Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7691

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
AMS 16/6007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het enkel verstrekken van studiefinanciering aan personen jonger dan 30 jaar is geen leeftijdsdiscriminatie. Een 40-jarige Nederlander had de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gevraagd om hem studiefinanciering toe te kennen, maar de minister had dit vanwege de leeftijd van de man geweigerd (zie nieuwsbrief 35). Terecht dus, volgens de rechtbank. Er bestaat namelijk een objectieve rechtvaardiging voor de gehanteerde leeftijdsgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6007

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. B.C. Rots).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om studiefinanciering afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft een aanvang genomen op 3 januari 2017. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen het griffierecht te betalen en eiser in de gelegenheid te stellen ervoor zorg te dragen dat hij bij de inhoudelijke behandeling van het beroep wordt ondersteund door een tolk, of door iemand die capabel is om de voertaal ter zitting, het Nederlands, voor eiser te vertalen in het Engels.

Op 12 januari 2017 heeft de rechtbank eiser bericht dat het beroep door een meervoudige kamer zal worden behandeld.

Verweerder heeft bij brief van 17 januari 2017 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 30 januari 2017 de rechtbank verzocht om te bepalen dat verweerder de stukken in de Engelse taal aan de rechtbank aanlevert, danwel voorziet van een Engelse vertaling.

Bij brief van 17 maart 2017 heeft de rechtbank eiser bericht dat zij niet aan dat verzoek zal voldoen en dat eiser zelf zorg dient te dragen voor vertaling van de processtukken. De rechtbank heeft eiser er verder op gewezen dat in de Nederlandse rechtspraak Nederlands de voertaal is en dat eiser de mogelijkheid heeft zelf een tolk mee te nemen naar de zitting.

Bij brief van 30 maart 2017 heeft eiser op de brief van de rechtbank gereageerd en de rechtbank gevraagd om verdere correspondentie en communicatie in het Engels te laten plaatsvinden, aangezien het Engels zijn moedertaal is en om die reden een uitzondering gemaakt kan worden.

Bij brief van 28 juli 2017 heeft de rechtbank eiser bericht dat zij blijft bij haar beslissing, zoals weergegeven in de brief van 17 maart 2017, tot afwijzing van het verzoek van eiser om de procedure in het Engels te (laten) voeren.

Het onderzoek ter zitting is door de meervoudige kamer van de rechtbank hervat op 8 september 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank merkt ter volledigheid ten eerste het volgende op. Eiser heeft zich ter zitting niet laten bijstaan door een tolk of andere persoon, capabel om het Nederlands ter zitting voor eiser te vertalen in het Engels. De rechtbank heeft ter zitting meegedeeld dat zij geen aanleiding ziet om terug te komen op de besluiten van de rechtbank, zoals weergegeven in de brieven van 17 maart en 28 juli 2017, tot afwijzing van het verzoek van eiser om de procedure in het Engels te voeren. De rechtbank schaart zich achter deze besluiten en heeft de genoemde brieven voor de volledigheid gehecht aan deze uitspraak.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1975 en van Nederlandse nationaliteit, heeft op 2 februari 2016 een aanvraag om studiefinanciering (bestaande uit een lening, aanvullende beurs, studentenreisproduct en collegegeldkrediet) ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Standpunt van verweerder in het bestreden besluit

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Voorwaarde voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering is dat de studerende de achttienjarige leeftijd maar nog niet de dertigjarige leeftijd heeft. Eiser was op het moment van de aanvraag ouder dan dertig jaar. Het beroep van eiser op het non-discriminatiebeginsel uit artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft verweerder niet gehonoreerd, omdat het recht op studiefinanciering niet tot een van de rechten behoort die door dit verdrag moeten worden gewaarborgd.

Standpunt van eiser

4. Eiser heeft in beroep – samengevat – aangevoerd dat de afwijzing van zijn aanvraag vanwege zijn leeftijd verboden leeftijdsdiscriminatie is en dat de afwijzing ook een inmenging in zijn privéleven oplevert.

Oordeel rechtbank

5. De rechtbank stelt ten eerste vast dat op grond van artikel 2.3, derde lid, van de Wet studiefinanciering (Wsf) 2000 een studerende slechts in aanmerking kan komen voor studiefinanciering tot en met de maand waarin hij 30 jaar is geworden. Dit betekent dat eiser, die ten tijde van de aanvraag 40 jaar oud was, volgens de Nederlandse wet niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, waaronder ook het OV-reisrecht valt.

6.1

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in zijn verweerschrift van 24 oktober 2016 heeft erkend dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft zijn motivering in het verweerschrift als volgt gewijzigd.

Verweerder komt terug op zijn standpunt dat het recht op studiefinanciering niet tot een van de rechten zou behoren die door het EVRM moeten worden gewaarborgd. Het EVRM verbiedt echter niet om gelijke gevallen verschillend te behandelen, wanneer daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Dat is volgens verweerder hier het geval. Leeftijd is een objectief criterium en door het opnemen van een leeftijdsgrond in de Wsf 2000 kan de studiefinanciering, gelet op de beschikbare middelen, op een aanvaardbaar niveau worden gehouden. Het stelsel van studiefinanciering is verder een stelsel dat is bedoeld om jonge mensen in staat te stellen een initiële opleiding te voltooien. Boven de 30 jaar is er sprake van individuele verantwoordelijkheid. Ter motivering van dit gewijzigde standpunt heeft verweerder in het aanvullend verweerschrift van 17 januari 2017 nog verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van zowel de Wsf 2000 als de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, en naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), van het College voor de Rechten van de Mens en van de Centrale Raad van Beroep. Tot slot heeft verweerder ter zitting gewezen op een recente uitspraak van de Hoge Raad over leeftijdsonderscheid in belastingwetgeving.

6.2

De rechtbank overweegt dat, zoals door verweerder is erkend, het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank zal hierna echter onderzoeken of, gelet op de gewijzigde motivering van verweerder, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit desondanks in stand kunnen blijven. Als de rechtbank vindt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, betekent dat dat eisers aanvraag om studiefinanciering afgewezen blijft op grond van verweerders nieuwe motivering.

Discriminatieverbod

7.1

Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat verweerder de aanvraag niet had mogen afwijzen op grond van eisers leeftijd, omdat dit discriminatie oplevert waarvoor geen rechtvaardiging is. Dit is in strijd met verschillende Europese verdragen, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Eiser heeft verwezen naar verschillende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Het recht op toegang tot onderwijs met steun van de overheid, waar elke burger volgens eiser recht op heeft, wordt eiser hiermee ontzegd. Bovendien wordt eiser ook het recht op een

OV-reisproduct onthouden en is het voor hem als voltijdstudent niet mogelijk om enige ondersteuning te krijgen via gemeentelijke sociale diensten. Dit laatste is volgens eiser een schending van artikel 34 van het Handvest, waarin het recht op sociale voorzieningen wordt gewaarborgd. Het uitsluiten van het recht op studiefinanciering van een persoon ouder dan dertig jaar om fiscale redenen kan voorts niet als rechtvaardiging gelden indien dit resulteert in discriminatie. De wijziging van het stelsel van studiefinanciering vanaf 1 januari 2015, waarbij de studiefinanciering niet meer als gift wordt verstrekt maar als lening, vereist bovendien ook een wijziging van het beleid. De criteria voor een dergelijke lening zijn echter niet veranderd, waardoor eiser als voltijdstudent – in strijd met het discriminatieverbod – ook geen recht heeft op deze lening.

7.2

De rechtbank overweegt ten eerste dat studiefinanciering binnen het toepassingsbereik valt van de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waarin staat dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd. Daarom is ook een beroep op artikel 14 van het EVRM mogelijk, dat discriminatie verbiedt ten aanzien van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.1 Een verschil in behandeling is echter pas discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is. Er is sprake van een objectieve rechtvaardiging als met het onderscheid een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en de gehanteerde middelen in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM hebben de staten die partij zijn bij het EVRM een ruime beoordelingsvrijheid als het gaat om de implementatie van maatregelen op sociaal en economisch gebied. Dat brengt mee dat de rechter de beoordeling of artikel 14 van het EVRM wordt geschonden terughoudend moet toetsen, tenzij het onderscheid raakt aan de expliciet in artikel 14 van het EVRM genoemde gronden (zoals geslacht of ras) of aan de door het EHRM als verdacht aangemerkte criteria. De rechtbank overweegt dat het onderscheid naar leeftijd noch in artikel 14 van het EVRM noch in de jurisprudentie van het EHRM als een verdacht onderscheid wordt genoemd. Dat betekent dat de rechtbank terughoudend moet toetsen of de wetgever in dit geval de grenzen van zijn ruime beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan door de invoering van de leeftijdsgrens van dertig jaar. De rechtbank doorbreekt de door de (formele) wetgever gemaakte keuzes in dat geval alleen als geoordeeld moet worden dat van redelijke en objectieve gronden geen sprake is.2

7.3

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling van studenten die de leeftijd tussen 18 en 30 jaar hebben en studenten die ouder zijn dan 30 jaar. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wsf 2000 blijkt dat de wetgever met de leeftijdsgrens heeft willen uitdrukken dat het stelsel van studiefinanciering een jeugdstelsel is; een stelsel dat jonge mensen in staat moet stellen om een initiële opleiding te voltooien. Boven de dertig jaar is er volgens de wetgever sprake van een individuele verantwoordelijkheid en dient de student de studie zelf te bekostigen. Boven die leeftijd zijn er volgens de wetgever in principe andere mogelijkheden om in het levensonderhoud en studiekosten te voorzien, zoals sociale zekerheid en fiscale voorzieningen.3 De wetgever heeft dus met name beoogd dat jonge mensen tot dertig jaar niet worden belemmerd om een opleiding te volgen. De rechtbank is van oordeel dat dit een gerechtvaardigde doelstelling is. Daarnaast staan de gehanteerde middelen naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke proportionaliteitsrelatie tot dit doel. De wetgever heeft daarbij meegewogen dat er voor studenten boven de dertig jaar in principe andere mogelijkheden zijn om in het levensonderhoud en studiekosten te voorzien. De rechtbank acht het niet evident onredelijk om van studenten vanaf 30 jaar te verwachten dat zij individueel verantwoordelijk zijn voor het bekostigen van hun studie, nu personen vanaf de leeftijd van 30 jaar in beginsel ook verkeren in een fase waarin zij meer zelfstandig zijn. Zij hebben doorgaans al de gelegenheid gehad om een opleiding te volgen en een beroepsactiviteit uit te oefenen, waardoor zij in een financieel betere positie verkeren dan schoolverlaters. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 20174, waarin een oordeel is gegeven over een bepaling in de Wet inkomstenbelasting 2001 over de aftrek van scholingsuitgaven, met dezelfde leeftijdsgrens, welke bepaling samenhangt met de totstandkoming van de Wsf 2000. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het onderscheid naar leeftijd in dit geval niet berust op een evident onredelijke grond. De wetgever is binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid gebleven. Dat eiser niet eerder onderwijs in Nederland heeft genoten en de Nederlandse staat daar dus nooit eerder mee heeft belast, zoals hij aanvoert, doet aan het voorgaande niet af. Dit geldt ook voor de stelling dat hij geen beroep zou kunnen doen op (sociale) verstrekkingen van de gemeente, omdat hij fulltime studeert, welke stelling bovendien niet is onderbouwd. Dat studiefinanciering vanaf 1 januari 2015 niet meer in de vorm van een basisbeurs (gift) wordt verstrekt, maar in de vorm van een lening, maakt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat het onderscheid naar leeftijd niet meer gerechtvaardigd is. De beroepsgrond van eiser dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met het discriminatieverbod, slaagt dus niet.

7.4

Over het beroep van eiser op het Handvest overweegt de rechtbank dat in artikel 51 van het Handvest het toepassingsgebied ervan is afgebakend. In het eerste lid van dit artikel is neergelegd dat de bepalingen van het Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. In het onderhavige geval is enige bepaling van het Unierecht niet aan de orde. De bepalingen van het Handvest kunnen derhalve in dit geval geen toepassing vinden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.5

Inmenging privéleven

8.1

Eiser heeft verder aangevoerd dat de afwijzing van zijn aanvraag een ongerechtvaardigde inmenging betekent in zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 7 van het Handvest. Door te verwijzen naar eisers individuele verantwoordelijkheid, bepaalt verweerder immers hoe eiser beslissingen moet nemen met betrekking tot zijn privéleven.

8.2

De rechtbank overweegt dat deze grond kan worden aangemerkt als een beroep op artikel 8 van het EVRM, dat het recht op privéleven beschermt en waarop eiser wel een beroep toekomt. Eiser heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom de afwijzing van zijn aanvraag een inmenging in zijn privéleven oplevert. De enkele omstandigheid dat eiser op basis van zijn individuele verantwoordelijkheid zelf in de kosten van zijn opleiding dient te voorzien, eventueel met behulp van sociale voorzieningen als hij zelf niet in zijn bestaansminimum kan voorzien, leidt daar zonder nadere motivering niet toe. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

9. Voor zover door eiser aangevoerd, is de rechtbank tot slot niet gebleken van vooringenomenheid van verweerder.

10. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzitter, en mr. H.G. Schoots en mr. A.D. Belcheva, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Bijvoorbeeld de uitspraken van 27 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6891) en 22 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5367).

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 7 juli 2011, 37452/02 (Stummer/Oostenrijk) en de uitspraak van de Raad van 7 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3072.

3 Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 873, nr. 3, p. 9 en Memorie van Antwoord, Eerste Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 873, nr. 209c, p. 5.

4 Hoge Raad, 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:911

5 Zie de uitspraak van 22 maart 2013, met het kenmerk ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5367