Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7724

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
13/654056-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak brandstichtingen en vernieling. Werkstraf van 100 uur voor een andere vernieling en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654056-17 (Promis)

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres te plaats 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.Y. Ramdhan, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door en namens de benadeelde partij, [persoon 2] , naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 maart 2017 tot en met 26 maart 2017 te [plaats 1] , meermalen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan [adres 1] , door telkens open vuur in aanraking te brengen met alcohol en/of benzine, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de voordeur en/of de brievenbus en/of een onderdorpel/kozijn en/of de deurmat van voornoemde woning, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer belendende woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 maart 2017 tot en met 14 april 2017 te [plaats 1] , meermalen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een of meer woningen gelegen aan [adres te plaats 2] , door telkens open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de centrale toegangsdeur en/of een of meer brievenbussen en/of elektraleidingen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer belendende

woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

en/of

hij op of omstreeks 28 maart 2017 te [plaats 1] , opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een of meer woningen gelegen aan [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met papier, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een brievenbus geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer belendende woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende

perso(o)n(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meer perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

feit 2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2017 tot en met 9 april 2017 te [plaats 1] , telkens opzettelijk en wederrechtelijk de buitenspiegels en/of een of meerdere ruiten/ramen van een auto met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door telkens te stompen/te slaan/te

schoppen en/of een hard voorwerp te gooien, in elk geval kracht uit te oefenen op/tegen voornoemde buitenspiegels en/of ruiten/ramen;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 maart 2017 tot en met 28 maart 2017 te [plaats 1] , telkens opzettelijk en wederrechtelijk de ruit/raam van een voordeur en/of een raam van een woning en/of de raam/ruit van een auto met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door telkens te stompen/te slaan/te schoppen en/of een steen, in elk geval een hard voorwerp te gooien, in elk geval kracht uit te oefenen op/tegen voornoemde ruiten/ramen;

feit 3

hij op of omstreeks 16 april 2017 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk via de telefoon tegen de moeder van de dochter van voornoemde [persoon 1] , te weten [persoon 3] , dreigend de woorden toegevoegd: ‘Ik zou snel weggaan’ en/of ‘Haal die kleine weg’ en/of ‘Die kleine hoeft er niet bij te zijn’ en/of ‘Ik zit in de auto. Ik ga iemand dood maken’, althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of

strekking en/of waarna hij, verdachte, naar de woning van voornoemde [persoon 1] is gereden en/of meermalen door de straat waar voornoemde [persoon 1] woont is gereden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en van de onder feit 2 tenlastegelegde vernieling van de auto van [persoon 1] op 9 april 2017 en ruit van de voordeur van [persoon 2] op 25 maart 2017, nu er voor deze feiten onvoldoende bewijs is. De overige onder feit 2 ten laste gelegde vernielingen kunnen, net als feit 3, worden bewezen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte dient van de feiten te worden vrijgesproken, met uitzondering van de vernieling van de auto van [persoon 1] op 6 februari 2017. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte de brandstichtingen heeft gepleegd en dat hij de auto van [persoon 1] op 9 april 2017 heeft vernield. Wat betreft de verdenking van de vernielingen aan de auto en ramen van [persoon 2] is de herkenning door [persoon 4] , dochter van [persoon 2] , onbetrouwbaar. Deze kan niet voor het bewijs worden gebruikt. Daarnaast is er onvoldoende bewijs dat verdachte de vernielingen heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 3, in het bijzonder de opmerking ‘ik ga iemand doodmaken’, geldt dat verdachte dat niet heeft gezegd tegen [persoon 3] , maar tegen een vriend, in een ander telefoongesprek. Daarmee heeft verdachte niet de opzet gehad om vrees bij [persoon 1] op te wekken, zodat hij van de bedreiging moet worden vrijgesproken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde brandstichtingen heeft gepleegd. Hij zal daarom van feit 1 worden vrijgesproken.

4.3.2.

Gedeeltelijke vrijspraken van het onder 2 ten laste gelegde

Vernieling auto [persoon 1] op 9 april 2017 en ruit voordeur [persoon 2] op 25 maart 2017

De rechtbank is, evenals de verdediging en de officier van justitie, van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van de auto van [persoon 1] op 9 april 2017 en de ruit van de voordeur van [persoon 2] op 25 maart 2017. De rechtbank zal verdachte daarom van deze feiten vrijspreken.

Vernieling auto [persoon 2] op 28 maart 2017

[persoon 2] heeft aangifte gedaan van vernieling van een ruit van zijn woning en van een ruit van zijn auto. Op 28 maart 2017 hoorde aangever een harde klap aan de achterzijde van de woning. Hij is vervolgens achter een wegrennende man aangerend, waarbij hij zelf de man niet heeft herkend maar vermoedt dat het verdachte is. Hierna is [persoon 2] bij zijn auto gaan kijken en zag dat een ruit ingeslagen was. Dat was nog niet zo toen de auto door de vrouw van [persoon 2] ongeveer een kwartier daarvoor geparkeerd werd. In of rondom de auto zag aangever geen voorwerp waarmee de autoruit ingegooid kon zijn. Hierna zag [persoon 2] dat er een steen lag op het dak van de woning op de eerste verdieping voor het raam van de uitbouw. [persoon 2] vermoedt dat deze steen tegen de ruit is gegooid omdat er een kleine put in de ruit zit. Hij vermoedt tevens dat met deze steen ook de autoruit is ingegooid. Hoewel de auto in een tijdsbestek van ongeveer een kwartier moet zijn vernield, staat niet vast dat de autoruit is ingeslagen met dezelfde steen die even later op het dak van de woning op de eerste verdieping is aangetroffen. Hoewel de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen bewezen acht dat het de verdachte is geweest die wegrende, is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet komen vast te staan dat het verdachte is geweest die de auto van [persoon 2] heeft vernield. De vermoedens van [persoon 2] op dit punt vinden geen bevestiging in het dossier. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de vernieling van de auto van [persoon 2] gepleegd op 28 maart 2017.

4.3.3.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 2 - Vernieling raam [persoon 2] op 28 maart 2017

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017064651-1 van 28 maart 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (dossierpagina’s 17 – 19).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [persoon 2] , zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van vernieling van de ruit van mijn woning. (…) Op 28 maart 2017 hoorde ik ineens een harde klap aan de achterzijde van onze woning in [plaats 1] . Mijn dochter slaapt aan de achterzijde van de woning op de eerste etage in de kamer waarbij een uitbouw is gemaakt. Tegen dit raam is ook de steen aan gegooid. [persoon 4] is ook gelijk gaan kijken en ik hoorde mijn dochter [persoon 4] roepen: ‘Hij is het!’ Ik weet dat ze hiermee [verdachte] bedoelt. (…) Ik zag dat er een steen lag op het dak van de woning op de eerste verdieping voor het raam van de uitbouw waar een voorwerp tegen aan gegooid is. Deze steen lag hier niet voordat er iets tegen de ruit werd gegooid. Er zit nu een kleine put in de ruit.

2. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1300-2017064651-2 van 28 maart 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (dossierpagina’s 27 – 30).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [persoon 4] , zakelijk weergegeven:

[verdachte] is mijn ex-vriend. (…) Vannacht lag ik in de woning in mijn slaapkamer te slapen. Mijn slaapkamer bevindt zich aan de achterzijde van de woning. Ik werd ineens wakker van een harde knal. Ik kon direct binnen enkele seconden mijn hoofd door het raam steken en zien waar de knal vandaan kwam. Ik zag daar een persoon welke ik kan omschrijven als: jongen, 25 – 35 jaar oud, lang slungelig postuur, blank, witte joggingbroek, grijze tui van het merk Jack&Jones met capuchon, er stond in het donker grijs een tekst op de voorzijde van de trui, donkere sportschoenen en kort donkerbruin haar. Ik zag dat deze persoon over een heg sprong. Ik herkende deze jongen als mijn ex [verdachte] . Ik herkende hem aan zijn lengte, zijn slungelige postuur, de manier van rennen en springen, zijn huidskleur en haar kleur. De kleding die hij droeg herkende ik omdat hij een grijze trui heeft met daarop een tekst van donkergrijze letters. Ik weet zeker dat dit [verdachte] was.

Ten aanzien van feit 2 – Vernieling auto [persoon 1] op 6 februari 2017

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dit feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

  1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 oktober 2017;

  2. een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] met nummer PL1300-2017027072-1 van 28 maart 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] (dossierpagina’s 37 – 39).

Ten aanzien van feit 3 - Bedreiging [persoon 1]

1 De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 oktober 2017.

Deze verklaring houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik heb inderdaad dat telefoongesprek gevoerd met [persoon 3] op 16 april 2017. Met ‘vader’ bedoel ik [persoon 1] . Ik wilde verhaal bij hem halen. Het kind was bij haar vader toen. Ik zei: ‘ik zou maar snel weggaan’ omdat ik verhaal wilde halen. Daar moest die kleine niet bij zijn. Het andere gesprek was met een tweede telefoon. U houdt mij voor dat kort daarna een Volkswagen Golf parkeert voor [adres te plaats 2] . Dat was ik.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2017080308 van 17 april 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5] (dossierpagina’s 56 – 58).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [persoon 3] , zakelijk weergegeven:

Ik werd gebeld. Ik hoorde dat [verdachte] aan de lijn was. Ik had een app gedownload waardoor het gesprek werd opgenomen en waarbij hij bedreigde iemand te gaan vermoorden. [persoon 1] is een ex van mij. Wij hebben een kind samen.

3. Een proces-verbaal met nummer 2017063386 van 16 april 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 6] en [opsporingsambtenaar 7] (dossierpagina’s 59 en 60).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 16 april 2017 ontvingen wij een telefoongesprek van [persoon 3] . Hierin vertelde zij dat haar ex-vriend [verdachte] onderweg zou zijn naar de [adres 3] om aldaar [persoon 1] dood te maken. Wij zijn afgereisd naar de [adres 3] . Omstreeks 14.50 uur zagen wij een zwarte Volkswagen de straat inrijden die parkeerde schuin tegenover [adres te plaats 2] . Wij zagen dat er een man in de auto zat. Omstreeks 14.54 uur zagen wij dat de Volkswagen Golf uit het parkeervak reed en met hoge snelheid ons passeerde. Na een minuut zagen wij dat deze Golf wederom langs onze auto reed in onbekende richting.

4. Een proces-verbaal geluidsopname, met nummer 2017080308 van 18 april 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4] (dossierpagina’s 61 en 62).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Geluidsopname, gesprek van 16 april 2017 tussen [verdachte] en [persoon 3] .

(…)

[verdachte] : Ga je die kleine halen?

[persoon 3] : Ja

[verdachte] : Oke, ik zou snel weggaan. Maak je niet druk.

[persoon 3] : Wat dan?

[verdachte] : ik zou snel weggaan. Heel snel.

(…)

[verdachte] : Haal die kleine weg.

(…)

[verdachte] : Die kleine hoeft er niet bij te zijn.

(…)

Noot verbalisant: Ik hoor dat [verdachte] een tweede gesprek start via schijnbaar een tweede telefoon.

(…)

[verdachte] : Ik zit in de auto. Ik ga iemand dood maken.

Noot verbalisant: Ik hoor dat het gesprek nu verder gaat met [persoon 3] .

[verdachte] : Maak je niet druk, maar zorg dat die kleine niet meer bij haar vader komt.

5. Een proces-verbaal van verhoor van 18 april 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S. van der Meer (dossierpagina’s 63 - 65).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [persoon 1] , zakelijk weergegeven:

Op 16 april 2017 was [persoon 3] bij mij thuis om haar was te doen. [verdachte] belde met [persoon 3] en vertelde haar dat zij haar kind niet meer bij mij in de woning moest laten want dat was gevaarlijk. [verdachte] vertelde [persoon 3] dat hij mij ging vermoorden. Ik voel mij zeer ernstig bedreigd.

4.3.4. Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 2 – Vernieling raam [persoon 2] op 28 maart 2017

Op 28 maart 2017 wordt [persoon 4] wakker van een harde knal. Ze kijkt vrijwel direct door het raam en ziet een persoon over een heg springen. Zij herkent deze persoon als [verdachte] , haar ex-vriend. De raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning door [persoon 4] onbetrouwbaar is. Zo heeft [persoon 4] aangegeven dat de persoon die zij zag donkerbruin haar had, terwijl verdachte zwart haar heeft. De rechtbank acht de herkenning door [persoon 4] echter wel betrouwbaar. Zij heeft zo’n twee jaar een relatie met verdachte gehad en kan hem dus duidelijk herkennen. Daarnaast omschrijft zij gedetailleerd waaraan zij verdachte herkent. Het verschil tussen de haarkleuren donkerbruin en zwart is zo klein, dat dit de betrouwbaarheid van [persoon 4] verklaring niet anders maakt. De rechtbank gaat er dus vanuit dat [persoon 4] verdachte heeft gezien, vrijwel direct na de knal.

De volgende vraag is of verdachte ook degene is geweest die het raam heeft beschadigd. De rechtbank stelt vast dat er een heel korte tijd zit tussen het moment van de knal en het moment waarop [persoon 4] verdachte over een heg ziet springen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het verdachte is geweest die de steen tegen het raam van de woning van [persoon 2] heeft gegooid. Het raam is hierdoor beschadigd.

Ten aanzien van feit 3 – Bedreiging [persoon 1]

Op 16 april 2017 voert verdachte een telefoongesprek met [persoon 3] . In dit gesprek zegt hij onder meer: ‘Ik zou snel weggaan’ en ‘Haal die kleine weg’ en ‘Die kleine hoeft er niet bij te zijn’. Met een tweede telefoon voert hij gelijktijdig een ander gesprek, waarin hij zegt: ‘Ik zit in de auto. Ik ga iemand dood maken’. Verdachte heeft verklaard dat hij met ‘iemand’ niet [persoon 1] bedoelt, maar degene die bij hem aan de deur was geweest. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig. Uit de verdere inhoud van het gesprek blijkt dat verdachte het over [persoon 1] heeft. Ook blijkt dat hij boos is op [persoon 1] . Daar komt bij dat hij, na afloop van het gesprek, naar de woning van [persoon 1] rijdt en hier een aantal minuten geparkeerd blijft staan.

De volgende vraag is of bewezen kan worden dat verdachte de woorden: ‘Ik zit in de auto. Ik ga iemand doodmaken’ tegen [persoon 3] heeft gezegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Verdachte was eerst met [persoon 3] in gesprek en heeft tijdens dit gesprek via een andere telefoon nog een kort gesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek is de telefoonverbinding met [persoon 3] niet verbroken. Verdachte heeft als het ware één gesprek gevoerd, met zowel [persoon 3] als de andere persoon. Uit de inhoud van het door [persoon 3] opgenomen gesprek blijkt ook dat [persoon 3] ingaat op de opmerking ‘ik ga iemand dood maken’. Uit het voorgaande volgt dat kan worden bewezen dat verdachte met die opmerking zich ook gericht heeft tegen [persoon 3] .

De rechtbank overweegt ten slotte dat verdachte opzet heeft gehad om [persoon 1] vrees aan te jagen. Hij had kunnen weten dat [persoon 3] aan [persoon 1] zou laten weten dat hij had gezegd [persoon 1] te gaan doodmaken. De bedreiging is zodanig dat deze in het algemeen vrees kan aanjagen. Uit de verklaring van [persoon 1] blijkt dat hij zich daadwerkelijk bedreigd voelde.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [persoon 1] heeft bedreigd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 2

op 6 februari 2017 te [plaats 1] opzettelijk en wederrechtelijk de buitenspiegels en ramen van een auto met kenteken [kenteken 1] , toebehorende aan [persoon 1] , heeft vernield door kracht uit te oefenen tegen voornoemde buitenspiegels en ramen;

en

op 28 maart 2017 te [plaats 1] opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een woning, toebehorende aan [persoon 2] , heeft beschadigd door een steen te gooien tegen voornoemd raam;

feit 3

op 16 april 2017 te [plaats 1] [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk via de telefoon tegen de moeder van de dochter van voornoemde [persoon 1] , te weten [persoon 3] , dreigend de woorden toegevoegd: ‘Ik zou snel weggaan’ en ‘Haal die kleine weg’ en ‘Die kleine hoeft er niet bij te zijn’ en ‘Ik zit in de auto. Ik ga iemand dood maken’, waarna hij, verdachte, naar de woning van voornoemde [persoon 1] is gereden.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden een meldplicht, behandelverplichting, contactverbod en locatieverbod te worden opgelegd. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 150 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke straf dan wel een straf gelijk aan de duur van het voorarrest dient te worden opgelegd. Hij heeft hiertoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, namelijk dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, een baan heeft en zich vrijwillig heeft gemeld bij de Waag.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zich jegens [persoon 1] schuldig gemaakt aan een bedreiging en vernieling van zijn auto. Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting blijkt dat er spanningen zijn tussen verdachte en [persoon 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [persoon 1] zijn auto had vernield. Dat was voor hem de reden om de auto van [persoon 1] te vernielen. Daarnaast was verdachte boos op [persoon 1] , omdat er mensen bij hem aan de deur waren geweest. Verdachte dacht dat zij namens [persoon 1] kwamen. Het voorgaande is echter geen rechtvaardiging voor de gepleegde vernieling en bedreiging. [persoon 1] was genoodzaakt om de schade aan zijn auto te laten repareren. Ook heeft hij zich angstig gevoeld als gevolg van de bedreiging.

Daarnaast heeft verdachte – midden in de nacht - een raam van de woning van [persoon 2] beschadigd, door hier een steen tegen aan te gooien. Behalve schade heeft dit incident bij de familie [persoon 2] schrik veroorzaakt.

Voor het plegen van deze strafbare feiten verdient verdachte straf. Enerzijds houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte. Anderzijds is het zo dat verdachte zijn leven redelijk goed op orde heeft: hij heeft een baan, hij is vrijwillig in behandeling gegaan bij De Waag en hij houdt zich aan de voorwaarden die aan hem zijn opgelegd in verband met de schorsing van de voorlopige hechtenis. In beginsel vindt de rechtbank een taakstraf van 120 uur een passende straf. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf ook rekening met de omstandigheid dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Dit is voor de rechtbank aanleiding om aan verdachte een taakstraf van 100 uur op te leggen.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat zij, net als de officier van justitie, het nut en de noodzaak van een behandeling (in het kader van bijzondere voorwaarden) inziet. De rechtbank zal echter geen voorwaardelijke straf - en dus ook geen behandelverplichting als bijzondere voorwaarde - aan verdachte opleggen. Gelet op de vrijspraken zou de gehele straf in dat geval niet meer in verhouding staan tot (de ernst van) de bewezenverklaarde feiten.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1.

Benadeelde partij [persoon 2]

De benadeelde partij, [persoon 2] , vordert € 746,07 aan materiële schadevergoeding en € 1.400,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de vordering ten aanzien van de materiële schadevergoeding ziet op schade die is ontstaan door de brandstichtingen, de vernieling van het raam op 25 maart 2017 en de vernieling van de auto. Nu verdachte van deze feiten wordt vrijgesproken, wordt de benadeelde partij ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet ontvankelijk verklaard.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde voor schadevergoeding in aanmerking als er sprake is van lichamelijk letsel, hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Nu er bij [persoon 2] geen sprake is van lichamelijk letsel en hij ook niet in zijn eer of goede naam is aangetast, is het de vraag of hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 21 februari 1997, NJ 1999, 145) moet er daarvoor sprake zijn van geestelijk letsel. Een enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is onvoldoende. De benadeelde zal ‘voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld’ (Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606, NJ 2005, 168).

De rechtbank is van oordeel dat [persoon 2] niet voldoende heeft onderbouwd dat er psychische schade bij hem is ontstaan als gevolg van het bewezen verklaarde feit, te weten de beschadiging van een raam van zijn woning. Er is ook geen sprake van de uitzondering dat het strafbare feiten betreft waarbij sprake is van een bijzonder ernstige normschending en gevolgen voor het slachtoffer, zoals bijvoorbeeld verkrachting. [persoon 2] zal dan ook in zijn vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie

De benadeelde partij, [persoon 2] , wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

9.2.

Benadeelde partij [persoon 1]

De benadeelde partij, [persoon 1] , vordert € 1.499,95 aan materiële schadevergoeding en € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de vernieling van zijn auto op 6 februari 2017 schade is toegebracht. De vordering is niet betwist voor wat betreft de post ‘autoramen’. Deze post betreft een bedrag van € 1.843,70. Hiervan is een bedrag van € 1.393,75 door de verzekering vergoed, zodat een bedrag van € 449,95 overblijft. De vordering zal in zoverre worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Ten aanzien van de posten ‘noodraam’ en ‘kras in lak’ (samen € 1.050,00) stelt de rechtbank vast dat deze niet zijn onderbouwd. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij wordt ten aanzien van deze posten niet-ontvankelijk verklaard. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW komt een benadeelde voor schadevergoeding in aanmerking indien er sprake is van lichamelijk letsel, hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Nu er bij [persoon 1] geen sprake is van lichamelijk letsel en hij ook niet in zijn eer of goede naam is aangetast, is het de vraag of hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 21 februari 1997, NJ 1999, 145) moet er daarvoor sprake zijn van geestelijk letsel. Een enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is onvoldoende. De benadeelde zal ‘voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld’ (Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606, NJ 2005, 168).

De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] niet voldoende heeft onderbouwd dat er psychische schade bij hem is ontstaan. Er is ook geen sprake van strafbare feiten waarbij sprake is van een bijzonder ernstige normschending en gevolgen voor het slachtoffer, zoals bijvoorbeeld verkrachting. [persoon 1] zal dan ook in zijn vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens benadeelde partij, [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 449,95 (zegge: vierhonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij, [persoon 1] , wordt voor een bedrag van € 449,95 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarbij wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Dit betekent dat [persoon 1] niet zelf het geld bij verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Voor het overige wordt [persoon 1] niet- ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen’

en

‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen’;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van HONDERD (100) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van vijftig (50) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee (2) uren per dag.

Verklaart de benadeelde partij, [persoon 2] , niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van [persoon 1] , wonende te [plaats 1] , toe tot een bedrag van € 449,95 (zegge: vierhonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig eurocent ), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [persoon 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van benadeelde partij [persoon 1] , € 449,95 (zegge: vierhonderdnegenenveertig euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van acht (8) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 oktober 2017.