Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7644

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
AMS 16/949 en AMS 16/5352
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:4081, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning voor het evenement [naam evenement]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het algemeen bestuur tot de conclusie kunnen komen dat het festival niet tot onomkeerbare schade aan de natuurwaarden van het [locatie] of de bodem leidt. Dat betekent dat het algemeen bestuur de tijdelijke omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0021
JOM 2018/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/949 en AMS 16/5352

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2017 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel [locatie] van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M.E. de Vries).

Aan het geding met zaaknummer AMS 16/5352 heeft deelgenomen als derde-partij:

[vergunninghoudster] te [woonplaats] , vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. M.L. Diepenhorst).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als respectievelijk [eiseres] , het algemeen bestuur en [naam] .

Procesverloop

De rechtbank heeft op 11 februari 2016 van [eiseres] een beroepschrift ontvangen tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschriften tegen de omgevingsvergunningen die het algemeen bestuur aan [naam] heeft verleend voor het [naam] in 2014 en 2015. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AMS 16/949 (hierna: het beroep niet-tijdig).

De rechtbank heeft het beroep niet-tijdig bij uitspraak van 10 mei 2016 kennelijk gegrond verklaard.

Het algemeen bestuur heeft hiertegen verzet aangetekend.

De rechtbank heeft het verzet bij uitspraak van 4 januari 2017 gegrond verklaard en de uitspraak van 10 mei 2016 vervallen verklaard. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat het beroep niet-tijdig wordt voortgezet in de staat waarin dit zich bevond voordat de uitspraak van 10 mei 2016 werd gedaan.

Bij besluit van 19 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [eiseres] tegen de omgevingsvergunning voor het [naam] ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AMS 16/5352.

Verweerder heeft in zaaknummer AMS 16/5352 een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn samen behandeld op de zitting van 5 september 2017. Het beroep met zaaknummer AMS 16/5352 is daarbij gezamenlijk behandeld met twee beroepen van andere partijen tegen de omgevingsvergunning voor het [naam] met de zaaknummers AMS 17/165 en AMS 17/212. [eiseres] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen [naam] en [naam] , projectleider ‘grote evenementen’ [naam] . [naam] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam] , projectmanager. Voor [naam] is ook verschenen [naam] , deskundige van [naam] .

In de beroepen met de zaaknummers AMS 17/165 en AMS 17/212 doet de rechtbank vandaag afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

Achtergrond

1.1

[eiseres] woont in de [adres 1] in [adres 1] . Dat is aan de [locatie] van de [locatie] . Sinds 2011 vindt in het eerste weekend van juni jaarlijks het evenement [naam] (hierna: het festival) plaats aan de [locatie] van de [locatie] in het [locatie] . [eiseres] heeft last van dit festival vanwege het geluid en zij vreest daarnaast, kort samengevat, voor toenemende onherstelbare schade aan het park en de daar aanwezige flora en fauna. [eiseres] vindt daarom dat het algemeen bestuur voor dit jaarlijkse festival geen omgevingsvergunning kan en mag verlenen. Het algemeen bestuur en [naam] stellen dat het festival geen onomkeerbare gevolgen heeft en dat daarmee aan de voorwaarden voor vergunningverlening wordt voldaan.

1.2

[eiseres] heeft het beroep niet-tijdig tijdens de zitting van 5 september 2017 ingetrokken voor zover dit betrekking heeft op de omgevingsvergunning voor 2014. In deze procedure ligt daarom alleen nog de (niet tijdige) besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het festival in 2015 voor.

De besluitvorming

2.1

[naam] heeft op 24 april 2015 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan ‘ [naam] ’ (hierna: het bestemmingsplan) voor het organiseren, opbouwen, de show en het afbouwen van het festival [naam] in het [locatie] op 5, 6 en 7 juni 2015. Hier hoort ook een festivalcamping bij. De gronden waarop het festival plaatsvindt hebben de bestemming ‘recreatie’.

2.2

Het algemeen bestuur heeft met zijn besluit van 28 mei 2015 (het primaire besluit) een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ter afwijking van het bestemmingsplan. Het algemeen bestuur heeft de vergunning gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Bijlage II, artikel 4, onderdeel 11, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens het algemeen bestuur is het aannemelijk dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, omdat het festival maximaal vijftien dagen duurt. Volgens de ruimtelijke afweging is het festival, kort samengevat, in overeenstemming met het ter plaatse geldende ruimtelijke beleid en met het evenementenbeleid. Daarnaast past het festival in de ambitie van de bestuurscommissie [locatie] en van de gemeente Amsterdam om de stedelijke en regionale functie van het [locatie] te versterken. Omdat het festival daarnaast niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat of de aanwezige natuurwaarden, bestaan er volgens het algemeen bestuur geen ruimtelijke bezwaren om de vergunning te verlenen.

2.3

[eiseres] heeft op 5 juni 2015 bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning.

2.4

Het algemeen bestuur heeft met het bestreden besluit op het bezwaar van [eiseres] beslist. Het algemeen bestuur heeft de bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Heeft [eiseres] (proces)belang?

3.1

[eiseres] komt op tegen de omgevingsvergunning voor het festival in 2015, dat inmiddels al heeft plaatsgevonden. Daarom moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of [eiseres] nog wel belang heeft bij deze procedure. Volgens de rechtbank is dat belang wel aanwezig. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bestaat er nog belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een vergunning voor een evenement dat al heeft plaatsgevonden, indien er een reële kans op herhaling hiervan bestaat1. Aangezien het hier om een jaarlijks terugkerend festival gaat, terwijl het algemeen bestuur en [naam] de intentie hebben om dit evenement ook in 2018 te laten plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank.

3.2

Het algemeen bestuur heeft zich tijdens de zitting van 5 september 2017 op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet als belanghebbende bij de omgevingsvergunning kan worden aangemerkt en dat de beroepen daarom niet-ontvankelijk zijn. Het algemeen bestuur vindt enerzijds dat [eiseres] te ver weg woont om een persoonlijk belang te hebben bij de flora en fauna in het [locatie] en anderzijds dat [eiseres] geen ‘gevolgen van enige betekenis’ van het festival ondervindt.

3.3

De Afdeling heeft op 23 augustus 2017 een uitspraak gedaan waarbij uitleg is gegeven over de zinsnede ‘gevolgen van enige betekenis’2. De rechtbank stelt aan de hand van die uitspraak vast dat de drempel om iemand als belanghebbende aan te merken laag is. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt, wanneer de gevolgen van de activiteit voor de woon- en/of leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

3.4

[eiseres] woont hemelsbreed op ongeveer een kilometer afstand van het festivalterrein aan de overkant van het water. Niet in geschil is dat [eiseres] geluidsoverlast van het festival ervaart. In geschil is of deze hinder van enige betekenis is. Hierbij is blijkens de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017 niet van belang of haar woning binnen of buiten de geluidscontouren van het festival valt. [eiseres] heeft tijdens de zitting van 5 september 2017 uiteengezet welke gevolgen zij van het festival ondervindt die betrekking hebben op haar woon- en leefsituatie. Zij heeft daarbij gewezen op het basgeluid dat zij hoort in haar woning, ook als zij de ramen en deuren gesloten heeft en haar TV aan staat. Naar het oordeel van de rechtbank is deze hinder niet dermate gering dat zij geen persoonlijk belang bij de omgevingsvergunning voor het festival in 2015 meer heeft. De rechtbank merkt [eiseres] dan ook aan als belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor het festival. Of [eiseres] te ver weg woont om ook een persoonlijk belang te hebben bij het behoud van de flora en fauna, is daarom in dit verband niet meer relevant.

3.5

De rechtbank stelt verder - ambtshalve - vast dat [eiseres] nog steeds belang heeft bij een beoordeling van het beroep niet-tijdig, ondanks dat het algemeen bestuur inmiddels op haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft beslist. [eiseres] heeft de rechtbank namelijk verzocht om de door het algemeen bestuur verbeurde dwangsom vast te stellen. Op grond van artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hiervoor een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit nodig. De rechtbank zal hierna dan ook eerst ingaan op de vraag of het algemeen bestuur te laat op het bezwaar van [eiseres] heeft beslist.

Heeft het algemeen bestuur te laat beslist op het bezwaar van [eiseres] tegen het primaire besluit?

4.1

Het algemeen bestuur heeft de omgevingsvergunning op 28 mei 2015 verleend. Omdat er een commissie is ingesteld als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb verliep de beslistermijn in beginsel twaalf weken na het verstrijken van de bezwaartermijn. Het algemeen bestuur heeft de beslistermijn eenmalig met zes weken verlengd. Dat betekent dat de beslistermijn eindigde op 12 november 2015.

4.2

[eiseres] heeft het algemeen bestuur bij brief van 15 januari 2016 in gebreke gesteld.

Het algemeen bestuur heeft zich tijdens de zitting van 5 september 2017 op het standpunt gesteld dat deze ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Het algemeen bestuur heeft daartoe verwezen naar de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 4:17 van de Awb3 en een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag4.

4.3

De rechtbank volgt het algemeen bestuur hierin niet. In artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In dit artikel is geen vaste termijn opgenomen die bepaalt wat onder ‘onredelijk laat’ moet worden verstaan. Uit de MvT bij dit artikel blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de invulling van dit begrip af te laten hangen van de omstandigheden van het geval. In dit geval zitten er negen weken tussen het verstrijken van de beslistermijn en de ingebrekestelling. Pas op 23 oktober 2015, dus slechts enkele weken voor het verstrijken van de beslistermijn, heeft de hoorzitting bij de commissie plaatsgevonden. Aangezien de commissie nog advies diende uit te brengen, viel een beslissing op het bezwaar dan ook niet gelijk na het verstrijken van de beslistermijn te verwachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] daarom in dit geval niet onredelijk lang gewacht met de ingebrekestelling. De verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag leidt niet tot een andere conclusie. Niet alleen was in dat geval ruim drie maanden met de ingebrekestelling gewacht, maar uit die uitspraak blijkt ook niet welke omstandigheden het Gerechtshof bij zijn beoordeling heeft betrokken.

4.4

De ingebrekestelling was dus rechtsgeldig en niet onredelijk laat. Het algemeen bestuur had daarom binnen twee weken na 15 januari 2016 moeten beslissen. Het algemeen bestuur heeft pas op 19 juli 2016 op het bezwaar van [eiseres] beslist. Dit is meer dan 42 dagen te laat. Het beroep niet-tijdig is daarom gegrond. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17 van de Awb heeft het algemeen bestuur daarom een dwangsom verbeurd van € 1.260,-.

4.5

Omdat het beroep niet-tijdig gegrond is, moet het algemeen bestuur aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

4.6

[eiseres] heeft de rechtbank verzocht het algemeen bestuur te veroordelen in de proceskosten die zij met betrekking tot het beroep niet-tijdig redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten bestaan uit een nota van [naam] van 7 november 2016 voor advies ten bedrage van € 604,03, en een factuur van [naam] van 31 januari 2017 voor een quickscan van het [locatie] van € 33,28.

4.7

Bij het bepalen van de (hoogte van de) proceskosten is de rechtbank gebonden aan het Besluit proceskosten bestuursrecht. Kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde komen uitsluitend voor vergoeding in aanmerking indien door deze derde proceshandelingen zijn verricht. Daarmee wordt bijvoorbeeld het instellen van beroep of het vertegenwoordigen ter zitting bedoeld. Advieskosten vallen daar niet onder. Dat betekent dat de nota van [naam] niet voor vergoeding in aanmerking komt. Ten aanzien van de kosten van de quickscan overweegt de rechtbank dat deze nota is geadresseerd aan [naam] , waarvan [eiseres] tevens [functie] is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [eiseres] deze kosten op persoonlijke titel heeft gemaakt én dat zij deze ten behoeve van het beroep niet-tijdig heeft gemaakt. Deze kosten komen daarom ook niet voor vergoeding in aanmerking. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek om proceskosten zal afwijzen.

Ten aanzien van zaaknummer AMS 16/5352

5. [eiseres] heeft op [datum] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep niet-tijdig echter al van rechtswege betrekking op het bestreden besluit. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte het dossier met zaaknummer AMS 16/5352 heeft aangemaakt en dat ten onrechte in dat zaaknummer griffierecht van [eiseres] is geheven. Het door haar betaalde griffierecht in zaaknummer AMS 16/5352 zal daarom door de rechtbank aan [eiseres] worden gerestitueerd.

Het wettelijke kader voor de omgevingsvergunning

6.1

Voor de bepalingen die van toepassing zijn op de verleende omgevingsvergunning verwijst de rechtbank naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6.2

Niet in geschil is dat het festival in strijd is met de bestemming in het bestemmingsplan.

6.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid. Daardoor heeft het bestuursorgaan bij toepassing van deze bevoegdheid een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Het gebruik van een dergelijke bevoegdheid moet terughoudend door de bestuursrechter worden getoetst. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure geen eigen oordeel geeft over de vraag of het festival in 2015 in het [locatie] mocht plaatsvinden, maar alleen kan en zal beoordelen of het algemeen bestuur de omgevingsvergunning hiervoor ‘in redelijkheid’ heeft kunnen verlenen.

Heeft het algemeen bestuur de omgevingsvergunning voor het festival kunnen verlenen?

Besluitvorming

7. [eiseres] betoogt dat het algemeen bestuur de besluitvorming jaarlijks traineert, zodat effectieve rechtsbescherming ontbreekt, dat de omgevingsvergunning te laat is verleend en dat deze handelwijze in strijd is met een democratische besluitvorming en het vertrouwen in de politiek schaadt. De rechtbank merkt op dat de omgevingsvergunning inderdaad pas kort voor het festival is afgegeven, mede omdat de aanvraag pas op een laat moment was ingediend. De rechtbank is echter niet gebleken dat het algemeen bestuur met de beslissing op de aanvraag de wettelijke beslistermijn van acht weken5 heeft overschreden. Ten aanzien van de overschrijding van de beslistermijn in bezwaar heeft de rechtbank hiervoor al een oordeel gegeven. De rechtbank ziet in de door [eiseres] beschreven handelwijze en/of bejegening door het algemeen bestuur verder geen wettelijke grondslag die tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Overigens heeft [naam] op de zitting aangegeven ernaar te streven om de aanvraag zo vroeg mogelijk in te dienen, wat voor 2017 ook betekende dat deze langer van tevoren is aangevraagd.

Naleving voorschriften

8. [eiseres] voert verder aan dat in 2015 verschillende voorwaarden van de omgevingsvergunning werden overtreden, bijvoorbeeld met betrekking tot de maximale geluidsnormen en verschillende natuurbeschermingsmaatregelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond evenmin tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. In deze procedure kunnen namelijk alleen de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften aan de orde komen. Een mogelijke overtreding van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften kan aan de orde komen in het kader van een handhavingstraject met betrekking tot die vergunning.

Incidenten

9.1

[eiseres] stelt ook dat het algemeen bestuur in de omgevingsvergunning te weinig oog heeft gehad voor de veiligheid, onder andere vanwege explosiegevaar. Jaarlijks vinden tijdens het festival volgens [eiseres] meerdere incidenten plaats en daarvoor moeten voorschriften in de vergunning worden opgenomen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] het explosiegevaar toegelicht. Dit had te maken met gastanks die dicht bij ondergrondse hoge drukleidingen stonden opgeslagen. [naam] heeft tijdens de zitting toegelicht dat dit geen gastanks waren, maar tanks met CO2. Van explosiegevaar is dan ook geen enkel moment sprake geweest, aldus [naam] .

9.2

In artikel 8:69a van de Awb is het zogeheten relativiteitsvereiste neergelegd. Het relativiteitsvereiste houdt in dat een betrokkene zich alleen op een bepaalde geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel kan beroepen, als deze regel of dit beginsel ook beoogt zijn/haar belangen te beschermen. [eiseres] beoogt met de in alinea 9.1 beschreven beroepsgrond het aantal incidenten rond het festival te beperken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voorschriften over de veiligheid echter niet bedoeld om het belang van [eiseres] te beschermen, maar dat van de festivalgangers. Deze beroepsgrond kan dus alleen al vanwege het relativiteitsvereiste niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en wordt daarom niet inhoudelijk beoordeeld.

9.3

Voor zover [eiseres] bedoelt dat zij zelf door het ontbreken van veiligheidsvoorschriften in de omgevingsvergunning in gevaar is geweest, heeft zij dit betoog niet onderbouwd. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om de (voorschriften verbonden aan de) omgevingsvergunning onrechtmatig te achten.

Voorschriften geluid

10. Volgens [eiseres] schieten ook de aan de omgevingsvergunning verbonden maatregelen tekort voor zover deze betrekking hebben op het voorkomen van geluidsoverlast en zijn deze maatregelen niet goed handhaafbaar. De rechtbank stelt op grond van de dossierstukken vast dat tijdens het festival verschillende controles en geluidsmetingen hebben plaatsgevonden. Van overschrijdingen van de gestelde geluidsnormen is niet gebleken. [eiseres] heeft geen rapporten overgelegd waaruit blijkt dat de bevindingen van die controles en geluidsmetingen niet juist zijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Alternatieve locatie

11. [eiseres] voert verder aan dat het algemeen bestuur ten onrechte niet heeft onderzocht of het festival op een andere locatie kan plaatsvinden waar het minder overlast en schade aan het park veroorzaakt. Dit betoog slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling6 dient het bevoegd gezag namelijk te beslissen op een aanvraag zoals die bij hem is ingediend. Indien het plan zoals aangevraagd op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven geen reden zijn om de aanvraag te weigeren. Dit is alleen anders indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In dit geval heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat concrete alternatieve locaties bestaan waarmee een gelijkwaardig of beter resultaat kan worden bereikt.

Tijdelijke omgevingsvergunning

12.1

[eiseres] betoogt ook dat het algemeen bestuur geen tijdelijke omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen op grond van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor, omdat het festival tot onomkeerbare gevolgen voor de natuur in het [locatie] leidt. Deze beroepsgrond is ook aangevoerd in de procedures over de omgevingsvergunning voor 2016 met zaaknummers AMS 17/165 en AMS 17/212. De beroepsgronden van de verschillende eisers op dit punt zijn ter zitting met instemming van alle partijen gevoegd behandeld.

12.2

Op grond van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor kan voor activiteiten, in geval van ander gebruik dan in de onderdelen 1 tot en met 10, tijdelijk van het bestemmingsplan worden afgeweken voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikelonderdeel7 blijkt dat is beoogd het toepassingsbereik hiermee te verruimen. Dat betekent dat een omgevingsvergunning op basis van de zogenoemde ‘kruimellijst’ niet meer (uitsluitend) is bedoeld voor kleine afwijkingen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt verder dat aan dit artikelonderdeel alleen toepassing kan worden gegeven als aannemelijk is dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.

12.3

Het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat aan [eiseres] op dit punt ook het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen, omdat zij zich niet beroept op een norm die beoogt haar eigen belangen, maar die van de natuur te beschermen.

12.4

De rechtbank volgt het algemeen bestuur hierin niet. De vraag of al dan niet sprake is van onomkeerbare schade raakt namelijk de bevoegdheid van het algemeen bestuur om met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor de bewuste omgevingsvergunning te verlenen. Indien sprake is van onomkeerbare schade is immers niet voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van die bepaling. Het relativiteitsvereiste kan daarom [eiseres] niet tegengeworpen worden.

Onomkeerbare schade aan de natuur?

13.1

[eiseres] stelt dat het algemeen bestuur onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken dat het [locatie] onderdeel uitmaakt van [naam] ( [naam] ), voorheen de [naam] ( [naam] ). [eiseres] wijst er daarbij ook op dat de ransuil uit het gebied is verdwenen.

13.2

Uit het bestreden besluit blijkt dat het algemeen bestuur in de heroverweging heeft betrokken dat het [locatie] onder het bereik van [naam] /de [naam] valt. [naam] bv (hierna: [naam] ) heeft in verschillende jaren onderzoek verricht naar de in het [locatie] levende fauna. In 2008 is uitgebreid onderzoek gedaan naar alle voorkomende diersoorten. Hieruit is gebleken dat de enige voorkomende (beschermde) diersoorten die mogelijk verstoord worden door het festival de broedvogels zijn. In 2014 en 2015 is het onderzoek daarom specifiek gericht geweest op de broedvogels. Uit deze onderzoeken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er als gevolg van het festival verstoring van broedvogels of een wijziging in de aantallen en soorten broedvogels heeft plaatsgevonden. Ook vogels op nest gingen tijdens het festival door met het voeden van hun jongen. Uit het enkele feit dat de ransuil in eerdere jaren wel in het [locatie] is waargenomen maar nu niet meer, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder verdere onderbouwing van de oorzaak daarvan niet de conclusie worden getrokken dat het festival daar de oorzaak van is (geweest). Het algemeen bestuur heeft zich naar het oordeel van de rechtbank bij de besluitvorming dan ook mogen baseren op de onderzoeken van [naam] en daaruit de conclusie mogen trekken dat het festival niet tot onomkeerbare schade van de natuurwaarden van het [locatie] leidt.

Onomkeerbare schade aan de bodem?

14.1

[eiseres] betoogt ook dat het festival leidt tot onomkeerbare schade aan de bodem, omdat het festival tot bodemverdichting leidt.

14.2

Partijen hebben verschillende deskundigenrapporten over de toestand van de bodem in het [locatie] overgelegd. Het algemeen bestuur beroept zich op verschillende rapporten van [naam] ; [eiseres] verwijst naar onderzoeken die zijn verricht door [naam] , en [naam] verwijst naar onderzoeken van [naam] BV. Tijdens de zitting is gebleken dat de deskundigen van [naam] ( [naam] , hierna: [naam] ), en van [naam] BV ( [naam] , hierna: [naam] ) het over het volgende eens zijn. Het festivalterrein bestaat uit grasvelden ten behoeve van recreatie, geen kruidige graszoden. De rest van het [locatie] wordt afgeschermd voor het publiek dat het festival bezoekt. De bodem op de locatie van het festival (dus onder de grasvelden) laat na afloop van het festival tot 30 centimeter diepte een sterkere mate van verdichting zien. Deze verdichting wordt rechtstreeks veroorzaakt door het gebruik van de grasvelden als festivalterrein. Het grasveld kan zich na verloop van tijd weer volledig herstellen, onder meer dankzij bepaalde (voorgeschreven) maatregelen door de bodem te bewerken of deze te vertidraineren. De bodem laat ook dieper dan 30 centimeter verdichting zien. Deze verdichting valt echter niet direct te relateren aan het gebruik van de grasvelden als festivalterrein. De mate van verdichting dieper dan 30 centimeter is namelijk ook afhankelijk van andere factoren, waaronder de waterstand, de aanwezige grondsoort(en) (bijvoorbeeld zand of klei), of de grond bewerkt wordt of niet en wat er op andere locaties in de grond gebeurt. Op basis van het tot op heden verrichte onderzoek kan over de oorzaak of oorzaken van verdichting dieper in de bodem echter geen eenduidig antwoord worden gegeven. Daarvoor is verder onderzoek noodzakelijk.

14.3

De deskundigen verschillen wel van mening over de vraag welke consequenties de onzekerheid over de oorzaken van de verdichting zou moeten hebben voor de omgevingsvergunning voor het festival. [naam] stelt zich op het standpunt dat bij deze onzekerheid over de oorzaken van de verdichting op een diepte van meer dan 30 centimeter geen omgevingsvergunning moet worden verleend, omdat het festival mogelijk tot onomkeerbare gevolgen voor de bodem leidt. [naam] stelt daar tegenover dat de kans dat het festival op een diepte van meer dan 30 centimeter tot onomkeerbare gevolgen leidt zeer klein is, gelet op de korte duur van het festival en het feit dat de toplaag zich tot nu toe ieder jaar volledig herstelt.

14.4

De rechtbank is van oordeel dat het algemeen bestuur heeft kunnen concluderen dat het festival met de huidige kennis over de bodem niet tot onomkeerbare gevolgen leidt. De rechtbank betrekt daarbij dat bodemverdichting blijkens de onderzoeken van [naam] en de verklaringen tijdens de zitting, een algemeen verschijnsel is dat in alle parken in en om [woonplaats] voorkomt. Daarnaast blijkt uit de verschillende bodemonderzoeken dat ook op andere locaties in het [locatie] , waar het festival niet plaatsvindt, bodemverdichting optreedt. [naam] stelt dat er wel een verband tussen de bodemverdichting en het festival moet zijn, maar dit wordt niet ondersteund door de metingen. Uit het onderzoek van [naam] in 2017 blijkt namelijk dat de toestand van de bodem ter plaatse van het festivalterrein zelfs enigszins verbeterd is ten opzichte van 2015. Dat duidt erop dat de bodem zich kan herstellen en de gevolgen van het festival niet onomkeerbaar zijn. Tijdens de zitting is verder door het algemeen bestuur naar voren gebracht dat het [locatie] jaarlijks door twee miljoen bezoekers wordt bezocht om daar te recreëren en dat het aantal bezoekers van het festival (20.000) gelet daarop een beperkt aandeel is van het totaal. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden geoordeeld dat het algemeen bestuur nog nader onderzoek naar de bodem had moeten (laten) uitvoeren voordat een vergunning kon worden verleend. Op basis van de aanwezige onderzoeken en wat daartegen is aangevoerd kon het algemeen bestuur concluderen dat het festival geen onomkeerbare gevolgen heeft voor de bodem.

Overige gronden

15.1

[eiseres] voert nog aan dat op de grasvelden voorheen orchideeën groeiden die daar nu niet meer terugkomen. Het algemeen bestuur heeft tijdens de zitting echter onweersproken naar voren gebracht dat het groenbeheer al jaren is gericht op het behoud van de grasvelden als grasvelden en dat alleen in de randen om de grasvelden andere begroeiing, zoals kruidenvelden en andere planten/bloemen door het beheer worden beschermd. De rechtbank is daarom van oordeel dat een causaal verband tussen het gestelde verdwijnen van de orchideeën op de grasvelden en het festival ontbreekt. Dit kan immers ook te maken hebben met het reguliere groenbeheer door het stadsdeel.

15.2

[eiseres] betoogt verder dat de aanrijroutes naar het festivalterrein tot onomkeerbare schade van de bomen en de planten in de berm leiden. [eiseres] heeft in dit verband foto’s overgelegd waarop bandensporen in het gras te zien zijn. Een nadere onderbouwing van die stelling ontbreekt. Uit de onderzoeken van [naam] blijkt niet dat sprake is van flora die niet meer voorkomt als gevolg van het festival. De rechtbank begrijpt dit zo, dat deze conclusie niet alleen ziet op het festival zelf, maar ook op de opbouw en afbraak van het festivalterrein. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

15.3

Uit de hiervoor gegeven overwegingen volgt dat niet is gebleken dat het festival leidt tot onomkeerbare schade aan de natuurwaarden of de bodem van het [locatie] . Dat betekent dat het algemeen bestuur in beginsel bevoegd was om met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank zal nu alleen nog moeten beoordelen of het algemeen bestuur in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij beoordeelt de rechtbank de belangenafweging die het algemeen bestuur heeft gemaakt.

Belangenafweging

16. Het algemeen bestuur heeft bij die belangenafweging meegenomen dat het festival één keer per jaar plaatsvindt gedurende een periode van maximaal vijftien dagen. Hierbij wordt slechts gedurende twee dagen een deel van het park geheel afgesloten voor algemeen gebruik, waarmee rekening wordt gehouden met de omwonenden die (dagelijks) van het park gebruik (willen) maken. Het algemeen bestuur heeft daar ook bij betrokken dat het [locatie] niet alleen toegankelijk is voor gebruik door de direct omwonenden, maar voor alle inwoners uit de regio Amsterdam . Daarnaast wil het stadsdeel ook meerdere doelgroepen bedienen, waaronder muziekliefhebbers, en wil het zich ook in bredere zin op de kaart zetten als een populaire locatie voor festivals, omdat dit de bewoners verbindt. Met de overlast voor omwonenden wordt verder rekening gehouden door middel van de voorschriften op het gebied van geluid en met de natuur door verschillende natuurbeschermingsmaatregelen voor te schrijven. Aangezien het festival verder niet tot onomkeerbare gevolgen voor de natuur en de bodem leidt, is de rechtbank van oordeel dat het algemeen bestuur hiermee blijk heeft gegeven van een duidelijke en evenwichtige belangenafweging, waarbij alle belangen zijn meegenomen.

Conclusie

17. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat het algemeen bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor het festival in 2015. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond. Eiseres krijgt op dit punt dus geen gelijk.

18. Voor een proceskostenveroordeling inzake het beroep tegen het bestreden besluit bestaat geen aanleiding.

Beslissing

In 16/949

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar gegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht van € 168,- voldoet.

In 16/5352

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en
mr. M.C.M. Hamer, leden,in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage juridisch kader

Algemene wet bestuursrecht

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De onder 2° bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet aangewezen categorieën van gevallen in artikel 4 van Bijlage II.

Op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking:

ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396

2 Zie de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271

3 Kamerstukken II, 2004/05, 29934, nr. 3, p. 5

4 ECLI:NL:GHDHA:2014:3021

5 Artikel 3:9, eerste lid, van de Wabo

6 Zie bijvoorbeeld de Afdeling 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7324, en 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1015

7 NvT, Staatsblad 2014, nummer 333, p. 55 en 56