Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7627

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
C/13/611424 / FA RK 16-4669
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenverweer afgewezen. Voortgezet gebruik woning afgewezen: geen sprake van bewoning als bedoeld in art. 1:165 BW. Partijen in huwelijksakte huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Bruidsgave overeengekomen. Is opeisbaar en nog niet voldaan. Man veroordeeld tot betaling hiervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0350

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/611424 / FA RK 16-4669 (echtscheiding)

C/13/626229 / FA RK 17-1957 (veve)

Beschikking van 2 augustus 2017 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. S. Jurkovich te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder:

  • -

    het op 5 juli 2016 ingekomen verzoekschrift;

  • -

    het op 29 september 2016 ingediende verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;

  • -

    het verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens wijziging verzoek, ingekomen op 28 november 2016.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 juni 2017.

Gehoord zijn:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door een tolk Perzisch en haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] , Iran op [datum] 2013.

2.2.

Partijen hebben de Iraanse nationaliteit. De man heeft tevens de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juni 2016 is bij wijze van voorlopige voorzieningen bepaald dat de man bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man een bedrag van € 223,- per maand dient te voldoen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud.

3 De beoordeling

3.1.

Echtscheiding

3.1.1.

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.1.2.

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

3.1.3.

Er zal Nederlands recht op het verzoek tot ontbinding van het huwelijk worden toegepast op grond van artikel 10:56, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.1.4.

De vrouw verweert zich tegen het verzoek tot echtscheiding. Zij beroept zich op artikel 1:153 BW en stelt dat de man tot op heden zijn huwelijkse verplichtingen niet is nagekomen die haar na de echtscheiding financiële zekerheid zou hebben geboden. Het nabestaandenpensioen zal verloren gaan in geval van vooroverlijden van de man. Hierdoor kan de vrouw niet in haar levensonderhoud voorzien. De man dient eerst zijn verplichtingen uit de huwelijkse overeenkomst na te komen dan wel een andere afdoende voorziening voor het geval van vooroverlijden te treffen alvorens de echtscheiding kan worden uitgesproken. De man verweert zich hiertegen, daartoe stellende dat hij een billijke voorziening heeft getroffen als bedoeld in artikel 1:153 BW.

3.1.5.

In artikel 1:153 lid 1 BW is bepaald dat, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweert voert, deze niet kan worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

3.1.6.

De rechtbank stelt voorop dat voornoemd artikel specifiek ziet op pensioenen en vergelijkbare uitkeringen. Niet gebleken is dat betaling van de bij de sluiting van het huwelijk overeengekomen bruidsgave tevens onder de reikwijdte van artikel 1:153 BW valt, zodat in zoverre voorbij zal worden gegaan aan de stellingen van de vrouw. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij pensioen opbouwt bij de Stichting Pensioenfonds Openbaar Vervoer en dat de vrouw ook na de echtscheiding als ex-echtgenoot aanspraak maakt op partner- en nabestaandenpensioen. In het licht hiervan heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat haar vooruitzicht op deze uitkeringen zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen in geval van vooroverlijden van de man na echtscheiding. Dit vormt derhalve geen beletsel voor het uitspreken van de echtscheiding.

3.1.7.

Nu de vrouw de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen.

3.2.

Gebruik echtelijke woning

3.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar wordt toegewezen voor de duur van zes maanden zonder dat zij de man aldaar hoeft te ontvangen en met machtiging aan de vrouw om deze uitspraak middels inschakeling van de sterke arm te effectueren.

3.2.2.

Zij stelt dat tussen partijen spanningen zijn ontstaan. Tijdens het huwelijk is de vrouw slachtoffer geweest van huiselijk geweld. Zij heeft inmiddels een verblijfsvergunning gekregen. In Nederland heeft zij geen familie bij wie zij kan verblijven. De afgelopen maanden heeft zij een zwervend bestaan geleid. Hoewel zij thans onderdak heeft gevonden, heeft zij behoefte aan een eigen woning voor haar geestelijke welzijn en veiligheid. Bovendien heeft de man meer financiële mogelijkheden andere tijdelijke woonruimte te zoeken. Volgens de vrouw heeft de omgangsregeling tussen de man en zijn zoon nimmer in de echtelijke woning plaatsgevonden, omdat partijen in de huwelijksakte zijn overeengekomen dat de zoon van de man niet bij hen zal leven.

3.2.3.

De man verweert zich tegen dit verzoek en verzoekt het voortgezet gebruik van de woning aan hem toe te wijzen. Hij stelt dat hij meer recht en belang heeft bij de woning dan de vrouw. Hij betwist dat hij bij familie terecht kan. Vanwege zijn werk in Purmerend heeft hij er belang bij dat hij in Amsterdam of omgeving kan wonen. De vrouw heeft inmiddels woonruimte gevonden in Huizen. Gezien het inkomen en de vaste lasten van de man en het feit dat de vrouw niet zal kunnen bijdragen in de kosten van de echtelijke woning, kan hij geen andere woonruimte huren en betalen naast de echtelijke woning. Tijdens de samenwoning van partijen is de zoon van de man regelmatig in de woning geweest. Partijen zijn in de huwelijksakte enkel overeengekomen dat zijn zoon niet zijn hoofdverblijfplaats bij partijen zal hebben. Dit betekent niet dat hij geheel niet mag overnachten in de woning.

3.2.4.

Ingevolge artikel 1:165 BW kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

3.2.5.

Vast staat dat het voorlopig gebruik van de woning in het kader van de voorlopige voorzieningen aan de man is toegewezen, dat hij op dit moment in de woning verblijft en dat de vrouw de woning heeft verlaten en elders onderdak heeft gevonden. Nu de beschikking in voorlopige voorzieningen van kracht blijft tot het moment van inschrijven van de echtscheidingsbeschikking en de man uit hoofde van de beschikking in voorlopige voorzieningen ten tijde van de inschrijving de woning bewoont, is er geen sprake van bewoning door de vrouw in de zin van artikel 1:165 BW. Reeds hierom kan het verzoek van de vrouw ten aanzien van de woning niet worden toegewezen. Gelet hierop behoeven de overige stellingen van partijen op dit punt geen bespreking meer.

3.3.

Verdeling

3.3.1.

De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen en te bepalen dat de man ingevolge de huwelijksakte de helft van zijn activa aan haar dient over te dragen.

3.3.2.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

3.3.3.

Partijen zijn gehuwd te [plaats] , Iran op [datum] 2013. Nu zij na 1 september 1992 zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting de Iraanse nationaliteit gemeenschappelijk. De man was op dat moment in Nederland gevestigd. De vrouw heeft zich eerst op 15 april 2014 gevestigd in Nederland, zodat geen sprake is van een eerste huwelijksdomicilie in de zin van het Verdrag. Ingevolge artikel 4 lid 2 onder 3 van het Verdrag is dan het Iraanse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het Iraanse recht kent een algehele scheiding van goederen.

3.3.4.

Vast staat dat partijen een huwelijkscontract (“marriage certificate”) hebben laten opmaken, welke akte gelijktijdig met het huwelijk is geregistreerd. In deze akte is geen rechtskeuze gemaakt ten aanzien van het huwelijksvermogensregime. In dit “marriage certificate” is onder de conditions, voor zover hier van belang, onder meer het volgende vermeld:

“(…)

A. By a collateral irrevocable contract, the wife stipulated that if the divorce is not at her request and according tot he court finding, the request of divorce is not due to violation of conjugal duties by the wife or her ill humor or bad character, the husband should be bound to transfer to the wife up to half of the assets or its equivalent which he has earned during the conjugal life with her.

(…)”

3.3.5.

De bepalingen uit het huwelijkscontract regelen aldus de afwikkeling van het vermogen indien een bepaalde voorwaarde intreedt. Deze huwelijkse voorwaarden zijn in Iran aangegaan en in een notariële akte vastgelegd, hetgeen naar Iraans recht de geldige vorm is; de akte is gedagtekend en door de vrouw en de man ondertekend. Daarmee zijn de huwelijkse voorwaarden als rechtsgeldig te beschouwen. Blijkens de aanhef van artikel 7 lid 2 van het Verdrag staan huwelijkse voorwaarden in de weg aan de automatische wijziging van het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht zoals geregeld in artikel 7 van het Verdrag. Het vorenstaande betekent dat Iraans recht van toepassing blijft op het huwelijksvermogensregime van partijen.

3.3.6.

De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt dat bovenstaande bepaling van de huwelijkse voorwaarden enkel van toepassing is indien sprake is van verstoting (talaq), nu dit niet valt af te leiden uit de tekst van de desbetreffende voorwaarde en de man deze uitleg van de overeenkomst welke de vrouw gemotiveerd heeft betwist, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft op dit moment echter onvoldoende informatie om inhoudelijk te beoordelen wat de man op basis van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw eventueel zal zijn verschuldigd. Om die reden zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen inzicht te geven in de bezittingen die hij tijdens het huwelijk heeft vergaard, onderbouwd met de relevante bescheiden, waarna de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld hierop te reageren. De behandeling van het verdelingsverzoek zal in afwachting hiervan worden aangehouden als na te melden.

3.4.

Bruidsgave

3.4.1.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan haar te voldoen:

  • -

    300 Bahar Azadi pure gouden munten, bij gebreke waarvan hij uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming uit hoofde van zijn huwelijkse verbintenis wordt veroordeeld om binnen veertien dagen nadien een vervangend bedrag/schadevergoeding te betalen aan de vrouw van € 90.000,-, en

  • -

    een bedrag van € 7.000,-, ter dekking van de kosten van haar pelgrimsreis naar Mekka.

Zij stelt hiertoe dat in de huwelijksakte is vermeld dat de man gehouden is haar deze bruidsgave te voldoen zodra zij dat verzoekt. Volgens de vrouw heeft zij deze bruidsgave reeds opgeëist bij het Ministerie van Justitie in Iran. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt een in de Engelse taal opgesteld document overgelegd van voornoemd Ministerie.

3.4.2.

Op grond van artikel 4 lid 3 Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van daarmee verband houdende nevenvoorzieningen. De rechtbank is van oordeel dat de verzochte voorziening met betrekking tot de bruidsgave als nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder f Rv heeft te gelden, aangezien deze voorziening voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding.

3.4.3.

Vast staat dat partijen bij het aangaan van het huwelijk een bruidsgave zijn overeengekomen inhoudende dat de man 300 Bahar Azadi gouden munten en de kosten van een pelgrimsreis naar Mekka aan de vrouw dient te voldoen, naast enkele andere goederen welke reeds aan de vrouw zijn overhandigd. Dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig is, is gesteld noch gebleken. Ten aanzien van deze afspraak is het volgende vermeld in de hiervoor genoemde huwelijksakte:

“(…) MARRIAGE PORTION:

A volume of the Glorious Koran, a pane of mirror, and a pair of candlesticks, already received by the wife, along with 300 Bahar Azadi full-value gold coins and the costs of a trip on pilgrimage to Mecca (Hajj), which are in toto a debt with the husband he shall submit to the wife on her demand [signed by the spouses]. (…)”

3.4.4.

De man heeft een beëdigde vertaling van voornoemd document van het Ministerie van Justitie te Iran overgelegd, gedateerd op 16 mei 2016. Hierin is vermeld dat de vrouw in Iran haar bruidsborg bestaande uit 300 Bahar Azadi gouden munten en een bedevaartreis naar Mekka ter waarde van 3.241.692.000 Rials en 162.084.600 Rials heeft opgeëist en dat de man het gehele bedrag is verschuldigd, om welke reden hij een uitreisverbod heeft gekregen.

3.4.5.

De man stelt dat nu de vrouw reeds in mei 2016 in Iran een procedure is gestart om de bruidsgave op te eisen, de rechtbank niet bevoegd is hierover een beslissing te nemen. De vrouw heeft betwist dat zij de bruidsgave heeft gevorderd in een gerechtelijke procedure. Het eisen van de bruidsgave bij het Ministerie van Justitie geldt volgens haar niet als een gerechtelijke procedure, zij heeft hiermee alleen haar recht veilig gesteld. Zij heeft zeker geen echtscheidingsverzoek bij de rechtbank aanhangig gemaakt, aangezien zij dan geen aanspraak kan maken op de helft van de man zijn bezittingen zoals vergaard tijdens het huwelijk.

3.4.6.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een (nog aanhangige) gerechtelijke procedure omtrent de bruidsgave. Het document van het Ministerie van Justitie in Iran is hiertoe onvoldoende nu hieruit niet volgt dat de vrouw een gerechtelijke procedure is gestart. De rechtbank zal, nu niet is gebleken van een gerechtelijke procedure zoals door de man gesteld, zich bevoegd verklaren een beslissing te nemen op het verzoek van de vrouw.

3.4.7.

De vraag naar het bestaan van een aanspraak op de bruidsgave dient te worden beoordeeld naar het recht waarnaar die aanspraak tot stand is gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. De bruidsgave vloeit voort uit het door partijen naar Iraans recht gesloten huwelijk; de bepaling ter zake de bruidsgave, opgenomen in de door partijen ondertekende huwelijksakte, moet worden bezien naar Iraans recht.

3.4.8.

De rechtbank overweegt dat de bruidsgave naar Iraans recht een geheel eigen karakter heeft waardoor deze niet gelijk is te stellen aan een uitkering tot levensonderhoud of een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een kwalificatie van de bruidsgave als huwelijksvermogensbestanddeel niet voor de hand ligt, nu het huwelijkscontract van partijen een afzonderlijke bepaling bevat die de vrouw bij echtscheiding in bepaalde gevallen recht geeft op de helft van het vermogen van de man. Ook een kwalificatie als uitkering tot levensonderhoud is niet passend, omdat bij een dergelijke kwalificatie en toepassing van het Nederlandse alimentatierecht (als het recht van de staat waar de alimentatiegerechtigde gewone verblijfplaats heeft) de bruidsgave feitelijk vrijwel geen betekenis meer zal hebben. In dat geval zullen, ongeacht de hoogte van de overeengekomen bruidsgave, de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw immers mede bepalend zijn. De vrouw is de rechthebbende op en de eigenares van de bruidsgave en wel vanaf de dag van de huwelijkssluiting. De bruidsgave is op ieder moment opeisbaar, zowel tijdens als na het huwelijk en heeft daarom niet het karakter van een aanspraak op levensonderhoud. Dat het huwelijkscontract geen bepaling bevat voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, leidt niet tot een ander oordeel.

3.4.9.

Vast staat dat partijen bij overeenkomst (de huwelijksakte) zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw de hiervoor genoemde bruidsgave is verschuldigd, welke verplichting voorts is vastgelegd in voornoemd document van het Ministerie van Justitie. Niet in geschil is dat deze bruidsgave op ieder moment opeisbaar is. Voorts is niet is geschil is dat de man de bruidsgave nog niet heeft voldaan. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vrouw tot nakoming van de overeenkomst op dit punt toewijzen. De rechtbank ziet aanleiding deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, gelet op de grote financiële verplichting voor de man die hieruit voortvloeit en de daaraan verbonden betaaltermijn.

3.5.

Uitkering tot levensonderhoud

3.5.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bedrag van € 750,- per maand dient te voldoen aan haar als uitkering tot levensonderhoud.

3.5.2.

De man betwist te zijn gehouden bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. De bruidsgave is bedoeld om te kunnen voorzien in de kosten van het bestaan van de vrouw, aldus de man.

3.5.3.

Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat partijen een bruidsgave zijn overeengekomen niet maakt dat de vrouw geen recht heeft op een bijdrage in haar levensonderhoud. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in rechtsoverweging 3.4.8. reeds heeft overwogen.

Behoefte en behoeftigheid

3.5.4.

De vrouw stelt dat haar behoefte minimaal gesteld dient te worden op de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Nu de man zich hiertegen niet langer verweert, zal de rechtbank uitgaan van een behoefte van de vrouw van € 987,- bruto per maand.

3.5.5.

Hoewel van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om zo snel mogelijk eigen inkomsten te genereren, kan van haar op dit moment niet worden verwacht dat zij binnen afzienbare tijd zelf in haar levensonderhoud voorziet, temeer nu niet duidelijk is wat haar mogelijkheden zijn gelet op haar opleiding, ervaring en kennis van de Nederlandse taal. Gelet hierop zal de rechtbank thans niet uit gaan van enige verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De rechtbank zal bij de berekening van de behoeftigheid van de vrouw geen rekening houden met een te ontvangen bedrag aan bruidsgave, nu thans niet vast staat dat de vrouw dit bedrag daadwerkelijk zal ontvangen.

Draagkracht

3.5.6.

De rechtbank hanteert de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen. Voor wat betreft de draagkracht van de man tot het betalen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw, verwijst de rechtbank naar de aan deze beschikking gehechte berekening en zal deze berekening hieronder toelichten voor zover nodig.

3.5.7.

De man is in loondienst. Zijn inkomen wisselt vanwege onregelmatige werktijden en toeslagen die hij ontvangt. De rechtbank gaat daarom uit van het fiscaal loon van de man volgens de jaaropgave over 2016 ter hoogte van € 40.395,-.

3.5.8.

Ter zitting heeft de man gesteld dat hij thans € 455,- en € 187,- per maand betaalt aan hypotheekrente, derhalve totaal € 642,- per maand. Voorts betaalt hij aan bijdrage VvE € 206,- per maand. De rechtbank houdt rekening met deze bedragen en zal geen korting wegens onredelijk hoge woonlast toepassen, zoals door de vrouw bepleit, nu de woonlast van de man niet onredelijk voorkomt gelet op de hoogte van zijn inkomen.

3.5.9.

De man voert aan premie zorgverzekering in totaal € 175,- per maand op, alsmede kosten in verband met zijn eigen risico. De vrouw betwist de hoogte hiervan. De rechtbank zal daarom in redelijkheid uit gaan van een premie van € 110,- per maand. Nu de man niet heeft aangetoond dat hij zijn eigen risico verbruikt, zal hiermee geen rekening worden gehouden.

3.5.10.

De rechtbank houdt rekening met de aflossing op het doorlopend krediet bij de ING Bank van € 350,- per maand. Dat de man dit bedrag ook weer maandelijks zou opnemen uit het krediet, zoals door de vrouw gesteld, maar dit niet anders, nu de man heeft gesteld dat hij daartoe is genoodzaakt omdat hij anders onvoldoende financiële middelen heeft om rond te komen.

3.5.11.

De man stelt voorts dat hij als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn zoon uit een eerder huwelijk een bedrag van € 250,- per maand contant betaalt aan zijn ex-echtgenote. De vrouw betwist dat de man deze bijdrage voldoet. Ter onderbouwing heeft de man een verklaring van zijn ex-echtgenote overgelegd. Hoewel hij derhalve niet met stukken heeft aangetoond dat hij een bijdrage voldoet ten behoeve van zijn zoon, zal de rechtbank hiermee wel rekening houden, nu de onderhoudsplicht jegens het kind voor gaat op die jegens de vrouw en het door de man gestelde bedrag niet onredelijk voorkomt.

3.5.12.

Uitgaande van bovenstaande gegevens heeft de man een draagkracht van € 170,- netto per maand ofwel € 287,- bruto per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is een door de man te betalen bijdrage ter hoogte van dit bedrag in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat dienovereenkomstig zal worden beslist.

4 De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/611424 / FA RK 16-4669:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , Iran op [datum] 2013;

- bepaalt dat de man € 287,= (tweehonderd zevenentachtig euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen;

- verklaart voormelde nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de man, indien hij ten tijde van de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding nog de echtelijke woning te [plaats] aan de [adres] bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking;

- veroordeelt de man ter voldoening van de bruidsgave binnen veertien dagen na betekening van de beschikking aan de vrouw te voldoen:

  • -

    300 Bahar Azadi pure gouden munten, bij gebreke waarvan hij uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming uit hoofde van zijn huwelijkse verbintenis binnen veertien dagen nadien een vervangend bedrag/schadevergoeding aan de vrouw dient te betalen van € 90.000,-, alsmede

  • -

    een bedrag van € 7.000,-, ter dekking van de kosten van haar pelgrimsreis naar Mekka;

- wijst af het meer of anders verzochte.

In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/626229 / FA RK 17-1957:

- bepaalt dat de behandeling omtrent de verdeling/afwikkeling huwelijkse voorwaarden pro forma wordt voortgezet op 16 oktober 2017, waarbij de man de rechtbank uiterlijk 6 september 2017 schriftelijk dient te berichten als omschreven in rechtsoverweging 3.3.6, waarna de vrouw in de gelegenheid wordt gesteld hierop uiterlijk 4 oktober 2017 schriftelijk te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van T. Jelierse, griffier, op 2 augustus 2017.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.