Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7679

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
AMS 17/179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam heeft terecht de vergunning van een Amsterdams escortbureau ingetrokken. Bovendien moet de exploitant de gemeente 50.000 euro betalen. De man had namelijk drie escortdames onder de 21 jaar voor zich werken en dit is in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/179

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Kashyap),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Buijs en mw. S. Haavekost).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de exploitatievergunning van eiser voor onbepaalde tijd ingetrokken. Ook heeft verweerder eiser gelast de exploitatie van zijn onderneming [bedrijf] binnen twee weken na verzending van het besluit te staken en gestaakt te houden onder aanzegging van een last onder dwangsom van € 50.000,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft verweerder besloten tot invordering van de dwangsom van € 50.000,-, omdat eiser niet aan de last onder dwangsom heeft voldaan. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het onderhavige beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op de beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom van 19 januari 2017 (het invorderingsbesluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig [naam] , werkzaa bij [bedrijf] , die voor eiser enig onderzoek heeft verricht.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser is eigenaar en exploitant van het [bedrijf] , gevestigd op het adres [adres] . Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft eiser een exploitatievergunning verkregen geldig van 1 september 2014 tot 1 september 2017.

1.2.

Op 7 april 2015 heeft eiser een waarschuwing gekregen, omdat hij zijn bedrijfsplan niet heeft nageleefd, terwijl dit volgens één van de vergunningvoorschriften moet. Tijdens een controle was namelijk gebleken dat eiser een klant er tijdens het telefoongesprek niet op had gewezen dat de foto’s van de dames op de websites niet de escortdames zijn, die bij hem werkzaam zijn.

1.3.

Bij besluit van 28 december 2015 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Tijdens een controle bleek namelijk dat eiser geen volledige inzage kon geven in de administratie. Alleen van de laatste maand was de administratie aanwezig, terwijl de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voorschrijft dat de administratie van de laatste drie maanden beschikbaar moet zijn. Ook bleek dat een intakeverslag ontbrak en dat er geen vervolggesprekken met de escortdames waren gevoerd. Volgens zijn bedrijfsplan voert eiser elk half jaar vervolggesprekken, om te zorgen dat de bevindingen uit het eerste intakegesprek nog steeds gelden. Eiser werd gelast ervoor te zorgen dat het bedrijfsplan wordt nageleefd en dat de bedrijfsadministratie van de laatste drie maanden beschikbaar is in het bedrijf voor toezichthouders en opsporingsambtenaren.

1.4.

Op 2, 3 en 4 mei 2016 hebben de medewerkers van het Team mensenhandel van de politie en toezichthouders van de gemeente Amsterdam een controle uitgevoerd. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 4 mei 2016 en twee rapporten van bevindingen van het Bestuurlijk Team Prostitutie van 4 mei 2016.

1.5.

Vervolgens heeft verweerder eiser op 2 juni 2016 zijn voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de exploitatievergunning onder gelijktijdige aanzegging van een last onder dwangsom. Bij brief van 16 juni 2016 heeft eiser zijn zienswijze gegeven.

1.6.

Bij het primaire besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 30 augustus 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:6573) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

1.7.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

1.8.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft verweerder besloten tot invordering van de dwangsom van € 50.000,-, omdat eiser niet aan de last heeft voldaan en de dwangsom daarom is verbeurd.

Juridisch kader

2. De bij de beoordeling toegepaste regelgeving wordt weergegeven in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.

Intrekking van de vergunning en oplegging van de last onder dwangsom

Standpunt verweerder

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de vergunning mocht intrekken en de last mocht opleggen, omdat eiser meerdere overtredingen heeft begaan. Eiser had in zijn escortbedrijf prostituees werkzaam die jonger waren dan 21 jaar, terwijl dit op grond van de APV niet is toegestaan en ook niet is gebleken dat de prostituees onder de overgangsbepaling van artikel 3.46a van de APV vielen. Het gaat om de escorts met de werknamen “ [werknaam 1] ”, “ [werknaam 2] ” en “ [werknaam 3] ”. Naast deze overtreding zijn tijdens de controles van 3 en 4 mei 2016 meerdere andere overtredingen geconstateerd die verzwarend werken. Zo had eiser zijn bedrijfsadministratie niet op orde, waren de verslagen van de vervolggesprekken onvoldoende en heeft eiser zijn eigen bedrijfsplan op meerdere onderdelen niet nageleefd. Eiser heeft klanten er namelijk niet op gewezen dat de foto’s van escortdames op de website niet de escortdames zijn, die ook de diensten leveren en één van de chauffeurs bleek een relatie te hebben met een escortdame. Aangezien sprake is van meerdere overtredingen en omdat soortgelijke overtredingen ook in 2015 hebben plaatsgevonden, heeft verweerder geen vertrouwen meer in eiser als exploitant. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser op internet actief adverteert met meisjes vanaf 18 jaar en actief meisjes werft vanaf achttien jaar. Verweerder heeft verder overwogen dat, gelet op de beginselplicht tot handhaving, alleen van handhaving kan worden afgezien als er bijzondere omstandigheden zijn. Er is echter geen sprake van bijzondere omstandigheden. De handelingen van eiser na het primaire besluit doen niet ter zake. Verweerder heeft verder meegewogen dat het algemeen belang van handhaving van de regels van de APV juist bij deze kwetsbare branche, waarbij vrouwen slachtoffer kunnen zijn van mensenhandel, groot is. De belangenafweging valt daarom in het nadeel van eiser uit.

Bespreking beroepsgronden

4. In geschil is of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de exploitatievergunning van eiser in te trekken. De rechtbank stelt voorop dat daarbij gekeken dient te worden naar het feitencomplex ten tijde van de overtredingen. Dat na het primaire besluit alle werkzame prostituees 21 jaar waren, is daarom niet relevant.

Leeftijdsgrens

5. Op grond van artikel 3.44, aanhef en onder b, van de APV kan de vergunning worden ingetrokken als er in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, tenzij zij vallen onder de overgangsbepaling uit artikel 3.46a van de APV (zie de bijlage). Die overgangsbepaling komt er op neer dat als een prostituee op het moment dat de APV in werking trad al minimaal 18 jaar oud was en al in de prostitutie werkzaam was, de leeftijdseis van 21 jaar niet geldt. De APV is op 22 juli 2013 in werking getreden.

5.1

Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake was van overtreding van de leeftijdsgrens, omdat [werknaam 2] en [werknaam 3] op het moment van de controle niet (meer) voor hem werkten en eiser van [werknaam 1] dacht dat zij onder de overgangsbepaling viel, omdat zij al jaren in de prostitutie werkte en bij de Kamer van Koophandel (KvK) stond geregistreerd. Met [werknaam 3] werkte eiser al twee jaar niet meer samen. Met [werknaam 2] heeft hij nooit samengewerkt, omdat uit haar inschrijving bij de KvK was gebleken dat haar branche niet prostitutie maar ‘massage’ was. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij onvoldoende op de hoogte is gesteld door verweerder over de nieuwe regeling en wat in dat kader allemaal van hem werd verwacht. Het door verweerder geschetste beeld doet volgens eiser geen recht aan de daadwerkelijke wijze van bedrijfsvoering door eiser. Eiser heeft omissies altijd direct aangepakt en heeft altijd met goede intenties en naar eer en geweten gehandeld.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser niet slaagt.

[werknaam 1]

5.2.1

Ten aanzien van [werknaam 1] is tussen partijen niet in geschil dat eiser haar als escort heeft bemiddeld en dat zij op dat moment 20 jaar oud was en dus niet aan de leeftijdseis voldeed. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat de overgangsbepaling op [werknaam 1] van toepassing is. Hieruit volgt dat vaststaat dat in het geval van [werknaam 1] , de hoofdnorm, namelijk de leeftijdsgrens van 21 jaar, is geschonden. Nu eiser zich op de uitzondering op de hoofdnorm beroept, de overgangsbepaling, is het aan hem om aannemelijk te maken dat [werknaam 1] hieronder valt. Zijn niet onderbouwde stelling dat [werknaam 1] al jaren in de prostitutie werkte is hiertoe beslist onvoldoende. [werknaam 1] staat bovendien blijkens het uittreksel uit de KvK pas sinds 24 februari 2016 als prostituee ingeschreven, en niet al sinds de inwerkingtreding van de overgangsbepaling op 22 juli 2013 of daarvoor. Dit is juist een aanwijzing, en had dat ook voor eiser moeten zijn, dat [werknaam 1] niet onder de overgangsregeling valt. Dat eiser, zoals hij stelt, in de hem inmiddels onjuist gebleken veronderstelling verkeerde dat een inschrijving bij de KvK inhoudt dat [werknaam 1] aan de wettelijke eisen en dus ook aan de overgangsbepaling voldeed, komt voor rekening en risico van eiser en kan hem niet baten. Eiser heeft daarover gesteld dat in de Verenigde Staten de KvK wel een dergelijke licentiefunctie heeft. Daargelaten het feit dat deze stelling niet is onderbouwd, dient eiser zich als eigenaar van een onderneming in Nederland op de hoogte te stellen van de regels die hier gelden. Eisers beroep op bewijsnood op dit punt kan evenmin slagen. Op het moment dat eiser er voor kiest een meisje van onder de 21 in zijn bemiddelingsbestand op te nemen, dient hij zorgvuldig na te gaan dat dat meisje onder de overgangsbepaling valt en zich daarvan te vergewissen. Overigens is ook niet duidelijk waarom eiser nu niet meer aan bewijsstukken zou kunnen komen, als [werknaam 1] daadwerkelijk al die jaren als escort heeft gewerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat [werknaam 1] niet onder de overgangsbepaling valt.

5.2.2

Het betoog van eiser dat zijn verkeerde interpretatie van de overgangsbepaling hem niet te verwijten valt, omdat verweerder betere voorlichting had moeten geven over de nieuwe regels, volgt de rechtbank evenmin. Voor zover de regeling voor eiser niet helemaal duidelijk was, was het aan eiser om te onderzoeken wat dit feitelijk voor hem als ondernemer betekende. Eiser heeft niet betwist dat verweerder hierover verschillende informatie-bijeenkomsten heeft gehouden, waar eiser desgewenst nadere verduidelijking had kunnen krijgen. Onbetwist is evenzeer dat de echtgenote van eiser, zijn mede-exploitant, ook daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de workshops die de gemeente heeft gegeven over de nieuwe prostitutie-bepalingen in de APV. Eiser heeft erop gewezen dat de regeling nieuw, ingewikkeld en nog in ontwikkeling is. Dat maakt het erg verwarrend voor hem. Door recente jurisprudentie zijn er ook weer wijzigingen. De rechtbank overweegt dat, wat daar ook van zij, de leeftijdsgrens van 21 jaar en de overgangsbepaling al vanaf medio 2013 gelden en dat deze niet zijn gewijzigd. Verweerder heeft verder terecht naar voren gebracht dat eiser na overleg met verweerder zijn bedrijfsplan heeft aangepast, in die zin dat hij heeft opgenomen dat bepaald zal (moeten) worden of de escort 21 jaar of ouder is en dat tijdens het intakegesprek bijvoorbeeld gevraagd zal worden of de escort 21 jaar of ouder is. Verder heeft eiser in het bij het bedrijfsplan opgenomen model van het intakeformulier een expliciete verwijzing naar de overgangsbepaling opgenomen. Uit het voorgaande blijkt dat eiser op de hoogte was, of in ieder geval had moeten zijn, van de leeftijdsgrens en van zijn onderzoeksplicht op grond van de overgangsbepaling. Hieraan doet niet af de stelling van eiser dat hij de voorlichtingsbrief aan alle exploitanten van verweerder van 17 juli 2013 nooit heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de invoering van het nieuwe beleid. De bemiddeling van [werknaam 1] als prostituee, terwijl zij nog geen 21 jaar oud was en ook niet viel onder de overgangsbepaling, is eiser daarom aan te rekenen.

[werknaam 2]

5.2.3

Niet in geschil is dat [werknaam 2] , geboren op [geboortedatum] 1996 , ten tijde van de intake en ten tijde van de controle nog geen 21 jaar was. Over [werknaam 2] heeft eiser aangevoerd dat hij nooit met haar heeft gewerkt en haar dus niet heeft bemiddeld. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat er pas sprake kan zijn van bemiddeling van een escort als er contact is geweest met een derde partij die haar wil inhuren. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser faalt. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser ten tijde van de controle op 4 mei 2016 heeft gevraagd om de actuele administratie van het bedrijf van de afgelopen drie maanden en dat eiser in reactie daarop verweerder een stapel papieren heeft overhandigd waar de gegevens van [werknaam 2] en een verslag van het intakegesprek met [werknaam 2] bij zaten. Verweerder heeft waarde mogen hechten aan deze overgelegde administratie, anders zou controle van de bedrijfsadministratie zinledig worden. Hieruit volgt dat [werknaam 2] in het actuele bestand van escortdames zat. Dat er geen ondertekende bemiddelingsovereenkomst met [werknaam 2] tussen deze stukken zat, doet er niet aan af dat haar gegevens zich wel bevonden in de stapel papieren die de actuele bedrijfsadministratie betroffen. Bovendien is in het intakeverslag met [werknaam 2] opgenomen dat er wel een bemiddelingsovereenkomst met [werknaam 2] is gesloten en getekend. Dat de gegevens van [werknaam 2] in een dossier met het kenmerk ‘afgewezen’ zouden hebben gezeten, is pas op zitting naar voren gebracht en op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien is dit in strijd met de gerapporteerde handelwijze van eiser tijdens de inspectie, dat hij gevraagd naar de actuele administratie, daarbij (ook) de stukken van [werknaam 2] heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de opname van een escort in het actuele bemiddelingsbestand van het bedrijf na het sluiten van de overeenkomst met haar, al voldoende is voor de conclusie dat de escort werkzaam is in het bedrijf, aangezien klanten vanaf dat moment de escort kunnen inhuren. Niet is vereist dat er ook recentelijk een afspraak is geweest met een klant of contact is geweest met een klant die haar wilde inhuren. Het blijft immers mogelijk de escortdame in te huren, ook al heeft zij een tijdje niet, of zelfs nooit, een afspraak gehad met een klant. Dat [werknaam 2] niet vermeld stond op de door eiser op 4 mei 2016 overgelegde Excelsheet, met daarop de op dat moment actief werkzame escortdames, is daarom niet relevant.

[werknaam 3]

5.2.4

Over [werknaam 3] heeft eiser aangevoerd dat hij op het moment van de controle in mei 2016 al twee jaar niet meer met haar werkte, en dat het houden van een intakegesprek bovendien niet gelijk is aan “het werkzaam zijn in een bedrijf”. De rechtbank stelt vast dat [werknaam 3] op het moment van het intakegesprek op 23 februari 2014 nog geen 21 jaar oud was (20 jaar en 8 maanden) en dat eiser op de dag van het intakegesprek ook een bemiddelingsovereenkomst met haar heeft gesloten. Vanaf het moment dat eiser een bemiddelingsovereenkomst met [werknaam 3] had gesloten en haar in het actuele bemiddelingsbestand had opgenomen, kon zij ingehuurd worden. Zoals ook hiervoor onder 6.2.3 overwogen, betekent dit dat zij werkzaam was in het bedrijf van eiser. Niet is gebleken dat de bemiddelingsovereenkomst was beëindigd. Verder heeft [werknaam 3] kennelijk tot aan de controle in mei 2016 in het actuele bemiddelingsbestand van eiser gezeten, gelet op het feit dat ook haar gegevens en de bemiddelingsovereenkomst bij de overgelegde actuele bedrijfsadministratie zaten. Gelet hierop, heeft eiser in de periode na het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst, maar voordat [werknaam 3] 21 jaar werd, ook in dit geval de regel overtreden dat er in het bedrijf geen prostituees werkzaam mogen zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

5.2.5

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de APV heeft overtreden doordat in zijn bedrijf escortdames werkzaam waren die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Eisers betoog dat hij goede intenties had en de regels niet doelbewust heeft overtreden, doet aan de vastgestelde overtredingen niet af. De rechtbank zal deze beroepsgrond verder bij de belangenafweging bespreken. Gelet op de overtredingen, was verweerder op grond van artikel 3.44, aanhef en onder b, van de APV bevoegd om de vergunning van eiser in te trekken.

6.1

De rechtbank dient hierna te beoordelen of verweerder in redelijkheid van voormelde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en een juiste belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat hierop bevestigend dient te worden geantwoord. Op grond van het beleid van verweerder in de ‘Handhavingsstrategie Escort – Gemeente Amsterdam’ (de Handhavingsstrategie) wordt bij overtreding van de leeftijdsgrens de vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd ingetrokken, onder aanzegging van een last onder dwangsom en dient het escortbedrijf haar activiteiten te staken. De rechtbank acht dit in zijn algemeenheid niet onredelijk, gegeven de kwetsbaarheid van de prostitutiebranche voor ernstige misdrijven als mensenhandel en uitbuiting. Door de leeftijdsgrens van prostituees omhoog te trekken van 18 naar 21 is beoogd de prostituees beter tegen dergelijke misstanden te beschermen. De exploitant van een escortbedrijf heeft het als geen ander in de hand om, op het moment dat hij een prostituee toevoegt aan zijn bemiddelingsbestand, diens leeftijd te controleren. De rechtbank acht het daarom niet onredelijk dat verweerder er de zware consequenties, zoals neergelegd in de Handhavingsstrategie, aan verbindt als de leeftijdsgrens door een exploitant niet wordt nageleefd. Verweerder heeft bij de belangenafweging verder meegewogen dat er verzwarende omstandigheden zijn. Zo heeft eiser ook online geadverteerd met escorts van een leeftijd vanaf 18 jaar en wierf hij via zijn websites ook escorts vanaf jaar 18 oud. Dat de minimumleeftijd in de vacaturetekst slechts bij twee, volgens eiser verouderde, websites nog als 18 jaar werd vermeld, is voldoende om te concluderen dat meisjes vanaf 18 jaar werden geworven. Aan de omstandigheid dat verweerder naar aanleiding van de controle en waarschuwing in 2015 niets heeft gezegd over de vermelding van de leeftijd bij de foto’s op de websites (jonger dan 21), heeft eiser niet het vertrouwen mogen ontlenen dat verweerder dit ook nu niet meer aan eiser zou tegenwerpen. Eisers betoog dat hij de regels niet moedwillig heeft overtreden en dat hij moeite heeft met de manier waarop hij door verweerder als exploitant wordt neergezet, acht de rechtbank ook onvoldoende voor de conclusie dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Zoals eerder aangegeven mag van eiser als ondernemer in Nederland worden verwacht dat hij zich voldoende op de hoogte stelt van de van toepassing zijnde regels en is hij hierin door verweerder ook voldoende ondersteund. Ten aanzien van het door eiser genoemde krantenartikel kan het verweerder tot slot niet worden aangerekend dat de media niet correct hebben geput uit de brief aan de gemeenteraad, waarin de gemeenteraad werd ingelicht over de intrekking van eisers vergunning. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de vergunning in redelijkheid heeft kunnen intrekken en de last heeft kunnen opleggen en dat hij niet een lichter middel, zoals een waarschuwing of een preventieve last onder dwangsom, hoefde toe te passen.

6.2

Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder andere escortbureaus niet op deze wijze zou behandelen. Dit beroep faalt. Dat er andere vergunde escortbureaus zijn, die de leeftijd op hun websites niet (overal) hadden aangepast, heeft eiser niet met stukken onderbouwd. De naam van die escortbureaus heeft hij ook niet genoemd. Ook de stelling dat tal van escortbureaus werken en/of adverteren met dames onder de 21 heeft eiser niet concreet onderbouwd. Evenmin is duidelijk of dit escortbureaus zijn met een exploitatievergunning in Amsterdam. De websites ‘ [website 1] ’ en ‘ [website 2] ’ waar eiser naar heeft verwezen en die volgens hem ook met dezelfde prostituee [werknaam 2] werken, zijn bijvoorbeeld geen websites die toebehoren aan een in Amsterdam vergund escortbemiddelingsbureau. Ook de advertenties op [site] betreffen prostitutiebedrijven die buiten Amsterdam zijn gevestigd. De Amsterdamse APV met de leeftijdsgrens van 21 jaar geldt niet voor deze bedrijven.

6.3

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder al op grond van het voorgaande in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking en oplegging van de last gebruik heeft kunnen maken. De beroepsgronden ten aanzien van de staat van de administratie en het niet naleven van het bedrijfsplan kunnen daarom onbesproken blijven.

Het invorderingsbesluit

7. Ten aanzien van het invorderingsbesluit is in geschil of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (tijdig) aan de last onder dwangsom heeft voldaan en dat de dwangsom is verbeurd.

Standpunt verweerder

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aan de last heeft voldaan. Eiser moest zijn websites offline zetten en de bijbehorende telefoonnummers blokkeren. Dit zijn de bij de vergunning horende websites en de telefoonnummers van eiser. Sommige websites bleken na 7 september 2016 echter nog steeds of opnieuw online te zijn. Dat eiser deze websites zou hebben verkocht, blijkt volgens verweerder nergens uit. De telefoonnummers moesten voorts worden geblokkeerd; het enkel niet meer opnemen van de telefoon is onvoldoende. Verder is gebleken dat er nog steeds contact kan worden opgenomen via een

e-mailadres dat door eiser wordt beheerd. Gelet op het voorgaande, heeft eiser volgens verweerder niet aan de last voldaan en is de dwangsom verbeurd.

Bespreking beroepsgronden

9.1

Eiser voert - samengevat - aan dat hij tijdig aan de last heeft voldaan, omdat de activiteiten van zijn escortbureau bestonden uit het bemiddelen voor escorts en hij vanaf 7 september 2016 geen enkele keer meer heeft bemiddeld voor escorts. Hij heeft de telefoons weliswaar niet geblokkeerd, maar vanaf 7 september 2016 geen gebruik meer gemaakt van zijn telefoonnummers, door niemand meer te bellen en geen oproepen meer aan te nemen. Ook heeft hij vóór 8 september 2016 24:00 uur al zijn websites offline gezet. Hiermee heeft hij afdoende voldaan aan de last. Een redelijke uitleg naar doel en strekking van de last brengt namelijk mee dat de last niet verder mag gaan dan noodzakelijk voor het bereiken van het daarmee gediende doel. In het onderhavige geval is de last naar doel en strekking gericht op het staken en gestaakt houden van het escortbureau. Aan dat doel en die strekking heeft hij voldaan. Over de websites die na de begunstigingstermijn opnieuw online waren, voert eiser aan dat hij deze tijdig heeft verkocht en heeft overgedragen aan de koper. Het gebruik van websites na de verkoop kan hem niet worden aangerekend. Daarbij heeft eiser correspondentie overgelegd waarin de koper verklaart dat hij de eigenaar van de websites is en de e-mails/contacten beheert. Het invorderingsbesluit ontbeert volgens eiser tot slot een deugdelijke belangenafweging.

9.2

De rechtbank stelt vast dat in het besluit tot oplegging van de last het volgende is opgenomen:

“U wordt gelast binnen twee weken na verzending van dit besluit alle activiteiten van uw escortbureau te staken en gestaakt te houden. Dit betekent dat u in ieder geval uw websites op non-actief dient te zetten en uw telefoonnummer(s) dient te blokkeren.”

De rechtbank is van oordeel dat deze last in haar bewoordingen voldoende duidelijk is. Eiser betwist dat ook niet. De rechtbank volgt eiser niet in diens stelling dat met de eis om alle telefoonnummers te blokkeren de last verder gaat dan noodzakelijk voor het te bereiken doel. De rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid van eiser heeft mogen verlangen dat hij alle telefoonnummers van zijn bedrijf, die zijn opgenomen in de verleende vergunning, zou blokkeren. De telefoonnummers vormen een zeer essentieel onderdeel van het bedrijf van eiser, zoals hij ook op zitting beaamde. Het hele bedrijf bestaat voornamelijk uit de websites en telefoonnummers, en het met elkaar in contact brengen van klanten en escorts via die websites en telefoonnummers. Enkel te verlangen dat eiser ‘de telefoons niet meer opneemt’ is niet controleerbaar voor verweerder en daarom mag de last zo ver gaan dat eiser de telefoonnummers daadwerkelijk blokkeert. De rechtbank is daarom van oordeel dat pas aan de last zou zijn voldaan, voor wat betreft de telefoons, als de telefoonnummers tijdig waren geblokkeerd. Dit gaat naar het oordeel van de rechtbank niet verder dan noodzakelijk voor het te bereiken doel.

9.3

De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (tijdig) aan de last heeft voldaan. De rechtbank stelt vast dat de begunstigingstermijn van twee weken na het primaire besluit door verweerder vrijwillig is geschorst totdat de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan, en dat hij eiser daarna op 31 augustus 2016 één week de gelegenheid heeft gegeven om aan de last te voldoen. Dit betekent dat alle activiteiten van het escortbureau uiterlijk 7 september 2016 gestaakt hadden moeten zijn. Eiser heeft erkend dat hij zijn telefoonnummers niet voor het einde van die termijn heeft geblokkeerd, zodat alleen al daardoor niet aan de last is voldaan. Daarnaast is niet in geschil dat alle websites van eiser na 7 september 2016 nog online waren. Pas op 8 september 2016 om 24.00 uur waren de websites offline. Nu deel van de last uitmaakt dat binnen een bepaalde termijn wordt geacteerd door eiser, is ook vanwege deze tijdsoverschrijding niet aan de last voldaan. Hoewel eiser verweerder op 7 september 2016 heeft gevraagd of de begunstigingstermijn kon worden verlengd, heeft verweerder aangegeven dat de begunstigingstermijn op dat moment al was verlopen en de dwangsom van rechtswege was verbeurd. De begunstigingstermijn is dus niet verlengd. Tot slot is gebleken dat na 8 september 2016 nog een aantal websites (opnieuw) online waren, te weten www. [website 3] .nl , www. [website 4] .nl, www. [website 5] .nl en www. [website 6] .nl. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij deze websites heeft verkocht. De mailwisseling tussen eiser en de gestelde koper is daarvoor onvoldoende. Er is geen ondertekende koopovereenkomst, noch is er iets bekend over de condities van de verkoop of de koopprijs. De verwijzing naar een nieuw uittreksel uit de KvK van eisers bedrijf van 1 maart 2017 kan evenmin slagen, nu dit dateert van ruim na het einde van de begunstigingstermijn. Gelet op het voorgaande, heeft eiser niet aan de last voldaan en is de dwangsom verbeurd.

9.4

Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke bijzondere omstandigheden niet aanwezig. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.

Conclusie

10. Gelet op al het voorgaande, is het beroep tegen zowel de intrekking van de vergunning onder gelijktijdige aanzegging van de last onder dwangsom, als het invorderingsbesluit, ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzitter, en mrs. H.G. Schoots en T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Juridisch kader:

1. Artikel 1.7, aanhef en onder c, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) bepaalt dat het bevoegde bestuursorgaan een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk kan wijzigen of intrekken als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen.

2. Volgens de schakelbepaling in artikel 3.42 van de APV zijn de onderstaande bepalingen, die gelden voor prostitutiebedrijven, ook van toepassing op escortbedrijven.

3. Artikel 3.30, eerste lid en onder b, van de APV bepaalt dat de exploitant en de leiddinggevende er zorg voor dragen dat met iedere prostituee een intakegesprek wordt gevoerd, waarbij de exploitant zich ervan dient te vergewissen dat de prostituee voldoende zelfredzaam is.

Op grond van het eerste lid en onder e, van genoemde bepaling dragen de exploitant en de leidinggevende er zorg voor dat in het bedrijf geen prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt.

Op grond van het vierde lid, van genoemde bepaling dragen de exploitant en de leidinggevende er zorg voor dat het bedrijfsplan wordt nageleefd.

4. Artikel 3.31 van de APV luidt als volgt:

1. De exploitant draagt er zorg voor dat een actuele bedrijfsadministratie wordt bijgehouden waarin in ieder geval gegevens zijn opgenomen van de in het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de verhuuradministratie en afschriften van getekende intakeformulieren.

2. De exploitant en de leidinggevende dragen er zorg voor dat de bedrijfsadministratie van de laatste drie maanden in het bedrijf beschikbaar is voor toezichthouders en opsporingsambtenaren.

3. De exploitant draagt er zorg voor dat de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard.

4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van de bedrijfsadministratie.

5. Artikel 3.42 van de APV bepaalt dat de artikelen 3.28, 3.29, 3.30, eerste lid, 3.30 derde tot en met zesde lid, 3.30 achtste lid, 3.31, 3.33 en 3.37 van overeenkomstige toepassing zijn op escortbedrijven.

6. Artikel 3.44, aanhef en onder b, van de APV bepaalt dat de burgemeester een vergunning voor een escortbedrijf kan intrekken als in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, of die niet voldoen aan de in artikel 3.30, eerste lid, onder d, genoemde eisen.

7. In artikel 3.46a van de APV is een overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van de leeftijd van prostituees. Op grond van het eerste lid van dit artikel worden de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 3.30, eerste lid, onder e, en 3.42 juncto 3.30, eerste lid, onder e, van kracht:

a. een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, ten aanzien van prostituees die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de leeftijd van 20 jaar hebben bereikt;

b. twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, ten aanzien van prostituees die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de leeftijd van 19 jaar hebben bereikt;

c. drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, ten aanzien van prostituees die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening de leeftijd hebben van 18 jaar hebben bereikt.

8. In de ‘Handhavingsstrategie Escort – Gemeente Amsterdam’ (Handhavingsstrategie) zijn beleidsregels ontwikkeld over de sancties bij overtredingen van de APV en de vergunningvoorschriften. Als bij controle blijkt dat het escortbedrijf een prostituee bemiddelt die jonger is dan 21 jaar, en die niet valt onder de overgangsregeling van de leeftijdsverhoging, treedt direct stap 1 in werking: intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd onder aanzegging van een last onder dwangsom en dient het escortbedrijf haar activiteiten te staken.