Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7643

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
AMS 17/165 en AMS 17/212
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:4292, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning voor het evenement Open Air Festival 2016. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het algemeen bestuur tot de conclusie kunnen komen dat het festival niet tot onomkeerbare schade aan de natuurwaarden van het Gaasperpark of de bodem leidt. Dat betekent dat het algemeen bestuur de tijdelijke omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/53 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/165 en AMS 17/212

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2017

in zaaknummer 17/165:

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),

in zaaknummer 17/212:

[eisers] ,

[eisers] ,

[eisers] ,

[eisers] ,

[eisers]

allen te [woonplaats] ,

hierna tezamen: de Bewonersvereniging

(gemachtigde: mr. J. Rutteman),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid-Oost van de gemeente Amsterdam , verweerder

(gemachtigde: mr. R.M.E. de Vries).

Als derde-partij heeft aan de beroepen deelgenomen:

[vergunninghoudster] , te [woonplaats] , vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. M.L. Diepenhorst).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als respectievelijk de Stichting, de Bewonersvereniging, het algemeen bestuur en [naam partij] .

Procesverloop

Met het besluit van 26 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam partij] een omgevingsvergunning verleend voor het evenement Open Air Festival 2016 .

Met het besluit van 2 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van de Stichting en de Bewonersvereniging tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

De Stichting en de Bewonersvereniging hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 5 september 2017, samen met het beroep van een andere partij tegen de omgevingsvergunning voor het Open Air Festival 2015 met zaaknummer AMS 16/5352. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam gemachtigde] , bestuurder. De Bewonersvereniging heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam gemachtigde] , bestuurder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen [naam] en [naam] , projectleider ‘grote evenementen’ [naam] . [naam partij] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam] , projectmanager. Voor [naam partij] is ook verschenen [naam] , deskundige van [naam]

In het beroep met zaaknummer AMS 16/5352 doet de rechtbank vandaag afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

Achtergrond

1. Sinds 2011 vindt jaarlijks in het eerste weekend van juni het evenement Open Air Festival (hierna: het festival) plaats aan de [naam] van de [naam] in het [naam] . De Bewonersvereniging heeft last van dit festival vanwege het geluid. Zowel de Bewonersvereniging als de Stichting vrezen, kort samengevat, voor toenemende onherstelbare schade aan het park en de daar aanwezige flora en fauna. De Stichting en de Bewonersvereniging vinden daarom dat het algemeen bestuur voor dit jaarlijkse festival geen omgevingsvergunning kan en mag verlenen. Het algemeen bestuur en [naam partij] stellen dat het festival geen onomkeerbare gevolgen heeft en dat daarmee aan de voorwaarden voor vergunningverlening wordt voldaan.

De besluitvorming

2.1

[naam partij] heeft op 8 maart 2016 een aanvraag ingediend om een tijdelijke omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ (hierna: het bestemmingsplan) voor het organiseren, opbouwen, de show en het afbouwen van het festival Amsterdam Open Air 2016 in het [naam] op 3, 4 en 5 juni 2016. Hier hoort ook een festivalcamping bij. De gronden waarop het festival plaatsvindt hebben de bestemming ‘recreatie’.

2.2

Het algemeen bestuur heeft met het primaire besluit een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ter afwijking van het bestemmingsplan. Het algemeen bestuur heeft de vergunning gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Bijlage II, artikel 4, onderdeel 11, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens het algemeen bestuur is het aannemelijk dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, omdat het festival maximaal vijftien dagen duurt. Volgens de ruimtelijke afweging is het festival, kort samengevat, in overeenstemming met het ter plaatse geldende ruimtelijke beleid en met het evenementenbeleid. Daarnaast past het festival in de ambitie van de bestuurscommissie [locatie] en van de gemeente Amsterdam om de stedelijke en regionale functie van het [naam] te versterken. Omdat het festival daarnaast niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat of de aanwezige natuurwaarden, bestaan er volgens het algemeen bestuur geen ruimtelijke bezwaren om de vergunning te verlenen.

2.3

Met het bestreden besluit heeft het algemeen bestuur de verleende omgevingsvergunning gehandhaafd.

Procesbelang

3. De Stichting en de Bewonersvereniging komen op tegen de omgevingsvergunning voor het festival in 2016, dat inmiddels al heeft plaatsgevonden. Daarom moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of zij nog wel belang hebben bij deze procedure. Volgens de rechtbank is dat belang wel aanwezig. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bestaat er nog belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een vergunning voor een evenement dat al heeft plaatsgevonden, indien er een reële kans op herhaling hiervan bestaat1. Aangezien het hier om een jaarlijks terugkerend festival gaat, terwijl het algemeen bestuur en [naam partij] de intentie hebben om dit evenement ook in 2018 te laten plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat de Stichting en de Bewonersvereniging belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank.

Het wettelijke kader voor de omgevingsvergunning

4.1

Voor de bepalingen die van toepassing zijn op de verleende omgevingsvergunning verwijst de rechtbank naar de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.2

Niet in geschil is dat het festival in strijd is met de bestemming in het bestemmingsplan.

4.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid. Daardoor heeft het bestuursorgaan bij toepassing van deze bevoegdheid een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Het gebruik van een dergelijke bevoegdheid moet terughoudend door de bestuursrechter worden getoetst. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure geen eigen oordeel geeft over de vraag of het festival in 2015 in het [naam] mocht plaatsvinden, maar alleen kan en zal beoordelen of het algemeen bestuur de omgevingsvergunning hiervoor ‘in redelijkheid’ heeft kunnen verlenen.

Heeft het algemeen bestuur de omgevingsvergunning voor het festival kunnen verlenen?

5. De Bewonersvereniging heeft in het beroepschrift aangevoerd dat het algemeen bestuur ten onrechte niet heeft onderzocht of voor het festival een verklaring van geen bezwaar diende te worden gevraagd. Deze grond heeft zij tijdens de zitting desgevraagd niet gehandhaafd.

6. De Stichting en de Bewonersvereniging stellen dat de voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning onduidelijk en niet handhaafbaar zijn. In de omgevingsvergunning zelf staan helemaal geen voorschriften, maar wordt verwezen naar de daarbij behorende bijlagen. Het is volgens de Stichting en de Bewonersvereniging dus niet duidelijk aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Het algemeen bestuur heeft tijdens de zitting betoogd dat deze handelwijze in 2017 enigszins is aangepast om aan de bezwaren van de Stichting en de Bewonersvereniging tegemoet te komen. [naam partij] heeft tijdens de zitting benadrukt dat voor haar als vergunninghoudster in ieder geval wel duidelijk is aan welke voorwaarden zij dient te voldoen. De rechtbank stelt vast dat met de enkele verwijzing naar de bij de omgevingsvergunning behorende (omvangrijke) bijlagen inderdaad niet heel inzichtelijk is welke voorwaarden daaraan zijn verbonden. Deze handelwijze van het algemeen bestuur is naar het oordeel van de rechtbank echter niet onrechtmatig. Het is ook niet gebleken dat de Stichting of de Bewonersvereniging door deze handelwijze in hun belangen zijn geschaad. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Tijdelijke omgevingsvergunning

7.1

De Stichting en de Bewonersvereniging betogen dat het algemeen bestuur geen tijdelijke omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen op grond van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor, omdat het festival tot onomkeerbare gevolgen voor de natuur in het [naam] leidt. Deze beroepsgrond is ook aangevoerd in de procedure over de omgevingsvergunning voor 2015 met zaaknummer AMS 16/5352. De beroepsgronden van de verschillende eisers op dit punt zijn tijdens de zitting met instemming van alle partijen gevoegd behandeld.

7.2

Op grond van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor kan voor activiteiten, in geval van ander gebruik dan in de onderdelen 1 tot en met 10, tijdelijk van het bestemmingsplan worden afgeweken voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikelonderdeel2 blijkt dat is beoogd het toepassings-bereik hiermee te verruimen. Dat betekent dat een omgevingsvergunning op basis van de zogenoemde ‘kruimellijst’ niet meer (uitsluitend) is bedoeld voor kleine afwijkingen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt verder dat aan dit artikelonderdeel alleen toepassing kan worden gegeven als aannemelijk is dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.


Onomkeerbare schade aan de natuur?

8.1

De Stichting en de Bewonersvereniging stellen dat het algemeen bestuur onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken dat het [naam] onderdeel uitmaakt van [naam] ( [naam] ), voorheen de [naam] ( [naam] ). De Stichting wijst er daarbij op dat de ransuil uit het gebied is verdwenen. De Bewonersvereniging betoogt daarnaast dat door de enorme infrastructuur die het jaarlijkse festival met zich meebrengt, het karakter van het [naam] onherstelbaar wordt aangetast.

8.2

Uit het bestreden besluit blijkt dat het algemeen bestuur in de heroverweging heeft betrokken dat het [naam] onder het bereik van [naam] /de [naam] valt. [naam] (hierna: [naam] ) heeft in verschillende jaren onderzoek verricht naar de in het [naam] levende fauna. In 2008 is uitgebreid onderzoek gedaan naar alle voorkomende diersoorten. Hieruit is gebleken dat de enige daar voorkomende (beschermde) diersoorten die mogelijk verstoord worden door het festival de broedvogels zijn. In 2014 en 2015 is het onderzoek daarom specifiek gericht geweest op de broedvogels. Uit deze onderzoeken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er als gevolg van het festival verstoring van broedvogels of een wijziging in de aantallen en soorten broedvogels heeft plaatsgevonden. Ook vogels op nest gingen tijdens het festival door met het voeden van hun jongen. Uit het enkele feit dat de ransuil in eerdere jaren wel in het [naam] is waargenomen maar nu niet meer, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder verdere onderbouwing van de oorzaak daarvan niet de conclusie worden getrokken dat het festival daar de oorzaak van is (geweest). Dat het karakter van het [naam] onomkeerbaar verandert (verschraalt) door de infrastructuur die is gemoeid met het jaarlijks opbouwen en afbreken van het festival is ook niet met objectieve gegevens onderbouwd. De Stichting heeft in dit verband foto’s overgelegd waarop zware stalen rijplaten en bandensporen in het gras te zien zijn. Uit de onderzoeken van [naam] blijkt echter niet dat sprake is van flora die niet meer voorkomt als gevolg van het festival. De rechtbank begrijpt dit zo, dat deze conclusie niet alleen ziet op het festival zelf, maar ook op de opbouw en afbraak van het festivalterrein. Het algemeen bestuur heeft zich naar het oordeel van de rechtbank bij de besluitvorming dan ook mogen baseren op de onderzoeken van [naam] en daaruit de conclusie mogen trekken dat het festival niet tot onomkeerbare schade van de natuurwaarden van het [naam] leidt.


Onomkeerbare schade aan de bodem?

9.1

De Stichting en de Bewonersvereniging betogen ook dat het festival leidt tot onomkeerbare schade aan de bodem, omdat het festival tot bodemverdichting leidt.

9.2

Partijen hebben verschillende deskundigenrapporten over de toestand van de bodem in het [naam] overgelegd. Het algemeen bestuur beroept zich op verschillende rapporten van [naam] ; De Stichting en de Bewonersvereniging verwijzen naar onderzoeken die zijn verricht door [naam] , en [naam partij] verwijst naar onderzoeken van [naam] Tijdens de zitting is gebleken dat de deskundigen van [naam] ( [naam] , hierna: [naam] ), en van [naam] ( [naam] , hierna: [naam] ) het over het volgende eens zijn. Het festivalterrein bestaat uit grasvelden ten behoeve van recreatie, geen kruidige graszoden. De rest van het [naam] wordt afgeschermd voor het publiek dat het festival bezoekt. De bodem op de locatie van het festival (dus onder de grasvelden) laat na afloop van het festival tot 30 centimeter diepte een sterkere mate van verdichting zien. Deze verdichting wordt rechtstreeks veroorzaakt door het gebruik van de grasvelden als festivalterrein. Het grasveld kan zich na verloop van tijd weer volledig herstellen, onder meer dankzij bepaalde (voorgeschreven) maatregelen door de bodem te bewerken of deze te vertidraineren. De bodem laat ook dieper dan 30 centimeter verdichting zien. Deze verdichting valt echter niet direct te relateren aan het gebruik van de grasvelden als festivalterrein. De mate van verdichting dieper dan 30 centimeter is namelijk ook afhankelijk van andere factoren, waaronder de waterstand, de aanwezige grondsoort(en) (bijvoorbeeld zand of klei), of de grond bewerkt wordt of niet en wat er op andere locaties in de grond gebeurt. Op basis van het tot op heden verrichte onderzoek kan over de oorzaak of oorzaken van verdichting dieper in de bodem echter geen eenduidig antwoord worden gegeven. Daarvoor is verder onderzoek noodzakelijk.

9.3

De deskundigen verschillen wel van mening over de vraag welke consequenties de onzekerheid over de oorzaken van de verdichting zou moeten hebben voor de omgevingsvergunning voor het festival. [naam] stelt zich op het standpunt dat bij deze onzekerheid over de oorzaken van de verdichting op een diepte van meer dan 30 centimeter geen omgevingsvergunning moet worden verleend, omdat het festival mogelijk tot onomkeerbare gevolgen voor de bodem leidt. [naam] stelt daar tegenover dat de kans dat het festival op een diepte van meer dan 30 centimeter tot onomkeerbare gevolgen leidt zeer klein is, gelet op de korte duur van het festival en het feit dat de toplaag zich tot nu toe ieder jaar volledig herstelt.

9.4

De rechtbank is van oordeel dat het algemeen bestuur heeft kunnen concluderen dat het festival met de huidige kennis over de bodem niet tot onomkeerbare gevolgen leidt. De rechtbank betrekt daarbij dat bodemverdichting blijkens de onderzoeken van [naam] en de verklaringen tijdens de zitting een algemeen verschijnsel is dat in alle parken in en om Amsterdam voorkomt. Daarnaast blijkt uit de verschillende bodemonderzoeken dat ook op andere locaties in het [naam] , waar het festival niet plaatsvindt, bodemverdichting optreedt. [naam] stelt dat er wel een verband tussen de bodemverdichting en het festival moet zijn, maar dit wordt niet ondersteund door de metingen. Uit het onderzoek van [naam] in 2017 blijkt namelijk dat de toestand van de bodem ter plaatse van het festivalterrein zelfs enigszins verbeterd is ten opzichte van 2015. Dat duidt erop dat de bodem zich kan herstellen en de gevolgen van het festival niet onomkeerbaar zijn. Tijdens de zitting is verder door het algemeen bestuur naar voren gebracht dat het [naam] jaarlijks door twee miljoen bezoekers wordt bezocht om daar te recreëren en dat het aantal bezoekers van het festival (20.000) gelet daarop een beperkt aandeel is van het totaal. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden geoordeeld dat het algemeen bestuur nog nader onderzoek naar de bodem had moeten (laten) uitvoeren voordat een vergunning kon worden verleend. Op basis van de aanwezige onderzoeken en wat daartegen is aangevoerd kon het algemeen bestuur concluderen dat het festival geen onomkeerbare gevolgen heeft voor de bodem.

9.5

Uit de hiervoor gegeven overwegingen volgt dat niet is gebleken dat het festival leidt tot onomkeerbare schade aan de natuurwaarden of de bodem van het [naam] . Dat betekent dat het algemeen bestuur in beginsel bevoegd was om met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen.


Strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland?

10. De Stichting stelt dat het festival in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (de PRV). Uit artikel 19, eerste lid, onder c, van de PRV blijkt dat van de gebieden die onder de [naam] vallen de bestemming niet onomkeerbaar mag worden belemmerd en de wezenlijke kenmerken en waarden niet significant mogen worden aangetast. Evenals in artikel 4, onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor is onomkeerbaarheid van de situatie het criterium. Nu het festival – zoals onder 9.5 is overwogen – niet tot onomkeerbare schade aan de natuurwaarden of de bodem van het [naam] leidt, zijn er ook geen aanknopingspunten dat het festival tot significante en een wezenlijke aantasting van het park zal leiden.

Kosten herstel

11.1

De Bewonersvereniging voert verder aan dat het herstellen van de schade aan het park hoge kosten met zich brengt.

11.2

In artikel 8:69a van de Awb is het zogeheten relativiteitsvereiste neergelegd. Het relativiteitsvereiste houdt in dat een betrokkene zich alleen op een bepaalde geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel kan beroepen, als deze regel of dit beginsel ook beoogt zijn/haar belangen te beschermen. De kosten van herstel van het [naam] komen ten laste van [naam partij] en niet ten laste van de Bewonersvereniging of het algemeen bestuur (gemeenschapsgeld). Naar het oordeel van de rechtbank is het voorkomen van eventuele kosten (voor [naam partij] ) dan ook niet bedoeld om het belang van de Bewonersvereniging te beschermen. Deze beroepsgrond kan dus alleen al vanwege het relativiteitsvereiste niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en wordt daarom niet inhoudelijk beoordeeld.

Advies van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur

12.1

De Stichting betoogt dat het algemeen bestuur de omgevingsvergunning heeft verleend zonder advies te vragen aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (de TAC). Volgens de Stichting is in de Verordening Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (de Verordening) dwingend voorgeschreven dat de TAC advies uitbrengt over alle initiatieven die van invloed zijn op de Hoofdgroenstructuur van de gemeente Amsterdam .

12.2

In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat de TAC tot taak heeft om advies uit te brengen aan het college over de inpasbaarheid van initiatieven in de Hoofdgroenstructuur van de gemeente Amsterdam . Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze taakomschrijving geen verplichting van het algemeen bestuur om ieder initiatief aan de TAC voor te leggen. In Hoofdstuk 5 van de Structuurvisie Amsterdam 2040 (de Structuurvisie) staat dat de TAC alle plannen van de stad aan onderstaande beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur toetst die aan burgemeester en wethouders ter besluitvorming of ter advisering worden voorgelegd en dat zij burgemeester en wethouders adviseert wanneer zij dit nodig acht. Naar het oordeel van de rechtbank wordt ook in de Structuurvisie alleen een bevoegdheid geschapen. Uit die Structuurvisie volgt namelijk geen verplichting voor het algemeen bestuur om aan de TAC advies te vragen. Het algemeen bestuur mag de TAC wel om advies vragen als hij dat nodig vindt. Dat betekent dat het algemeen bestuur in beginsel bevoegd was om de tijdelijke omgevingsvergunning ook zonder advies van de TAC te verlenen.

Belangenafweging

13.1

De rechtbank zal nu alleen nog moeten beoordelen of het algemeen bestuur in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij beoordeelt de rechtbank de belangenafweging die het algemeen bestuur heeft gemaakt.

13.2

Het algemeen bestuur heeft bij die belangenafweging meegenomen dat het festival één keer per jaar plaatsvindt gedurende een periode van maximaal vijftien dagen. Hierbij wordt slechts gedurende twee dagen een deel van het park geheel afgesloten voor algemeen gebruik, waarmee rekening wordt gehouden met de omwonenden die (dagelijks) van het park gebruik (willen) maken. Het algemeen bestuur heeft daar ook bij betrokken dat het [naam] niet alleen toegankelijk is voor gebruik door de direct omwonenden, maar voor alle inwoners uit de regio Amsterdam . Daarnaast wil het stadsdeel ook meerdere doelgroepen bedienen, waaronder muziekliefhebbers, en wil het zich ook in bredere zin op de kaart zetten als een populaire locatie voor festivals, omdat dit de bewoners verbindt. Met de overlast voor omwonenden wordt verder rekening gehouden door middel van de voorschriften op het gebied van geluid. Met de natuur wordt rekening gehouden door verschillende natuurbeschermingsmaatregelen voor te schrijven. Aangezien het festival verder niet tot onomkeerbare gevolgen voor de natuur en de bodem leidt, is de rechtbank van oordeel dat het algemeen bestuur hiermee blijk heeft gegeven van een duidelijke en evenwichtige belangenafweging, waarbij alle belangen zijn meegenomen.


Conclusie

14. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat het algemeen bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor het festival in 2016. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en
mr. M.C.M. Hamer, leden,in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Burgers kunnen ook digitaal beroep indienen. Dat kan alleen via het speciale digitale loket dat u op de homepage van de website van de Raad van State vindt (www.raadvanstate.nl). Om toegang te krijgen tot het digitale loket moet u beschikken over DigiD. Binnen het loket volgt u de instructies en vult u de formulieren in. Deze kunt u dan digitaal verzenden. Bijlagen levert u eveneens digitaal aan via het loket.

Let op: u kunt geen beroep instellen per e-mail.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage juridisch kader

Algemene wet bestuursrecht

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De onder 2° bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet aangewezen categorieën van gevallen in artikel 4 van Bijlage II.

Op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking:

ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV)

In artikel 19, eerste lid, onder c, van de PRV is bepaald dat voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als Ecologische Hoofdstructuur en als Ecologische Verbindingszone geldt dat een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone significant aantasten.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396

2 NvT, Staatsblad 2014, nummer 333, blz. 55 en 56