Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7630

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
13/659203-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 70-jarige man is veroordeeld tot 30 uur werkstraf voor de mishandeling van een man in mei 2016 in Diemen. Hij sloeg de man zo hard dat diens lip scheurde en een stukje tand afbrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659203-16 (Promis)

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.C. van Dijk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P.C. Tuinenburg naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat mr. M.H. Aalmoes namens de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 7 mei 2016, in de gemeente Diemen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, door (met kracht) te duwen en/of stompen en/of slaan tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] , waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van verdachte bij zijn verhoor en op zitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het aan verdachte tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard [slachtoffer] niet te hebben geslagen, maar hem een duw te hebben gegeven. Naast de stelling van [slachtoffer] is enkel door diens dochters, [naam dochter 1] en [naam dochter 2] , bevestigd dat verdachte zou hebben geslagen. De verklaringen van de dochters acht de raadsman echter onbetrouwbaar, nu zij op afstand van het incident stonden, het buiten donker was en hun verklaringen op elkaar lijken te zijn afgestemd. Niet vast is komen te staan dat het letsel van [slachtoffer] is ontstaan door de door verdachte gegeven duw. Het letsel van [slachtoffer] kan zijn ontstaan nadat [slachtoffer] verdachte heeft aangevallen en er een worsteling is ontstaan tussen beiden. Ook bestaat de mogelijkheid dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen doordat hij na het incident van zijn brommer is gevallen, zoals hij zelf in het ziekenhuis heeft aangegeven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling bewezen. Verdachte heeft [slachtoffer] naar eigen zeggen een enorme duw tegen zijn gezicht gegeven waardoor [slachtoffer] drie á vier meter naar achteren is gevallen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op de grond viel, opstond en toen direct voelde dat zijn lip los zat en dat er veel bloed uit kwam. De rechtbank is van oordeel dat, nu [slachtoffer] door de ‘duw’ van verdachte maar liefst drie á vier meter naar achteren is gevallen, hij hierdoor een aanzienlijke scheur aan zijn lip heeft opgelopen en er een stukje van zijn tand is afgebroken, het niet anders kan zijn dan dat verdachte met zijn vuist met kracht een stoot in het gezicht van [slachtoffer] gegeven heeft.

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016099751-20 van 1 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s 11-12.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:

Op 7 mei 2016 heb ik in Diemen een woordelijke discussie gehad met mijn ex-vriendin [naam ex-vriendin] over het ophalen van mijn persoonlijke spullen. Toen ik met haar in gesprek was, zag ik een man erbij komen staan. Vermoedelijk was dit haar nieuwe vriend. Ik zag dat hij zich ineens begon te bemoeien met onze conversatie. Ineens voelde ik een klap en kwam ik op de grond terecht. Ik stond op en voelde een enorme pijn rond mijn mond. Ik voelde dat mijn lip los zat. Ik zag dat er bloed uit kwam.

2. Een geschrift, te weten een letselverklaring t.n.v. [slachtoffer] ingevuld door behandelend arts V.C. Thissen, verbonden aan het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, van 8 mei 2016, doorgenummerde pagina’s 13-20 van het strafdossier.

Conclusie: snijwond linker mondhoek en contusie linkerhand en linkerknie. Klein chipje van snijtand links afgebroken.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2016099751-12 van 11 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s 24-27.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam dochter 1] , zakelijk weergegeven:

Mijn vader (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) zei tot tweemaal toe: ‘Niet mee bemoeien.’ Na de tweede waarschuwing sloeg [verdachte] hem met de vuist.

4. De verklaring die verdachte op de terechtzitting van 3 oktober 2017 heeft afgelegd.

Deze verklaring houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik heb hem met mijn rechterhand een enorme duw in zijn gezicht gegeven. Hij is drie á vier meter naar achteren gevallen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 7 mei 2016 in de gemeente Diemen opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht te stompen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] , waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

6 De strafbaarheid van het feit

6.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte had wetenschap van de slechte verhouding tussen [naam ex-vriendin] (verder: [naam ex-vriendin] ) en haar ex-partner [slachtoffer] . Daarnaast wist hij dat [naam ex-vriendin] in het verleden meermalen is bedreigd en mishandeld door [slachtoffer] . Zo was verdachte op de hoogte van diens agressieve karakter. [slachtoffer] is voorafgaand aan het ten laste gelegde incident met een agressieve houding de tuin binnengekomen en is in een verhitte woordenwisseling geraakt met [naam ex-vriendin] . Op het moment dat zowel verdachte als [naam ex-vriendin] zagen dat [slachtoffer] naar zijn broekzak greep en zij vermoedden dat hij daar iets uit zou halen, heeft verdachte ingegrepen. Door dit onmiddellijk dreigende gevaar mocht verdachte ingrijpen door [slachtoffer] een duw te geven.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Gezien de kennis die verdachte had omtrent het verleden tussen [naam ex-vriendin] en [slachtoffer] en de verklaring van [naam ex-vriendin] dat zij door [slachtoffer] in een hoek werd gedrukt, was er sprake van een gerechtvaardigde vrees dat [slachtoffer] haar zou aanvallen. Zeker nu is gebleken dat [slachtoffer] ook daadwerkelijk een mes bij zich droeg. Door deze concrete dreigende situatie mocht verdachte [slachtoffer] een duw geven.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor het aannemen van een noodweersituatie is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederechtelijke aanranding jegens in dit geval [naam ex-vriendin] , dan wel van een dergelijke dreigende aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand, in dit geval [slachtoffer] , daadwerkelijk op het punt stond om tot de aanval jegens [naam ex-vriendin] over te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in het onderhavige geval geen sprake was, en verwerpt het beroep op noodweer wegens het ontbreken van een noodweersituatie. Als de gemoederen al hoog opliepen is het immers verdachte geweest die zich onnodig met het gesprek tussen [slachtoffer] en [naam ex-vriendin] heeft bemoeid. Hierna heeft verdachte als eerste fysiek geweld gebruikt door [slachtoffer] in zijn gezicht te stompen. Van enige noodzaak voor verdachte, die dit naar eigen zeggen heeft gedaan omdat hij [slachtoffer] naar zijn broekzak zag grijpen en vermoedde dat hij een wapen hieruit wilde pakken, is de rechtbank niet gebleken. Bovendien is de enkele vrees voor een aanranding niet voldoende om te spreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verdachte en [naam ex-vriendin] op een reactie van [slachtoffer] bedacht konden zijn, nu zij het kennelijk wenselijk vonden dat de dochters [dochters] [slachtoffer] op een zaterdagavond na 22:00 uur nog zijn spullen zouden bezorgen, waaronder, bij de eerste aflevering, een toiletpot. Uit de verklaringen van de dochters [dochters] blijkt dat zij daar niets voor voelden en het een slecht idee vonden, maar uiteindelijk aan de op hen –ook door verdachte- uitgeoefende druk toegaven. Bij [slachtoffer] aangekomen werd [naam dochter 2] gebeld door haar moeder [naam ex-vriendin] en nam [slachtoffer] de telefoon over, [naam ex-vriendin] zeggende dat hij het niet eens was met de gang van zaken en langs wilde komen. “Ik had zoiets van hij mag komen”, aldus [naam ex-vriendin] in haar verklaring bij de politie. Verdachte heeft een en ander ter zitting bevestigd en zo er al sprake zou zijn van enige situatie die zou kunnen leiden tot noodzakelijke verdediging, dan heeft verdachte in de aanleiding een aandeel gehad in de vorm van zijn actieve bemoeienis met voorzienbaar gevolg.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank onnodig bemoeid met een verbale ruzie tussen zijn vriendin, [naam ex-vriendin] , en haar ex-partner, [slachtoffer] . Dit heeft ertoe geleid dat de gemoederen nog hoger opliepen. Het door hem toegepaste geweld heeft geleid tot een onnodige en verdere escalatie van het incident, welk incident ook heeft geleid tot verdere ontwrichting van de verhoudingen tussen zijn partner en haar dochters. Verdachte heeft bovendien door zijn harde vuistslag pijn en letsel veroorzaakt bij [slachtoffer] .

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geven als uitgangspunt voor een eenvoudige mishandeling een geldboete. De rechtbank ziet echter aanleiding om hier van af te wijken gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en het letsel dat [slachtoffer] door de mishandeling heeft opgelopen. Als gevolg van de stoot op het gezicht heeft [slachtoffer] een forse snee in zijn lip opgelopen die gehecht moest worden, en is er een stukje van zijn tand afgebroken. De rechtbank acht een taakstraf daarom een passende strafmodaliteit en zal een taakstraf van 30 uur opleggen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 277,45 aan materiële schadevergoeding en

€ 600,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde mishandeling rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op zijn standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman is eveneens van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering gelet op zowel zijn primaire als zijn subsidiaire standpunt.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. De materiële schade is onvoldoende onderbouwd. Bovendien levert de behandeling van de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat zowel het slachtoffer als verdachte over en weer schuld hebben aan de bij elkaar aangerichte schade. Het slachtoffer draagt zelf een bepaalde mate van verantwoordelijkheid voor hetgeen uiteindelijk is gebeurd, zodat dus sprake is van eigen schuld dan wel medeschuld. Het vaststellen van de omvang daarvan kan daarom niet in deze strafzaak aan de orde komen.

De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 (vijftien) dagen.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. F.M. Wieland en R. Funke Küpper, rechters,

in tegenwoordigheid van S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2017.