Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7763

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
KG ZA 17-1022 MV/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een zeer omvangrijk bewijsbeslag dat onder een derde is gelegd kan die derde aanspraak maken op een redelijke vergoeding van zijn kosten door de beslaglegger.

Bij het bepalen van de hoogte van die kostenvergoeding is uitgangspunt dat de deurwaarder, en niet de derdebeslagene, de leidende rol heeft bij de beslaglegging en dus bepaalt welke (digitale) gegevens onder het beslagverlof vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/499
JBPR 2018/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/635225 / KG ZA 17-1022 MV/MV

Vonnis in kort geding van 11 oktober 2017

in de zaak van

de coöperatie
COÖPERATIEF DELOITTE U.A.,

gevestigd te Rotterdam,
en van 31 andere eiseressen zoals opgenomen in de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding,

eiseressen bij dagvaarding van 13 september 2017,

advocaten mrs. K.J. Krzeminski en H.T. Verhaar te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

KMG INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. S. Vermeulen en B.M.W. Fontein te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Deloitte (in enkelvoud) en KMG worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 27 september 2017 heeft Deloitte gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. KMG heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. KMG heeft tevens een conclusie van antwoord in het geding gebracht.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van Deloitte: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] met mrs. Krzeminski en Verhaar;

aan de zijde van KMG: mrs. Vermeulen en Fontein.
Ook was mr. I.C. Engels, advocaat van [naam 6] , kandidaat-gerechtsdeurwaarder, aanwezig. [naam 6] was in het gebouw van de rechtbank aanwezig om zo nodig vragen van de voorzieningenrechter te kunnen beantwoorden. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Deloitte levert diensten op het gebied van accountancy, belastingadvies, consulting, financiële advisering en risk advisering. Deloitte is de voormalig accountant van (groepsmaatschappijen van) DP Holding S.A. (hierna DPH).

2.2.

Tussen KMG en DPH is een geschil ontstaan. Op 30 april 2016 is tussen KMG en DPH een arbitraal vonnis gewezen waarin DPH is veroordeeld USD 200 miljoen (vermeerderd met wettelijke rente) aan KMG te voldoen. Bij beschikking van 24 mei 2016 heeft deze rechtbank verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis.

2.3.

Op 23 en 30 mei 2017 heeft KMG de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag onder Deloitte. In het beslagrekest heeft KMG gesteld dat zij op grond van artikel 843a Rv een rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van specifieke bescheiden die zien op de inkomens- en vermogenspositie van DPH, met wie zij in een rechtsbetrekking staat. Zonder die informatie is zij niet in staat te achterhalen welke voor verhaal vatbare goederen voorhanden zijn, aldus het rekest. Daarnaast heeft KMG haar verzoek tot het leggen van beslag gegrond op het arrest van de Hoge Raad in de zaak Tripels/Masson van 20 september 1991 (NJ 1992, 552). Ook hieruit volgt dat een schuldenaar in beginsel verplicht is een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg inlichtingen over zijn inkomens- en vermogenspositie en over voor verhaal vatbare goederen te verschaffen.

2.4.

KMG heeft op 23 en 30 mei 2017 het gevraagde verlof gekregen. De voorzieningenrechter heeft DigiJuris B.V. (hierna DigiJuris) aangewezen als gerechtelijk bewaarder en de termijn voor het instellen van de hoofdzaak bepaald op 28 dagen. Deze laatste termijn is bij beschikking van de voorzieningenrechter van 29 juni 2017 verlengd tot en met 5 oktober 2017.

2.5.

Op 24 mei 2017 is Groot & Evers Gerechtsdeurwaarders en Incassobureau (hierna de deurwaarder) gestart met de uitvoering van het bewijsbeslag. De deurwaarder heeft zich bij de uitvoering laten bijstaan door DigiJuris die op haar beurt de bijstand van een accountant heeft ingeroepen. Op 11 juni 2017 en 13 juni 2017 heeft de deurwaarder alle digitale dossiers en 225 e-mailboxen èn alle fysieke dossiers ten kantore van Deloitte zeker gesteld. Deloitte is vervolgens met instemming van de deurwaarder gestart met het invoeren en het doorzoekbaar maken van de gegevens in het digitale systeem van Deloitte, genaamd Relativity. De selectie door de deurwaarder van de digitale dossiers was medio juli 2017 afgerond. Op 8 augustus 2017 heeft Deloitte aan de deurwaarder medegedeeld dat het invoeren van de e-mailboxen in Relativity nog tot oktober 2017 zou duren. Op 16 augustus 2017 heeft de deurwaarder Deloitte opdracht gegeven het invoeren van e-mailboxen in Relativity te staken. Op 22 augustus 2017 is de selectie van gegevens uit de e-mailboxen door de deurwaarder afgerond. De deurwaarder heeft Deloitte vervolgens in de gelegenheid gesteld de geselecteerde gegevens voorafgaande aan de definitieve beslaglegging te controleren. De beslaglegging is tot op heden niet afgerond.

3 Het geschil

3.1.

Deloitte vordert – kort gezegd – het volgende:
primair
(a) KMG te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 500.000,- op de vergoeding van de door Deloitte gemaakte en nog te maken kosten in het kader van het bewijsbeslag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

(b) KMG te veroordelen tot betaling op eerste verzoek van Deloitte van alle kosten die Deloitte nog zal maken in het kader van het bewijsbeslag, voor zover die niet door het voorschot worden gedekt;
subsidiair
(c) KMG te bevelen om ten gunste van Deloitte zekerheid te stellen ten bedrage van € 500.000,- (althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag) voor alle kosten en ander nadeel dat Deloitte lijdt en zal lijden;
primair en subsidiair
(d) te bepalen dat Deloitte verdere medewerking aan het bewijsbeslag mag opschorten, totdat KMG heeft voldaan aan het hiervoor gevorderde;
meer subsidiair
(e) een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter geraden acht ter waarborging van de belangen van Deloitte;
in alle gevallen
(f) KMG te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Deloitte stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat KMG verlof heeft gekregen tot het leggen van bewijsbeslag onder 34 Deloittevennootschappen. De lijst van beslagobjecten is pagina’s lang (verwezen wordt naar punt 89 van het beslagrekest), zeer ruim omschreven en betreft 103 vennootschappen en 12 natuurlijke personen. De definitie van het begrip “informatie” die KMG bij Deloitte hoopt aan te treffen is in het beslagrekest eveneens zeer ruim omschreven. KMG richt haar bewijsbeslag dus niet op bepaalde e-mails of documenten, maar op alle mogelijke bescheiden die iets van doen hebben met een caleidoscoop aan onderwerpen. Vanwege de extreem ruime strekking van het bewijsbeslag zijn verschillende medewerkers van Deloitte met de uitvoering hiervan al ruim vier maanden bezig. Deloitte heeft alle werkzaamheden uitgevoerd op instructie van en in nauw overleg met de deurwaarder. De deurwaarder heeft ermee ingestemd dat alle digitale dossiers en de e-mailboxen van betrokken partners en medewerkers van Deloitte zouden worden ingeladen in het systeem van Deloitte (Relativity) en dat de deurwaarder (bijgestaan door DigiJuris) in dit systeem de data search zou kunnen uitvoeren. In een e-mail van 31 mei 2017 en in een bespreking van 1 juni 2017 heeft Deloitte de deurwaarder te kennen gegeven dat dit een aanzienlijk tijdsbeslag en aanzienlijke (hosting)kosten met zich mee zou brengen. Pas medio augustus 2017 heeft de deurwaarder, geschrokken door de enorme hoeveelheid data, besloten het beslag te beperken tot de e-mailboxen van de partners en directors van Deloitte. Op 22 augustus 2017 heeft de deurwaarder Deloitte bericht dat de screening van de data was afgerond, maar toen bleek al snel dat controle hiervan door Deloitte zeer noodzakelijk was. Zo bevatte de selectie van de deurwaarder een groot aantal gegevens die overduidelijk out-of-scope waren. Verstrekking van die gegevens zou in strijd zijn met de privacy- en geheimhoudingsplichten van Deloitte.
De kosten van Deloitte aan IT/Forensics (waaronder processing en hosting) bedroegen tot en met september 2017 € 433.045,16. Het tijdsbeslag van haar medewerkers bedroeg (exclusief IT/Forensics) € 56.106,-. Deze substantiële kosten zullen nog hoger worden omdat de uitvoering van het bewijsbeslag nog niet is afgerond.

Deloitte is verplicht haar medewerking te geven aan de uitvoering van het bewijsbeslag, terwijl zij geen partij is bij het geschil tussen KMG en DPH. Als toevallige derde behoeft zij niet op te draaien voor de noodzakelijke kosten. De kosten zijn in de gegeven omstandigheden in redelijkheid gemaakt omdat op Deloitte als accountant een geheimhoudings- en zorgvuldigheidsplicht rust. Deloitte kan de deurwaarder niet zo maar onbeperkte toegang verlenen tot haar systemen; zij dient een balans te vinden tussen de hiervoor genoemde plichten enerzijds en haar wettelijke plicht mee te werken aan de uitvoering van het bewijsbeslag anderzijds. KMG heeft in haar beslagrekest (zie onder 82) ook toegezegd dat zij zoveel mogelijk tegemoet zal komen aan hinder die Deloitte als gevolg van het bewijsbeslag mocht ondervinden. KMG is dan ook als beslaglegger gehouden tot vergoeding van (of zekerheidsstelling voor) de door Deloitte gemaakte kosten. Een grondslag voor deze verplichting vloeit voort uit het systeem van het beslag- en executierecht en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, waaronder het non peius-beginsel, en de overwegingen van de Hoge Raad in het Molenbeek Invest-arrest van 13 september 2013 (ECLI:HR:2013:BZ9958).

3.3.

KMG heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

KMG heeft het verweer gevoerd dat niet is voldaan aan de hoge eisen die worden gesteld aan de toewijzing van een geldvordering in kort geding. Zo zou Deloitte bij toewijzing van haar vordering geen spoedeisend belang hebben, onder meer omdat zij voldoende kapitaalkrachtig is de kosten voorlopig te blijven dragen.

Dit standpunt faalt. KMG miskent dat in dit geval geen sprake is van een “gewone” geldvordering. De voorzieningenrechter heeft verlof verleend voor het leggen van bewijsbeslag onder een derde (Deloitte) en die derde ziet zich thans geconfronteerd met hoge kosten. Het staat Deloitte in dit geval vrij om in het kader van de behoorlijke uitvoering van het bewijsbeslag de voorzieningenrechter te verzoeken aan dit beslag een ordemaatregel in de vorm van een voorlopige kostenvergoeding te verbinden. De tenuitvoerlegging van het bewijsbeslag duurt voort en de kosten lopen dagelijks op. Deloitte heeft als derdebeslagene voldoende belang bij een snel antwoord op de vraag of zij haar kosten op de beslaglegger kan verhalen of zekerheidsstelling kan verlangen.

Grondslag kostenvergoeding

4.2.

KMG heeft het verweer gevoerd dat het wettelijk systeem geen grondslag biedt voor vergoeding van kosten van de derdebeslagene in geval van een rechtmatig beslag. De kosten dient Deloitte zelf te dragen, dan wel van DPH terug te vorderen overeenkomstig artikel 706 Rv, aldus KMG.

4.3.

Overwogen wordt dat het wettelijk beslagsysteem slechts een beperkte vergoedingsplicht van de beslaglegger kent voor kosten van de derdebeslagene in geval van rechtmatige beslaglegging. Op grond van de wet bestaat bijvoorbeeld recht op vergoeding van kosten van afschriften, kosten voor het doen van een buitengerechtelijke verklaring (artikel 476a lid 1 Rv) en kosten van rechtsbijstand die een derde moet maken wanneer hij door de beslaglegger op grond van artikel 477a Rv in rechte wordt betrokken. Het ontbreken van een ruimere wettelijke vergoedingsplicht staat er echter niet aan in de weg dat de beslaglegger onder bijzondere omstandigheden toch verplicht kan worden de kosten te vergoeden die de derdebeslagene heeft gemaakt ter uitvoering van het beslag. Deloitte heeft zich in dit kader terecht beroepen op het zogenoemde non peius-beginsel. Hieruit volgt dat Deloitte als gevolg van het beslag niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan wanneer er geen beslag onder haar was gelegd en zij rechtstreeks tot afgifte zou zijn aangesproken. Ook de overwegingen van de Hoge Raad in het Molenbeek Invest-arrest bieden ondersteuning aan een ruimere vergoedingsplicht van de beslaglegger. De Hoge Raad heeft in dat arrest immers overwogen dat een bewijsbeslag een ingrijpend dwangmiddel is waardoor onder omstandigheden aan de wederpartij of een derde onder wie het beslag wordt gelegd aanzienlijke hinder of schade kan worden toegebracht, en verder dat eventuele schadelijke gevolgen voor de derdebeslagene binnen redelijke grenzen dienen te blijven.

4.4.

In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden. Er is door de voorzieningenrechter beslagverlof verleend voor een bewijsbeslag onder ruim 30 Deloitte-vennootschappen op gegevens van meer dan 100 aan DPH gelieerde entiteiten. De omschrijving van de in beslag te nemen gegevens is ruim: alle (e-mail)correspondentie en documentatie van de DPH-entiteiten vanaf 7 mei 2009 verband houdend met onder meer jaarverslaggeving, (financiële) transacties, vermogensverschuivingen en bestuurdersaanstellingen. De beslaglegging is op 24 mei 2017 door de deurwaarder gestart. Er hebben diverse besprekingen van medewerkers van Deloitte en haar advocaten met de deurwaarder op de kantoren van Deloitte in Amsterdam en Rotterdam plaatsgevonden. Tientallen fysieke en digitale dossiers alsmede de e-mailboxen van 225 betrokken medewerkers zijn dankzij de medewerking van Deloitte geïdentificeerd. Op 11 juni 2017 zijn alle digitale dossiers en e-mailboxen, en op 13 juni 2017 alle fysieke dossiers op het kantoor van Deloitte bijeengebracht. Dit ging volgens KMG om zo’n 10 miljoen documenten (zie punt 24 van haar conclusie van antwoord) en in totaal om 2,5 terrabyte aan digitale gegevens. Deze gegevens dienden door de deurwaarder gefilterd te worden teneinde vast te stellen of deze onder het beslag vielen.

4.5.

Aannemelijk is dat Deloitte relatief grote inspanningen heeft moeten leveren teneinde aan haar medewerkingsplicht als derdebeslagene te voldoen. Voorshands is voldoende duidelijk dat zij in het kader van dit ingrijpende en veelomvattende beslag kosten heeft gemaakt die in redelijkheid niet meer als behorend tot haar normale bedrijfsrisico kunnen worden aangemerkt. Hoewel de wet bepaalt dat de beslagkosten op de beslagene kunnen worden verhaald (artikel 706 Rv), sluit deze bepaling naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet uit dat de derde onder omstandigheden ook kosten in rekening kan brengen bij de beslaglegger.

Noodzaak kosten

4.6.

In geschil is of de door Deloitte gevorderde kosten noodzakelijk gemaakt zijn. KMG betwist dit. Deloitte stelt dat zij betrokken diende te zijn bij de selectie door de deurwaarder van de op 11 en 13 juni 2017 op het kantoor van Deloitte bijeengebrachte gegevens (zie 2.5). Zij stelt dat zij de beoogde selectie moet kunnen controleren voordat de gegevens in de macht van de deurwaarder (of DigiJuris) worden gebracht en het bewijsbeslag wordt gefinaliseerd. Zij dient er in haar visie op toe te zien dat de deurwaarder geen informatie in beslag neemt die buiten de reikwijdte van het beslagverlof valt. Volgens Deloitte vloeit dit voort uit de zelfstandige plicht die zij heeft om als accountant, belastingadviseur, opdrachtgever en werkgever zorgvuldig om te gaan met de haar toevertrouwde informatie, alsmede gelet op de met haar voormalige client DPH overeengekomen geheimhoudingsplicht en haar verplichtingen op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). De kosten die hiermee samenhangen moet KMG betalen, aldus Deloitte. KMG bestrijdt de ‘regierol’ die Deloitte zichzelf aanmeet.

4.7.

Overwogen wordt als volgt. Voorop staat dat de deurwaarder bepaalt welke (digitale) gegevens onder de reikwijdte van het beslagverlof vallen. Pas nadat de beslaglegging is voltooid en de gegevens in de macht van de gerechtelijk bewaarder zijn gebracht kan eventueel, desnoods in het kader van een opheffingskortgeding, een inhoudelijke discussie worden gevoerd over de vraag of de gegevens terecht onder het bewijsbeslag zijn gebracht, dan wel vanwege bijvoorbeeld de geheimhoudingsplicht daar buiten dienden te blijven.

Het beroep van Deloitte op haar geheimhoudings- en zorgplicht leidt er voorshands niet toe dat zij om die reden een controlerende functie bij de inbeslagneming kan opeisen. Deloitte miskent dat de vertrouwelijke behandeling van de bescheiden afdoende is gewaarborgd. De beslaglegging en gerechtelijke bewaring vinden plaats onder leiding van de deurwaarder, die geheimhouding dient te betrachten, ook jegens KMG. De taken en bevoegdheden van de deurwaarder zijn beschreven in de Gerechtsdeurwaarderwet. De deurwaarder is een onafhankelijk opererend openbaar ambtenaar en zijn optreden is met voldoende waarborgen omkleed. De in het verlof aangewezen IT specialisten van DigiJuris en de door dit bedrijf ingeschakelde registeraccountant hebben eveneens een geheimhoudingsplicht. In het beslagverlof is vastgelegd dat geen afschriften aan KMG worden verstrekt totdat een vordering daartoe in rechte zal worden toegewezen. Ook is hierin vastgelegd dat KMG en haar vertegenwoordigers niet bij de beslaglegging zijn betrokken, en aan haar alleen een proces-verbaal ter beschikking wordt gesteld waarin de in beslag genomen bescheiden globaal zijn beschreven. De verplichting van Deloitte tenslotte om als derde mee te werken aan beslaglegging gaat boven haar zorgplicht op grond van de WBP.

Ter zitting heeft Deloitte nog aangevoerd dat voormelde waarborgen niet kunnen voorkomen dat vertrouwelijke gegevens die in de macht van de deurwaarder of DigiJuris zijn gebracht kunnen worden gehackt en vervolgens openbaar gemaakt. Dit gevaar bestaat, maar geldt ook voor de vertrouwelijke gegevens die Deloitte zelf onder zich heeft. De stelling van Deloitte ter zitting dat de gegevens onder DigiJuris minder veilig zijn dan bij Deloitte is niet nader onderbouwd, en voorshands niet aannemelijk.

4.8.

Gebruik Relativity

Aannemelijk is dat de deurwaarder meermalen aan Deloitte te kennen heeft gegeven dat DigiJuris over alle middelen beschikt om de op 11 en 13 juni 2017 bijeengebrachte gegevens verdere te selecteren op het kantoor van DigiJuris teneinde Deloitte te ontlasten. Deloitte wilde dat niet en drong aan op gebruik van haar systeem Relativity. Dit blijkt ook uit de door KMG in het geding gebrachte verklaring van de deurwaarder dat pas na aandringen van Deloitte is ingestemd met het gebruik van Relativity omdat Deloitte dit presenteerde als de meest efficiënte en praktische uitvoering van het beslag. Om die reden zijn de gegevens uiteindelijk in dit systeem ingevoerd en doorzoekbaar gemaakt. Dit proces bleek voor Deloitte tijdrovend en zeer kostbaar. Voldoende aannemelijk is dat de deurwaarder niet op de hoogte was van de hoge kosten. In de e-mail van 31 mei 2017 van Deloitte wordt weliswaar gesproken over “hostingkosten” maar er wordt geen bedrag bij vermeld, ook niet bij benadering. Toen KMG en de deurwaarder in augustus 2017 door Deloitte op de hoogte werden gebracht van de kosten, zijn onmiddellijk maatregelen genomen. Uit de verklaring van de deurwaarder blijkt voldoende dat nooit zou zijn ingestemd met gebruik van Relativity als vooraf bekend was geweest welke hoge kosten voor invoering dat zou meebrengen. Aannemelijk is dat als Deloitte niet had aangedrongen op het gebruik van haar systeem, de deurwaarder de op 11 en 13 juni 2017 bijeengebrachte 2,5 terrabyte aan gegevens op een externe harde schijf had kunnen laten kopieren en op haar eigen kantoor verder had kunnen laten onderzoeken. Deloitte had dan geen verdere kosten hoeven maken. Mogelijk heeft het gebrek aan ervaring van Deloitte met dit type bewijsbeslag een rol gespeeld.

De conclusie is voorshands dat de kosten die samenhangen met het gebruik van het digitale systeem Relativity niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten.

4.9.

Deloitte stelt daarnaast hoge kosten voor de inzet van medewerkers te hebben gemaakt om de deurwaarder in staat te stellen de beslagobjecten te identificeren en bijeen te brengen. Dit deel van de vordering van Deloitte betreft concreet de inzet van haar medewerkers tot en met 13 juni 2017. KMG betwist de door Deloitte overgelegde urenregistratie en stelt dat haar inschatting is dat deze kosten beperkt hadden kunnen blijven tot € 25.000,- (punt 48 van haar conclusie van antwoord).

Overwogen wordt als volgt. Gelet op het geen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is opgenomen kunnen de kosten ter identificatie en bijeenbrengen van de beslagobjecten gelet op de omvang en reikwijdte van het beslag in beginsel voor rekening van KMG worden gebracht. De overgelegde kostenspecificatie van Deloitte biedt echter onvoldoende inzicht in de aard van de door de medewerkers in dit kader verrichte werkzaamheden. Daardoor kan thans niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de opgevoerde kosten zien op werkzaamheden die in redelijkheid noodzakelijk waren ter uitvoering van het beslag. Dit kort geding leent zich niet voor een nader onderzoek op dit punt. Nu KMG een bedrag van € 25.000,- erkent, zullen de toewijsbare kosten voorshands op dit bedrag worden vastgesteld.

4.10.

Dat kosten van juridische bijstand noodzakelijk waren wordt eveneens betwist. Voor zover deze kosten zijn gemaakt ter uitvoering van de door Deloitte gestelde geheimhoudings- en zorgplicht komen ze voorshands niet voor vergoeding in aanmerking (zie 4.7). Op zich is voorstelbaar dat kosten van juridische bijstand aan de derde met geheimhoudings- en privacyverplichtingen gelet op de aard en omvang van het beslag voor vergoeding door de beslaglegger in aanmerking komen. In dit kort geding is het inhoudelijke debat daarover echter onvoldoende gevoerd. Concreet inzicht in de aard en omvang van de werkzaamheden en de daarmee samenhangende redelijke kosten ontbreekt. Om die reden zal de vordering op dit onderdeel worden afgewezen.

4.11.

De subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling (tot een bedrag van
€ 500.000,- of tot een in goede justitie te bepalen bedrag) is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering onder d. Deloitte is verplicht haar medewerking aan de uitvoering van het bewijsbeslag te verlenen en het staat haar niet vrij die medewerking op te schorten tot het bedrag van € 25.000,- is voldaan.
4.12. Nu Deloitte op een principieel punt in het gelijk is gesteld, dient KMG te worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van Deloitte. Het griffierecht dat wordt opgenomen in de kostenveroordeling wordt gekoppeld aan het toegewezen bedrag van € 25.000,- en niet aan het gevorderde bedrag van
€ 500.000,-. Dit betekent dat KMG niet wordt veroordeeld het door Deloitte betaalde griffierecht van € 3.894,- te vergoeden, doch het bedrag van € 1.924,- (het griffierecht voor vorderingen onder de € 100.000,-).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt KMG tot betaling aan Deloitte van een voorschot van € 25.000,- op de door Deloitte in het kader van het bewijsbeslag gemaakte kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt KMG in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Deloitte begroot op € 85,21 aan dagvaardingskosten, € 816,- aan salaris advocaat en € 1.924,- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen indien KMG niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis tot betaling overgaat,

5.3.

veroordeelt KMG in de nakosten, aan de zijde van Deloitte begroot op
€ 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis plaatsvindt met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen indien KMG niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis tot betaling overgaat,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: MV coll: