden van een parkeerticket, “treintje rijden” en voorts van het ‘verloren kaart’ tarief. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van die algemene voorwaarden is van belang dat [gedaagde] consument is althans vermoed wordt consument te zijn.

11. [gedaagde] voert aan dat het verloren kaart tarief niet uit de algemene voorwaarden volgt. Nu bij parkeergarage La Vie echter op het informatiebord bij de inrijterminal is vermeld dat een maximaal dagtarief van € 30,00 wordt gehanteerd en daarop tevens is vermeld dat bij verlies van de inrijkaart drie keer het dagtarief geldt, is [gedaagde] niettemin de boete van 3 keer € 30,00, derhalve van € 90,00 aan Q-Park verschuldigd. [gedaagde] wist waar zij aan toe was en moet geacht worden deze voorwaarde door de parkeergarage in te rijden te hebben aanvaard. De € 90,00 is dan ook toewijsbaar, behoudens indien en voor zover in het navolgende wordt geoordeeld dat de bedingen van de algemene voorwaarden oneerlijk zijn.

11. [gedaagde] voert verder als verweer dat de (totale) boete onredelijk hoog is. In dat verband wordt overwogen dat de kantonrechter op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08, punt 32) en de Hoge Raad (13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691, r.o. 3.5.3) ambtshalve dient te beoordelen of het boetebeding onredelijk bezwarend is. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat, in het geval wordt vastgesteld dat een beding ‘oneerlijk’ is in de zin van artikel 3 lid 1 en punt e uit de bijlage van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn), deze de boete niet mag matigen, maar zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten (HvJ 30 mei 2013, C 488/11, punt 57), tenzij de consument zich hiertegen verzet (HvJ 4 juni 2009, C 243/08, punt 35). Daartoe dient artikel 6:233 BW conform de richtlijn te worden uitgelegd en – indien de kantonrechter vaststelt dat het beding ‘oneerlijk’ is – het beding ambtshalve te worden vernietigd (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691, r.o. 3.7.1 – 3.7.3).

11. Q-Park heeft - kort gezegd - als standpunt naar voren gebracht dat de bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn. Het beding beoogt volgens Q-Park primair “treintje rijden” te voorkomen. Voor een voldoende preventieve werking is vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is. Er is geen ander middel om “treintje rijden” tegen te gaan dat even effectief is als een boetebeding. Het “treintje rijden” leidt volgens Q-Park tot gevaarlijke situaties in en buiten de parkeergarage. Voorts leidt Q-Park door deze gedraging schade. Q-Park heeft kosten moeten maken door investeringen in dure camerasystemen voor scherpe detectie van het treintje rijden. Zij heeft derhalve groot belang bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude. Ter bestrijding van dit probleem heeft Q-Park in de artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden een boetebepaling opgenomen om het ongeoorloofd gebruik van de parkeergarage tegen te gaan. De inkomsten van het boetebeding worden gebruikt om maatregelen te nemen ter voorkoming en vervolging van “treintje rijden”. De boete is volgens Q-Park redelijk ten opzichte van de in het verleden gedane en in de toekomst nog noodzakelijke investeringen.

11. De kantonrechter is van oordeel dat de door Q-Park bedongen boete, gelet op hetgeen door Q-Park is gesteld over de beoogde preventieve werking daarvan, de gevaarzetting voor andere verkeersdeelnemers in en buiten de parkeergarage, het feit dat [gedaagde] er bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en ongewenste wijze te verlaten, en op de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van de hierdoor door haar geleden schade, niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn 93/13. Dat [gedaagde] Q-Park in dit concrete geval geen schade heeft toegebracht, doet hier niet aan af.

16. Het voorgaande leidt ertoe dat een bedrag van € 390,00 aan boetes toewijsbaar is. De gevorderde – niet betwiste – wettelijke rente daarover zal eveneens worden toegewezen.

17. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet (voldoende duidelijk) uit de overgelegde aanmaningen van 22 juli 2016 en 2 augustus 2016 gebleken is dat aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

18. Nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Q-Park van € 390,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2017 tot aan de voldoening;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. F.J. van de Poel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.