Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7633

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
EA VERZ 17-670
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, (geen) stilzwijgende verlenging, aanzegging tegen verkeerde datum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5373
AR-Updates.nl 2017-1262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht – team kanton

zaaknummer: 6167951 EA VERZ 17-670

beschikking van: 4 oktober 2017

func.: 364

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekster, nader te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. C.M. Schraa (ARAG Rechtsbijstand)

t e g e n

de besloten vennootschap APF International B.V.

gevestigd te Amsterdam

verweerster, nader te noemen: APF

gemachtigde: mr. J. Tsiris

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan, primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen, subsidiair om APF te veroordelen een billijke vergoeding te betalen, met nevenvorderingen. Daarnaast heeft [verzoekster] verzocht een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding. APF heeft op 4 september 2017 een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft APF nog een productie ingediend.

Op 14 september 2017 is de zaak mondeling behandeld. [verzoekster] is verschenen met haar gemachtigde. Namens APF is verschenen [naam 1] , bestuurder, met de gemachtigde en mr. W. Schilstra. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota naar voren gebracht en zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.

Beschikking is bepaald op heden.

Feiten

1.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1985, is op [datum] 2016 in dienst getreden bij APF als [functie] , met een salaris van € 3.900,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

1.2.

In de arbeidsovereenkomst is onder meer opgenomen:
De arbeidsovereenkomst wordt in beginsel aangegaan voor een periode tot eind 2016. In de maand december 2016 treden werkgever en werknemer in overleg over continuatie van de overeenkomst.

1.3.

Op 18 november 2016 en 5 december 2016 hebben (onder andere) [naam 1] en [verzoekster] gesprekken gevoerd.

1.4.

Bij e-mail van 30 mei 2017 heeft [naam 1] namens APF aan [verzoekster] geschreven:
In december vorig jaar hebben wij besproken dat we jouw contract met een half jaar zouden verlengen tot 30 juni 2017. (..)
Na een periode van 5 maanden sinds die tijd is onze conclusie dat we je geen nieuw contract aanbieden en dat we onze werkrelatie derhalve beëindigen per 30 juni 2017. (..)

1.5.

[verzoekster] heeft op de e-mail gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat zij – kort gezegd – een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en de beëindiging niet kon aanvaarden. Partijen hebben hierover gecorrespondeerd.

1.6.

[verzoekster] is na 30 mei 2017 niet op het werk verschenen totdat APF haar op 7 juni 2017 heeft opgeroepen voor de werkzaamheden. [verzoekster] heeft op 8 juni 2017 haar werkzaamheden hervat.

1.7.

Bij e-mail van 12 juni 2017 is [verzoekster] per direct op non actief gesteld. Vanaf die datum heeft [verzoekster] niet meer voor APF gewerkt.

1.8.

APF heeft het dienstverband afgerekend per 30 juni 2017 en het loon tot die datum voldaan.


Het geschil

2. [verzoekster] verzoekt de kantonrechter:
primair:
a. de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen;
b. APF te verplichten [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van de beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, een en ander op straffe van een dwangsom;
c. APF te veroordelen tot betaling van het salaris vanaf 1 juli 2017 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;
subsidiair:
d. APF te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding;
e. een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen;
primair en subsidiair:
e. APF te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip
van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
f. APF te veroordelen in de proceskosten.
Verder verzoekt [verzoekster] bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding APF te veroordelen tot betaling van het salaris tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en [verzoekster] in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, een en ander op straffe van een dwangsom.

3. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2016 stilzwijgend is verlengd tot 6 juni 2017, waarna de arbeidsovereenkomst opnieuw stilzwijgend is verlengd tot 10 november 2017. [verzoekster] heeft nimmer ingestemd met beëindiging van het dienstverband en evenmin heeft APF toestemming verkregen van het UWV om de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door APF moet dan ook vernietigd worden. Met betrekking tot de spoedeisendheid stelt [verzoekster] dat zij voor haar levensonderhoud afhankelijk is van haar loon en dat zij sinds 1 juli 2017 geen loon meer ontvangt. Subsidiair stelt [verzoekster] dat een billijke vergoeding van vijf maandsalarissen op zijn plaats is, gezien het feit dat APF de arbeidsovereenkomst zonder instemming of toestemming heeft opgezegd en heeft getracht de feiten te verdraaien.

4. APF voert hiertegen – samengevat – aan dat uit alle feiten en omstandigheden blijkt dat het de bedoeling van partijen is geweest de arbeidsovereenkomst na 31 december 2016 te verlengen voor een periode van zes maanden en dat de arbeidsovereenkomst derhalve van rechtswege is geëindigd op 30 juni 2017. In ieder geval is volgens APF geen sprake van stilzwijgende verlenging. In het geval daarvan niettemin wordt uitgegaan en de arbeidsovereenkomst na 31 december 2016 stilzwijgend is verlengd voor de duur van vijf maanden en vijf dagen, dan is de arbeidsovereenkomst alsnog op 30 juni 2017 van rechtswege geëindigd, nu APF in de e-mail van 30 mei 2017 duidelijk heeft meegedeeld de arbeidsovereenkomst niet te willen verlengen. APF verweert zich voorts tegen de subsidiaire verzoeken en de gevraagde voorlopige voorziening. APF voert aan dat de gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn dan wel in hoogte niet juist zijn.

Beoordeling

5. Partijen verschillen van mening over de inhoud van de gesprekken van 18 november 2016 en 5 december 2016, in welke gesprekken volgens [verzoekster] niet en volgens APF wel over verlenging van de arbeidsovereenkomst is gesproken.

6. De precieze inhoud van de gesprekken kan echter in het midden blijven. Immers, ook wanneer wordt uitgegaan van een stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2016 tot 6 juni 2017, kan niet gezegd worden dat de arbeidsovereenkomst per 6 juni 2017 stilzwijgend is verlengd. APF heeft [verzoekster] bij
e-mail van 30 mei 2017 onomwonden laten weten dat de arbeidsovereenkomst (in ieder geval) na 30 juni 2017 niet werd verlengd. Voor zover de betreffende e-mail niet een aanzegging ex artikel 7: 668 lid 1 BW is geweest voor een per 1 januari 2017 met zes maanden verlengde arbeidsovereenkomst, moet deze worden beschouwd als een aanbod de arbeidsovereenkomst te verlengen tot 30 juni 2017, waarbij tegelijkertijd duidelijk is gemaakt dat de arbeidsovereenkomst vervolgens niet (nogmaals) zou worden verlengd. Dit aanbod heeft [verzoekster] aanvaard door ook na 6 juni 2017 nog werkzaamheden te verrichten voor APF. [verzoekster] heeft daarbij, gelet op de e-mail van 30 mei 2017, redelijkerwijs niet kunnen of mogen begrijpen dat haar dienstverband na 30 juni 2017 zou worden voortgezet.

7. Het dienstverband is gezien het voorgaande per 30 juni 2017 van rechtswege geëindigd. Dat betekent dat zowel de primaire als de subsidiaire verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen en dat ook de voorlopige voorziening niet toewijsbaar is.

8. De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van APF tot op heden begroot op
€ 400,- voor salaris van de gemachtigde, inclusief eventueel verschuldigde btw;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van een bedrag van € 50,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [verzoekster] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter en op 4 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter