Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7789

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek / tekortkomingen AFM / herbeoordeling rentederivatendossiers / ongegrond.

De AFM heeft eiseres geweigerd documenten te verstrekken die informatie bevatten over de tekortkomingen van de AFM bij haar toetsing van de door de banken verrichtte herbeoordeling van de rentederivatendossiers. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie betrekking heeft op werkzaamheden van de AFM die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wft. Dit heeft tot gevolg dat de AFM is uitgezonderd en dus niet onder de werkingssfeer van de Wob valt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6431

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2017 in de zaak tussen

Stichting Waakzaamheid financieel toezicht, te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. G.P. Roth),

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster

(gemachtigde: mr. M.L. Batting).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerster het verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 2 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft de stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017. Eiseres en haar gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. C. Antonos.

Verweerster zal hierna worden aangehaald als ‘de AFM’.

Overwegingen

1.1.

Bij brief van 21 maart 2016 heeft eiseres de AFM verzocht op grond van de Wob alle onder de AFM berustende documenten te verstrekken betreffende de eigen tekortkomingen van de AFM bij haar toetsing van de door de banken verrichtte herbeoordeling van de rentederivatendossiers (hierna: de tekortkomingen van de AFM). Eiseres verzoekt verder om nadere informatie over het [bureau] dat door de Raad van Toezicht van de AFM is aangesteld om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de tekortkomingen van de AFM. Hieronder dient ook te worden verstaan de met het genoemde bureau gemaakte (schriftelijke) afspraken over onder meer vergoeding, geheimhouding en toegang tot stukken waaruit blijkt van het besluit om dit bureau in te schakelen. Ook heeft eiseres verzocht om nadere informatie over de oprichting en inrichting van de interne Taskforce Rentederivaten. Het verzoek ziet op de interne gang van zaken bij de AFM.

1.2.

Rentederivaten zijn – kort gezegd – financiële producten die zijn bedoeld om renterisico’s op leningen af te dekken.

2. De AFM heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard omdat alle werkzaamheden van de AFM die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge (onder meer) de Wet op het financieel toezicht (Wft) zonder meer vallen onder de uitzondering van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (het Besluit). Ook het Wob-verzoek van eiseres valt onder deze uitzondering. De herbeoordeling van de rentederivatendossiers door de AFM vindt plaats op basis van de Wft, binnen de reikwijdte van de wettelijke taak van de AFM. De AFM heeft tekortkomingen geconstateerd bij het vervullen van haar taak, specifiek bij haar eigen toetsing van de herbeoordelingen van de derivatendossiers door banken. Aangezien de tekortkomingen van de AFM hebben plaatsgevonden tijdens het uitvoeren van de aan haar op grond van de Wft opgedragen toezichtstaak, vloeien deze tekortkomingen en andere werkzaamheden van de AFM hieromtrent eveneens voort uit dan wel houden zij verband met de hiervoor genoemde toezichtstaak op grond van de Wft. Deze werkzaamheden zijn dan ook uitgezonderd van de Wob. Hetzelfde geldt voor informatie over de opdracht die aan A&M is verleend teneinde een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de tekortkomingen van de AFM. De opdracht aan en het onderzoek van A&M is immers een gevolg van de geconstateerde tekortkomingen. Ook de werkzaamheden van de Taskforce vloeien voort dan wel houden verband met de toezichtstaak van de AFM op grond van de Wft.

3. Eiseres betoogt dat de AFM zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij in dit geval zonder meer is uitgezonderd van de Wob. De AFM steunt op een te extensieve interpretatie van de in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit opgenomen uitzonderingsclausule. Eiseres vindt dat voor alle in casu gevraagde informatie geldt dat deze geen of in onvoldoende mate verband houdt met de aan de AFM bij wet opgedragen toezichtstaak. Het Wob-verzoek van eiseres heeft immers geen betrekking op de toezichtswerkzaamheden van de AFM in het kader van de herbeoordeling van de rentederivatendossiers, maar alleen op de tekortkomingen die zijn gesignaleerd bij de AFM zélf en de werkzaamheden en ontwikkelingen die daarmee verband houden. De in artikel 1:25 van de Wft verankerde toezichtstaak van de AFM houdt niet in dat zij ook onderzoek zou moeten doen naar haar eigen tekortkomingen bij de uitoefening van die taak. De AFM zelf is geen normadressaat van de Wft, dat zijn de banken. Hetzelfde geldt voor de opdracht die is verleend aan [bureau] en de instelling van de Taskforce.

4.1.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob is deze wet van toepassing op andere dan de in dat lid onder a, b en c vermelde bestuursorganen, voor zover deze niet bij algemene maatregel van bestuur zijn uitgezonderd.

4.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit is – voor zover hier van belang – als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob uitgezonderd de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wft.

5. In de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld of de verzochte informatie ziet op werkzaamheden van de AFM die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wft, of ziet op een andere aan de AFM opgedragen overheidstaak.

6. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken. De rechtbank stelt vast dat de stukken onder meer vergaderverslagen, interne memo’s, powerpoints en emailverkeer betreffen. In deze stukken komen onder meer de eigen tekortkomingen van de AFM aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie betrekking heeft op werkzaamheden van de AFM die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wft. Dit heeft tot gevolg dat de AFM ook voor wat betreft deze informatie is uitgezonderd en dus niet onder de werkingssfeer van de Wob valt. De rechtbank voelt zich in dit oordeel met name gesterkt door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9590. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de verzochte informatie in die zaak, die op de bekostiging van het door de AFM uitgevoerde toezicht zag, betrekking had op werkzaamheden van de AFM die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wft. Naar het oordeel van de rechtbank hangt informatie die betrekking heeft op de tekortkomingen van de AFM bij de uitoefening van haar toezichthoudende taak nog meer samen met de toezichthoudende taak dan het financiële aspect hiervan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een extensieve interpretatie van de in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit opgenomen uitzonderingsclausule geen sprake is. Dit betoog van eiseres faalt dus.

7. De AFM heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht en op goede gronden het standpunt ingenomen dat de informatie die ziet op de tekortkomingen van de AFM en – in het verlengde hiervan – de informatie over A&M en de Taskforce, betrekking hebben op werkzaamheden van de AFM die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wft. Daaruit volgt dat de AFM terecht de Wob niet op het verzoek om openbaarmaking van de in het verzoek genoemde informatie van toepassing heeft geacht.

8. Eiseres heeft in beroep verder nog aangevoerd dat het bestreden besluit slecht valt te begrijpen in het licht van de Wob-verzoeken die de AFM wel (gedeeltelijk) heeft toegewezen, wat te lezen valt op de website van de AFM. De AFM heeft hierover – onbestreden – toegelicht dat de openbaar gemaakte informatie waarop eiseres doelt de toezichtstaak van de AFM betreft op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat, nu deze wet niet wordt genoemd in het Besluit, reeds daarom een vergelijking met de onderhavige zaak niet opgaat.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, rechter, in aanwezigheid van mr. M. den Toom, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.