Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7632

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
KK EXPL 17-960 / KK EXPL 17-985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding; Sluiting café Amsterdam wegens overtreding artikel 13b Opiumwet. Huurovereenkomst deswege buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 6:267 jo 7:231 lid 2 BW.

Voldoende spoedeisend belang bij gevorderde ontruiming op grond van uitblijven huurbetaling en imago- en leegstandsschade. Sluiting levert een rechtsvermoeden op van de juistheid van de buitengerechtelijke ontbinding. Marginale toets: slechts wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het sluitingsbevel níet in stand blijft, ontruiming weigeren. In casu bezwaar gegrond op gestelde onjuiste aanname in bestuurlijke rapportage, die op haar beurt weer gebaseerd was op ambtsedige PV’s (betreffende de vraag of aangehouden personen zich kort daarvoor in het café hadden opgehouden). Onvoldoende grond om onjuistheid sluitingsbevel voorshands aan te nemen. Ontruiming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers: 6307387 KK EXPL 17-960 en 6316903 KK EXPL 17-985

vonnis van: 2 oktober 2017

func.: 34109

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e--- de hoofdzaak ---

1. [eiser sub 1]

2. [eiser sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

3. [eiser sub 3]

wonende te [woonplaats]

eisers

nader te noemen in enkelvoud: [eisers gezamenlijk]

gemachtigde: mr. N. van Tamelen

t e g e n

1 [gedaagde sub 1]

wonende op een geheim adres

gedaagde,
nader te noemen: [gedaagde sub 1]

gemachtigde: mr. J.T.P. Koenis

2 [gedaagde sub 2] h.o.d.n. [gedaagde sub 2]
wonende te [woonplaats]

gevoegd aan de zijde van gedaagde,
nader te noemen: [gedaagde sub 2]
gemachtigden: mr. E. Speich en mr. M. Kashyap

e n --- de vrijwaring ---

[gedaagde sub 1]

wonende op een geheim adres

eiseres in vrijwaring
nader te noemen: [gedaagde sub 1]

gemachtigde: mr. J.T.P. Koenis

t e g e n

[gedaagde sub 2] h.o.d.n. [gedaagde sub 2]
wonende te [woonplaats]

gedaagde in vrijwaring
nader te noemen: [gedaagde sub 2]
gemachtigden: mr. E. Speich en mr. M. Kashyap


VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 13 september 2017 heeft [eisers gezamenlijk] een voorziening gevorderd in de hoofdzaak en bij dagvaarding van 18 september 2017 heeft [gedaagde sub 1] in vrijwaring gevorderd dat [gedaagde sub 2] zal worden veroordeeld tot al hetgeen waartoe zij, [gedaagde sub 1] , in de hoofdzaak zal worden veroordeeld.

Ter zitting van 25 september 2017 heeft de mondelinge behandeling van de hoofdzaak plaatsgevonden gelijktijdig met de behandeling van het kort geding in vrijwaring. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde sub 2] nog de volgende stukken in het geding gebracht:
- brief van 22 september 2017 houdende het verzoek van [gedaagde sub 2] om zich als gedaagde te mogen voegen in het geding tussen [eisers gezamenlijk] en [gedaagde sub 1] ;

- producties 1 tot en met 5.
De gemachtigde van [eisers gezamenlijk] heeft bij brief van 21 september 2017 nog de producties 15 tot en met 17 in het geding gebracht.

Op de dag van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [gedaagde sub 2] nog producties gefaxt naar de rechtbank en de gemachtigden van [gedaagde sub 1] en [eisers gezamenlijk] . Deze laatsten hadden de producties ten tijde van de aanvang van de mondelinge behandeling niet ontvangen en de gemachtigde van [eisers gezamenlijk] maakt bezwaar. Gelet op het bepaalde in het Procesreglement Kort Geding dienen nadere stukken uiterlijk 24 uur voor aanvang van de zitting bij de rechtbank en de overige partijen aanwezig te zijn. Nu dit ten aanzien van deze laatste producties niet het geval was en er bezwaar wordt gemaakt, worden deze producties niet toegestaan.

[eisers gezamenlijk] is verschenen bij haar gemachtigde, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn verschenen met hun respectieve gemachtigden. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

Nadat [eisers gezamenlijk] en [gedaagde sub 1] zich gerefereerd hadden aan het oordeel van de voorzieningen- rechter ten aanzien van het verzoek van [gedaagde sub 2] om zich in de hoofdzaak te voegen als gedaagde partij, is dit verzoek toegewezen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.


[eisers gezamenlijk] heeft in mei 2015 in eigendom verworven de bedrijfsruimte aan de [adres] , hierna “het gehuurde”. Dit pand maakt deel uit van een blok aan de [straat] en de [straat] dat in eigendom toebehoort aan [eisers gezamenlijk] .

1.2.


[gedaagde sub 1] heeft als rechtsopvolger van [naam 1] , die sinds 1982 huurder was, de huurovereenkomst ten aanzien van het gehuurde voortgezet. [gedaagde sub 1] heeft met toestemming van [eisers gezamenlijk] , het gehuurde vanaf eind 2015 onderverhuurd aan [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] exploiteert in het gehuurde een café onder de naam [café] .

1.3.

[eisers gezamenlijk] heeft de huurovereenkomst met [gedaagde sub 1] opgezegd bij brief van 23 februari 2016 tegen 1 maart 2017 op grond van – samengevat – het feit dat de bedrijfsvoering door [gedaagde sub 2] niet is zoals een goed huurder betaamt (slecht onderhoud van het gehuurde en het veroorzaken van overlast), dringend eigen gebruik en de belangenafweging. Tussen [eisers gezamenlijk] en [gedaagde sub 1] is een bodemprocedure strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst aanhangig onder nummer 5403382 CV EXPL 16-28715, waarin thans na dupliek verhinderdata zijn opgevraagd voor het plannen van een comparitie.

1.4.


Deurwaarder E.G.J. Willems, verbonden aan Groot & Evers, heeft bij proces-verbaal van 3 augustus 2017 het volgende verklaard:
“Vandaag (…) heb ik mij begeven naar en omstreeks 15.30 bevonden op het adres ter hoogte van de [adres] , om aldaar enkele verklaringen op te nemen van diverse buurtbewoners omtrent enig overlast dat zij ervaren vanuit café [café] hetgeen gevestigd zit op de [adres] .

alle personen deelden mij mede dat zij bang zijn om met naam te verklaren, zij wilden slechts anoniem verklaren;

alle personen zijn door mij geïdentificeerd als ofwel een omwonende ofwel een gebruiker van een zeer nabij gelegen bedrijfsruimte;

alle personen verklaarden dat de situatie onveranderd is ten opzichte van de verklaringen die zij op 11 april 2017 hebben afgelegd, er hangt nog steeds een rook/wietlucht die door de muur heen komt en er staan nog regelmatig veel scooters op de stoep met daarbij behorende “hangjongeren” die veel overlast veroorzaken en er staan veel (bier)blikjes voor de deur en moet men jongeren verzoeken om aan de kant te gaan omdat men anders de bedrijfsruimte/woningen niet kan betreden;

de gebruikers van de bedrijfsruimten hebben verklaard dat de overlast tot een punt is gekomen dat er tevens diverse klachten van klanten zijn binnen gekomen en tevens vanuit personeel dat hier dagelijks last van heeft waaronder hoofdpijn en misselijkheid. (….)”

1.5.


Deurwaarder Willems, voornoemd, heeft bij proces-verbaal van 4 augustus 2017

– samengevat – verklaard dat hij op die datum in het gehuurde aanwezig was en zag dat op enig moment een man het café binnen kwam die aan diverse andere mannen kleine plastic zakjes uitdeelde welke volgens de deurwaarder zakjes met wiet waren.

1.6.


De bedrijfsruimte in het gehuurde is bij bevel van 29 augustus 2017 onmiddellijk voor onbepaalde tijd gesloten door de Burgemeester van Amsterdam op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In het Bevel tot Sluiting is het volgende vermeld:
“(…) Op grond van artikel 13b van de Opiumwet
De publiek toegankelijke inrichting café/bar/discotheek [café] aan de [adres] wordt onmiddellijk gesloten voor onbepaalde tijd (…)
Overwegingen
Harddrugs staan vermeldt op Lijst I behorende bij de Opiumwet. (…)
Handel, gebruik en aanwezigheid van drugs hebben een nadelig effect op de openbare orde. (…) Tevens is het een feit van algemene bekendheid dat organisaties die zich bezig houden met de handel in drugs geweld niet schuwen. De politie geeft in het rapport van 9 augustus 2017 aan dat de indruk wordt gewekt dat de exploitanten faciliteren bij criminele activiteiten door het aantal personen met antecedenten die de zaak frequenteert en dit levert een gevaar op voor de rechtsorde en heeft negatieve gevolgen voor de veiligheidsgevoelens van omwonenden en ondernemers in de buurt.
Verzwarende omstandigheid zijn de overlast gevende en intimiderende gedragingen van de – veelal criminele – bezoekers van [café] jegens de buurt en de angst die dit teweeg brengt. Dit blijkt uit het rapport van de politie en dat wordt ondersteund door de rapporten van de deurwaarder die nadien zijn ontvangen. (…)”

1.7.


In de Bestuurlijke Rapportage Café [café] van de Politie, gedateerd 9 augustus 2017, is het volgende vermeld:
“Aanleiding
Op 28 januari 2016 is er door de politie een reguliere vergunningscontrole geweest bij café [café] door geüniformeerde politie agenten.

Omdat het ambtshalve bekend is dat er in café [café] veel Top-600 subjecten verblijven is er voor de controle op café [café] zicht gehouden door onopvallend geklede politie agenten. Door deze (…) is gezien dat er twee personen uit café [café] kwamen en zenuwachtig stonden te bellen. Eén van deze personen heeft een voorwerp neergelegd op een richel in een portiek en beide personen zijn weer terug café [café] in gegaan. Dit voorwerp is veilig gesteld en bevatte drie wikkels harddrugs. Deze wikkels zijn vervolgens getest bij de FO en hieruit is gebleken dat deze wikkels cocaïne bevatte.

Tevens zijn er bij verschillende controles in de periode van april 2016 tot en met heden door politie agenten personen gezien welke voorheen bij de Piet Mondriaan groep behoorden. De Piet Mondriaan groep is een criminele jeugdgroep die zich vooral bezig houdt met (bedrijfs)inbraken, straatroven en drugshandel. (…)

Op vrijdag 12 mei, vrijdag 12 juli en donderdag 20 juli 2017 zijn er 3 dynamische controles geweest op café [café] . (…)

Vrijdag 14 juli 2017
Tussen 20.00 uur en 23.00 controle gehouden. Hierbij zijn 2 personen gecontroleerd en 8 kentekens genoteerd. Door een politieagent in burger is gezien dat er binnen in café [café] een pakketje heimelijk is over gegaan tussen personen. De personen die dit pakketje aangenomen hadden zijn bij buitenkomst staande gehouden door geüniformeerde politie agenten. Deze hebben bij de doorzoeking van hun scooter het bewuste pakketje gevonden welke heimelijk was over gegaan in cafe [café] . In dit pakketje zaten 94 XTC pillen en 10 ponypacks met cocaïne. Naast deze verdovende middelen zijn er ook inbrekersgereedschap en meerdere prepaid telefoons aangetroffen. De aanwezigheid van meerdere prepaid telefoons is ons ambtshalve bekend voor handelaren in verdovende middelen. Tevens zijn er bij de fouillering van een van de aangehouden personen nog 4 XTC pillen gevonden. Deze zijn door Forensische Opsporing van de politie positief getest op mdma en cocaïne. Beide personen worden vervolgd voor bezit dan wel handel in verdovende middelen lijst I van de Opiumwet. (…)
Uit de door het laboratorium opgestelde rapportage is gebleken dat de onderzochte goederen daadwerkelijk verboden middelen zijn zoals genoemd op lijst 1 van de Opiumwet.

-De 94 XTC pillen zijn positief getest op MDMA
-De inhoud van de 10 ponypacks zijn positief getest op cocaïne met een totaal inhoud van 3,99 gram

-De 4 XTC pillen zijn positief getest op MDMA”

1.8.


In het Sluitings- en heropeningsbeleid met betrekking tot artikel 13b van de Opiumwet en artikel 2.7 van de APV (thans artikel 2.10 APV) zoals gepubliceerd op 4 mei 2005, Gemeenteblad nr 223, afd. 3A, nr 96, is het volgende vermeld:

“Bij de beoordeling of bestuursdwang zal worden toegepast in het kader van artikel 13b Opiumwet moet er sprake zijn van het verkopen, verstrekken, afleveren dan wel daartoe aanwezig van hard drugs. Bij de beoordeling van die vraag gaat de burgemeester uit van de eerder vermelde richtlijnen van de Procureurs-generaal van 1 oktober 1996.

Volgens de richtlijnen kan strafrechtelijk optreden van het OM worden verwacht als iemand meer dan 0,5 gr aan hard drugs bij zich heeft, of als iemand minder dan 0,5 gr bij zich heeft, maar er sprake is van een dealerindicatie.

De burgemeester sluit een inrichting in de volgende situaties:

(…)

- er wordt tussen de 0,5 gr en 5 gr aangetroffen, dan kunnen in ieder geval de onderstaande indicatoren een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van handel;

(…)

De eerdergenoemde indicatoren zijn de volgende:

– de hoeveelheid aangetroffen drugs;

– de wijze waarop de aangetroffen drugs zijn verpakt;

– aantreffen handelsgeld op een persoon;

– persoon staat als dealer bekend bij de politie;

– verklaringen van gebruikers, omwonenden, dealers, getuigen e.d.;

– eventuele politieobservaties in/rondom de inrichting;

– overige feiten en omstandigheden van het geval.

1.9.


[eisers gezamenlijk] heeft bij brief van 30 augustus 2017 met bijvoeging van het sluitingsbevel, aan [gedaagde sub 1] laten weten dat zij met ingang van diezelfde datum de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt op grond van artikel 6:267 jo 7:231 lid 2 BW. Zij heeft [gedaagde sub 1] gesommeerd om het gehuurde uiterlijk op 31 augustus 2017 leeg en ontruimd op te leveren, bij gebreke waarvan een kort geding geëntameerd zou worden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

1.10.

De gemeente Amsterdam heeft bij e-mail van 5 september 2017 aan de gemachtigde van [eisers gezamenlijk] laten weten dat indien nodig toestemming zal worden gegeven voor tijdelijke betreding in verband met ontruiming.

1.11.


[gedaagde sub 2] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 19 september 2017 de Burgemeester van de gemeente Amsterdam verzocht om heropening van het café. Ter zitting heeft [gedaagde sub 2] medegedeeld bezwaar te hebben gemaakt tegen het sluitingsbevel.


Vordering en verweer


In de hoofdzaak
2.1.
In het petitum van de dagvaarding is onder 1 de vermelding van het gehuurde weggelaten, hetgeen naar de voorzieningenrechter aanneemt berust op een kennelijke omissie. Uit het lichaam van de dagvaarding is voldoende duidelijk dat bedoeld wordt ontruiming te vorderen van het gehuurde aan de [adres] .

2.2.


[eisers gezamenlijk] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. [gedaagde sub 1] zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het vonnis het gehuurde aan de [adres] leeg en ontruimd aan eisers op te leveren met medeneming van al het hare en de haren en onder afgifte van de sleutels, alles in overeenstemming met de contractuele en wettelijke verplichtingen dienaangaande met machtiging aan eisers om de ontruiming zo nodig zelf (in de zin van art. 556 Rv) te doen bewerkstelligen;

  2. [gedaagde sub 1] zal veroordelen om zo nodig bij wege van (voorschot op) schadevergoeding, aan eisers te betalen de overeengekomen huur ad € 1.104,97 per maand voor iedere maand of gedeelte daarvan dat het gehuurde niet overeenkomstig 1) ter beschikking van eisers staat, te rekenen vanaf 1 september 2017, alles vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag dat alles is voldaan;

  3. [gedaagde sub 1] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.

2.3.

Gedaagden hebben verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna zal worden in gegaan.

In de vrijwaring

2.4.


[gedaagde sub 1] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

4. [gedaagde sub 2] zal veroordelen tot al hetgeen waartoe zij, [gedaagde sub 1] , in de hoofdzaak jegens [eisers gezamenlijk] veroordeeld zal worden;

5. [gedaagde sub 2] te veroordelen in de proceskosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

2.5.


[gedaagde sub 2] heeft verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna zal worden ingegaan.


Beoordeling

3.1.


In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van partijen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

Spoedeisend belang

3.2.

Gedaagden hebben in de eerste plaats aangevoerd dat [eisers gezamenlijk] geen spoedeisend belang heeft bij de vordering tot ontruiming nu in de bodemprocedure tussen partijen ook ontbinding en ontruiming is gevorderd. Deze zaak staat voor dagbepaling comparitie, waarbij op 18 september 2017 verhinderdata zijn opgevraagd bij partijen voor de periode tot en met december 2017.

3.3.

Vast staat dat de huur voor de maand september 2017 niet is voldaan, terwijl gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] bereid zijn zekerheid te stellen voor huurbetaling in afwachting van de uitkomst van een eventuele bestuursrechtelijke procedure betreffende de geldigheid van het sluitingsbevel.

3.4.

[eisers gezamenlijk] heeft voorts aangevoerd dat de sluiting op last van de burgemeester haar imago schade oplevert omdat zij als verhuurder op die wijze wordt geassocieerd met criminele activiteiten, dat zij de sluiting pas kan beëindigen wanneer zij een nieuwe huurder presenteert aan de gemeente hetgeen zij pas kan doen na ontruiming en tenslotte dat leegstand schadelijk is voor de (beleggings)waarde van het pand omdat het object te lijden heeft onder verpaupering en vandalisme. Dat dit laatste ook feitelijk een reëel risico is blijkt uit het verslag van tijdelijke betreding op 15 september 2017 dat door [eisers gezamenlijk] is overgelegd, en waaruit – samengevat – blijkt dat ondanks het feit dat het pand was dicht getimmerd door de politie, er was ingebroken en het gehuurde overhoop was gehaald.

3.5.

Met voornoemde feiten en omstandigheden is het spoedeisend belang gegeven, en dient het belang van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten hiervoor te wijken, mede gelet op het feit dat een uitspraak in de bodemzaak op zijn vroegst eind 2017 verwacht kan worden.

De gevorderde ontruiming

3.6.

In een kort geding als het onderhavige dient de voorzieningenrechter een marginale toets uit te voeren met betrekking tot de vraag of in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW terecht heeft plaats gevonden. Het feit dat het gehuurde is gesloten door de Burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet, levert een rechtsvermoeden op van de juistheid van de buitengerechtelijke ontbinding. Voornoemde marginale toets houdt in dat (slechts) wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat in een eventuele bestuursrechtelijke procedure zal blijken dat het sluitingsbevel en de daarop gebaseerde ontbinding van de huurovereenkomst niet in stand kunnen blijven, de gevorderde ontruiming geweigerd dient te worden.

3.7.

Ingevolge artikel 13b Opiumwet kan de Burgemeester tot sluiting overgaan onder meer indien – samengevat – in een lokaal als het gehuurde dan wel op een daarbij behorend erf, sprake is van handel in middelen die vermeld staan op Lijst I behorende bij de Opiumwet. XTC en Cocaïne staan op lijst I. In de bestuurlijke rapportage van 9 augustus 2017 is – samengevat – vermeld dat op 28 januari 2016 hard drugs zijn aangetroffen bij een persoon direct nadat deze uit café [café] kwam, terwijl op 14 juli 2017 eerst door een agent in burger in café [café] is gezien dat een pakketje heimelijk is over gegeven, terwijl vervolgens “de personen die dit pakketje aangenomen hadden, bij buitenkomst staande zijn gehouden” (cursivering voorzieningenrechter). Het bewuste pakketje bleek na laboratorium onderzoek 94 XTC pillen en in totaal 3,99 gram cocaïne te bevatten. De bestuurlijke rapportage is opgemaakt op basis van op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politie mutaties en andere openbare bronnen.

3.8.


Overeenkomstig het Sluitings- en heropeningsbeleid met betrekking tot artikel 13b van de Opiumwet zoals hierboven weergegeven, wordt de gemeentelijke afweging of sprake is van - samengevat - “handel”, gemaakt op basis van de hoeveelheid aangetroffen harddrugs in combinatie met een aantal indicatoren. Bij het aantreffen van meer dan 5 gram spelen die indicatoren geen rol meer en wordt het bedrijf sowieso gesloten. In het onderhavige geval is op 14 juli 2017 3,99 gram cocaïne aangetroffen en een hoeveelheid van 98 XTC pillen. Voor zover daarmee al niet zou zijn voldaan aan het criterium van 5 gram of meer harddrugs, vormen de overige feiten en omstandigheden zoals vermeld in de bestuurlijke rapportage in elk geval voldoende indicatoren om samen met de aangetroffen hoeveelheid drugs voorshands te concluderen dat sprake is van handel in verdovende middelen die in, dan wel op het erf van het gehuurde plaatsvond. Het gaat daarbij in de eerste plaats om het feit dat bij de betreffende twee personen die zijn aangehouden op 14 juli 2017 diverse prepaid telefoons zijn aangetroffen waarvan het de politie ambtshalve bekend is dat deze wijzen op handel in verdovende middelen en het feit dat in de scooter van deze personen inbrekersgereedschap is aangetroffen. Daarnaast gaat het om observaties van de politie ten aanzien van het pand en de daarbij aanwezige kentekens waarvan meerdere in verband gebracht kunnen worden met handel in verdovende middelen, de herhaalde overlast meldingen van omwonenden en andere exploitanten en het bij de politie ambtshalve bekende feit dat café [café] een plek is waar personen die voorkomen op de Top-600 lijst van de gemeente Amsterdam (een lijst waarop 600 jongeren vermeld staan die de afgelopen jaren relatief veel high impact delicten hebben gepleegd zoals overvallen, straatroven, woninginbraken en geweldsdelicten) en leden van de Mondriaan groep zich ophouden.

3.9.


De gemachtigde van [gedaagde sub 2] heeft ter zitting geciteerd uit een notitie waarin de verklaring van de verdachte (één van de personen die op 14 juli 2017 is aangehouden) wordt weergegeven. Deze verklaring komt erop neer dat de personen bij wie de drugs zijn aangetroffen op 14 juli 2017, direct daaraan voorafgaand niet in café [café] zijn geweest. Aldus zou, zo begrijpt de voorzieningenrechter het betoog van [gedaagde sub 2] , geen sprake zijn van handel in, bij of vanuit het gehuurde of het erf van het gehuurde, zoals bedoeld in artikel 13b lid 1 Opiumwet. De bestuurlijke rapportage van 9 augustus 2017 waarop het sluitingsbevel is gebaseerd, gaat uit van onjuiste aannames, aldus [gedaagde sub 2] .

3.10.

Mede gelet op het feit dat deze rapportage is opgemaakt op basis van ambtsedige processen-verbaal, wordt voorbij gegaan aan de stelling dat de op 14 juli 2017 aangehouden personen niet in café [café] zijn geweest kort voorafgaand aan de aanhouding. Voor een uitgebreide bewijslevering dienaangaande biedt het onderhavige kort geding geen ruimte.

3.11.

Voor zover het verweer van [gedaagde sub 1] ertoe strekt dat haar geen verwijt gemaakt kan worden van de ontstane situatie, faalt dit nu de ontbinding van de huurovereenkomst (en daarmee de gevorderde ontruiming) is gegrond op het enkele feit dat het gehuurde door de Burgemeester is gesloten. Bovendien is [gedaagde sub 1] op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk voor gedragingen van [gedaagde sub 2] .

3.12.

Resumerend: de voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat het sluitingsbevel en de daarop gebaseerde ontbinding van de huurovereenkomst geen stand zullen houden, terwijl voorts aan de zijde van [eisers gezamenlijk] voldoende spoedeisend belang aanwezig is bij de gevorderde voorzieningen. Deze zullen dan ook worden toegewezen.

In de vrijwaring is gevorderd dat [gedaagde sub 2] veroordeeld zal worden tot al hetgeen waartoe [gedaagde sub 1] in de hoofdzaak veroordeeld wordt. Uit het voorgaande volgt dat (ook) [gedaagde sub 2] in de vrijwaring zal worden veroordeeld tot ontruiming, en voorts tot betaling van al hetgeen waartoe [gedaagde sub 1] in de hoofdzaak wordt veroordeeld.

3.13.

[gedaagde sub 1] zal als gedaagde partij worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak, en [gedaagde sub 2] zal in vrijwaring worden veroordeeld tot betaling van zowel de kosten van de hoofdzaak als de kosten van de vrijwaring.


BESLISSING

De kantonrechter:


in de hoofdzaak 6307387 KK EXPL 17-960

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen acht dagen na betekening van het vonnis het gehuurde aan de [adres] leeg en ontruimd op te leveren met medeneming van al het hare en de haren en onder afgifte van de sleutels, alles in overeenstemming met de contractuele en wettelijke verplichtingen dienaangaande, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 1] om zo nodig bij wege van voorschot op schadevergoeding, aan eisers te betalen de overeengekomen huur ad € 1.104,97 per maand voor iedere maand of gedeelte daarvan dat het gehuurde niet overeenkomstig 1) ter beschikking van eisers staat, te rekenen vanaf 1 september 2017, alles vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag dat alles is voldaan;

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers gezamenlijk] begroot op:
    exploot € 97,31
    salaris € 400,00
    griffierecht € 78,00
    -----------------
    totaal € 575,31
    voor zover van toepassing, inclusief btw;

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde sub 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

  • -

    verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

in de vrijwaring 6316903 KK EXPL 17-985

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 2] om binnen acht dagen na betekening van het vonnis het gehuurde aan de [adres] leeg en ontruimd op te leveren met medeneming van al het zijne en de zijnen en onder afgifte van de sleutels, alles in overeenstemming met de contractuele en wettelijke verplichtingen dienaangaande, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 2] om zo nodig bij wege van voorschot op schadevergoeding, aan [gedaagde sub 1] te betalen de overeengekomen huur ad € 1.104,97 per maand voor iedere maand dat het gehuurde niet overeenkomstig 1) ter beschikking van [eisers gezamenlijk] staat, te rekenen vanaf 1 september 2017, alles vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag dat alles is voldaan;

- veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten welke [gedaagde sub 1] in de hoofdzaak aan [eisers gezamenlijk] verschuldigd is ten bedrage van € 575,31, alsmede in de proceskosten in vrijwaring welke tot op heden aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

exploot € 80,42
salaris € nihil
griffierecht € 78,00
----------------
totaal € 158,42
voor zover van toepassing, inclusief btw;

  • -

    veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

  • -

    verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.