Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:77

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak na tussenuitspraak / beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk / beroep tegen bestreden besluit II ongegrond / geen sprake van gelijke gevallen / semi-stadsvernieuwingsurgentie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.J.J. Hendrikse),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., opvolger van Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder

(gemachtigde: mr. O. Emerenciana).

Procesverloop

Bij de verantwoordingsbeschikking van 19 januari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres, voor wat betreft de besteding van het persoonsgebonden budget (pgb) over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014, een nulverantwoording heeft gedaan.

Bij de beschikking subsidievaststelling pgb van 18 februari 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de hoogte van het pgb over het jaar 2014 vastgesteld op € 0,-- en een bedrag van € 7.044,-- aan niet verantwoorde pgb van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 10 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres is geboren op [geboortedatum] en ontving in verband met haar beperking (ADHD) een pgb op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functies begeleiding groep met vervoer (klasse 2) en begeleiding individueel (klasse 1).

1.2

Aan eiseres is een toekenningsbeschikking voor het kalanderjaar 2014 verzonden, waarin voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 haar een netto pgb is toegekend van € 7.044,--. Verweerder heeft dit bedrag middels voorschotten op 6 januari 2014, 27 maart 2014, 26 juni 2014 en op 24 september 2014 aan eiseres overgemaakt. Eiseres heeft enkele dagen later de bedragen nagenoeg gelijk teruggestort aan verweerder.

1.3

Verweerder heeft eiseres verzocht middels de verantwoordingsformulieren verantwoording af te leggen van de besteding van het pgb over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 en over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014. Op het verantwoordingsformulier voor wat betreft de eerstgenoemde periode heeft eiseres op 22 september 2014 ingevuld geen zorg te hebben ingekocht. In het tweede verantwoordingsformulier aangaande de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 heeft eiseres op 21 december 2014 aangegeven de ontvangen bedragen op de door haar vermelde data te hebben teruggestort en heeft verweerder verzocht dit goed in de administratie op te zoeken en haar met rust te laten.

1.4

Bij het primaire besluit I heeft verweerder ten aanzien van de periode 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 vastgesteld dat eiseres een nulverantwoording heeft gedaan. Dit brengt blijkens de verklaring van de codes mee dat als er geen verantwoording wordt afgelegd over de zorg die wordt ingekocht, dit betekent dat het budget moet worden terugbetaald aan het zorgkantoor. In het primaire besluit II heeft verweerder over het jaar 2014 een bedrag van in totaal € 7.044,-- aan niet verantwoorde pgb van eiseres teruggevorderd.

1.5

Tegen deze primaire besluiten heeft eiseres afzonderlijk bezwaar gemaakt en aangevoerd dat eiseres de over het jaar 2014 ontvangen pgb gelden steeds heeft teruggestort en mitsdien hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder bevestigt betalingen van eiseres te hebben ontvangen, maar bij de overmakingen stond niet vermeld waarvoor het was bedoeld. Omdat er vorderingen openstonden in verband met het pgb van de jaren 2012 en 2013, heeft verweerder de ontvangen bedragen tegen de openstaande vorderingen weggeschreven. Verweerder heeft weliswaar in het dossier een vermelding aangetroffen dat eiseres op 22 april 2013 telefonisch heeft aangegeven het pgb te willen stoppen, maar aan eiseres is verteld dat dit alleen schriftelijk kan. Omdat eiseres niet kan onderbouwen dat het pgb over het jaar 2014 is besteed aan AWBZ-zorg, is het pgb volgens verweerder terecht vastgesteld op € 0,-- en bestaat er geen aanleiding gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om van de terugvordering van € 7.044,-- af te zien.

2. Eiseres heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld. Op de beroepsgronden zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres de door verweerder overgemaakte voorschotten voor wat het pgb over het jaar 2014 niet heeft aangewend om zorg in te kopen. Eiseres heeft telkens, enkele dagen na ontvangst van een voorschot, nagenoeg het zelfde bedrag teruggestort, zonder duidelijk omschrijving. Blijkens het verweerschrift heeft eiseres een bedrag van in totaal € 7.037,84 overgemaakt naar verweerder. De rechtbank constateert dat verweerder, zonder bij eiseres te informeren waar deze stortingen voor waren bedoeld, steeds de stortingen tegen de openstaande vorderingen in verband met het pgb over het jaar 2012 en 2013 heeft weggeschreven. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op de feitelijke gang van zaken zoals vermeld onder rechtsoverweging 1, waaruit blijkt dat eiseres het in het geding zijnde pgb niet op prijs stelt, het op de weg van verweerder had gelegen om bij eiseres te informeren naar de bedoeling van deze overmakingen. Dat heeft verweerder nagelaten en heeft bij brieven van 15 juni 2014 en 8 december 2014 eiseres verzocht middels het verantwoordingsformulier verantwoording af te leggen van de besteding van het pgb over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 respectievelijk 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014. Eiseres heeft in deze verantwoordingsformulieren aangegeven geen zorg te hebben ingekocht en de ontvangen voorschotten reeds te hebben teruggestort onder vermelding van data en de bedragen. Desalniettemin heeft verweerder bij de primaire besluiten, gehandhaafd bij het bestreden besluit, vastgesteld dat eiseres het pgb over het jaar 2014 niet heeft verantwoord. Verweerder heeft daarom het pgb vastgesteld op € 0,-- en heeft een bedrag van € 7.044,-- aan niet verantwoorde bedrag van eiseres teruggevorderd. De rechtbank acht dit onder deze omstandigheden in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onderkent weliswaar dat eiseres verweerder niet bij aparte brief heeft geïnformeerd dat ze afziet van het pgb over de periode in geding, maar dat neemt niet weg dat verweerder in elk geval ten tijde van het bestreden besluit, voldoende signalen van eiseres had gekregen waar uit blijkt dat zij geen pgb wilde.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit I geheel en primaire besluit II te herroepen voor wat betreft de terugvordering. Omdat de subsidie pgb over het gehele jaar 2014 € 0,-- bedraagt stelt de rechtbank vast dat eiseres nog een bedrag aan verweerder dient terug te betalen van € 6,16 wegens onverschuldigde betaling. Dit bedrag is het verschil tussen de voorschotten die eiseres heeft ontvangen (€ 7.044,--) minus de door haar teruggestorte bedragen van in totaal € 7.037,84. De rechtbank zal daarom bepalen dat de terugvordering € 6,16 bedraagt. De rechtbank bepaalt voorts dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5. Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank op dat deze uitspraak mee kan brengen dat de vorderingen over 2012 en 2013 weer openvallen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit I en herroept het primaire besluit II voor zover de terugvordering betreft, stelt de terugvordering vast op € 6,16 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,--

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.