Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7624

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
13/679029-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Door in drukke ochtendspits te gaan rijden in een auto waarvan de ruiten gedeeltelijk isvrij waren gemaakt, heeft verdachte een fietser niet gezien en aangereden. Zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/679029-16

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.C. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I. Raterman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging op de zitting, ten laste gelegd dat,

ten aanzien van het primair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 18 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadionweg en/of de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing met

bloeding in de kleine hersenen, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadionweg, komende uit de richting van de Hobbemakade en gaande in de richting van de Händelstraat,

- terwijl één of meerdere autoruit(en) van de door verdachte bestuurde personenauto niet of gedeeltelijk ijsvrij was/waren gemaakt waardoor verdachtes zicht (ernstig) werd belemmerd,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan, bij het verkrijgen van groen licht uitstralend verkeerslicht, naar links af gaan slaan de Apollolaan op,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] die, gezien verdachtes (rij)richting komend vanuit tegengestelde rijrichting, bij groen licht uitstralend verkeerslicht, voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond,

verdachte heeft (vervolgens) voornoemde fietser geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor voornoemde fietser,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst waardoor aan deze [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

De rechtbank leest het in de zevende regel van het in de ten laste gelegde vermelde “hersenschudding” als “hersenkneuzing”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 18 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadionweg en/of de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadionweg, komende uit de richting van de Hobbemakade en gaande in de richting van de Händelstraat,

- terwijl één of meerdere autoruit(en) van de door verdachte bestuurde personenauto niet of gedeeltelijk ijsvrij was/waren gemaakt waardoor verdachtes zicht (ernstig) werd belemmerd,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan, bij het verkrijgen van groen licht uitstralend verkeerslicht, naar links af gaan slaan de Apollolaan op,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een fietser, zijnde [slachtoffer] die, gezien verdachtes (rij)richting komend vanuit tegengestelde rijrichting, bij groen licht uitstralend verkeerslicht, voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond,

verdachte heeft (vervolgens) voornoemde fietser geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor voornoemde fietser,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 18 januari 2016 omstreeks 08.30 uur heeft op de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan te Amsterdam een ongeval plaatsgevonden, waarbij een personenauto en een fiets waren betrokken. Verdachte was de bestuurder van de personenauto en hem wordt onder meer verweten dat hij de autoruiten onvoldoende ijsvrij had gemaakt alvorens te gaan rijden, waardoor zijn zicht was belemmerd. Verdachte stond voor het stoplicht op de Stadionweg te wachten om linksaf de Apollolaan op te rijden. Slachtoffer [slachtoffer] reed in tegengestelde richting op haar fiets op de Stadionweg en wilde met groen licht de Apollolaan oversteken. Op het moment dat voor verdachte het stoplicht op groen sprong en hij linksaf de Apollolaan op reed, zag hij de fietser over het hoofd. Hierdoor is een aanrijding ontstaan tussen de door verdachte bestuurde auto en de fietser. Als gevolg van dit ongeval heeft de fietser, mevrouw [slachtoffer] , een hersenkneuzing met een bloeding in de kleine hersenen opgelopen.

De rechtbank dient te beoordelen of dit verkeerongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer [slachtoffer] aan de schuld - in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 - van verdachte te wijten is.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft op de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan te Amsterdam geen voorrang verleend aan recht doorgaand verkeer uit tegengestelde richting. Verdachte heeft slechts het ijs op een deel van de voorruit van zijn auto weggekrabd en doordat het zicht voor verdachte door het rechter gedeelte van de voorruit van zijn auto werd gehinderd, heeft hij niet gezien dat er een fietser kwam aanrijden, met alle consequenties van dien.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd, onder verwijzing naar haar pleitnotities, dat verdachte van het primair ten laste dient te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft, voordat hij in zijn auto is gaan rijden, zijn ruiten gekrabd en ongeveer 80 tot 90% van zijn voorruit ijsvrij gemaakt. Hij had vrij zicht. Dat alleen in de hoeken van de voorruit nog ijs zat, kan worden afgeleid uit de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (p. 9). Zij hebben gezien dat de voorruit was ontdaan van ijs op de plaatsen die bereikt worden door de ruitenwissers en niet geheel tot aan de bovenkant van de voorruit. Dat het zicht van verdachte door het niet of slechts gedeeltelijk ijsvrij maken van de autoruiten werd belemmerd kan niet worden vastgesteld, zodat dit deel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen.

Verdachte heeft één verkeersfout gemaakt. Hij is de kruising opgereden en heeft de fietser over het hoofd gezien. Verdachte heeft geen voorrang verleend en daardoor de fietser aangereden. Dat valt hem te verwijten, maar van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is geen sprake, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft ter zitting van 3 oktober 2017 verklaard dat hij op 18 januari 2016 rond 8.30 uur in zijn auto stond te wachten voor het stoplicht op de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan en dat hij bekend was met de verkeerssituatie op deze kruising. Toen het licht op groen sprong is hij naar links afgeslagen om de Apollolaan op te rijden. Verdachte wist dat het in de ochtendspits druk was en dat het (fiets)verkeer in tegengestelde richting (ook) groen licht had. Verdachte heeft de fietser die in tegengestelde richting de Apollolaan wilde oversteken niet gezien. Hij heeft de fietser aangereden die vervolgens op de motorkap van zijn auto terechtkwam. Verdachte heeft ook verklaard dat hij voordat hij in zijn auto is gaan rijden, het ijs van de autoruiten had gekrabd, maar dat het zicht vanuit zijn auto blijkbaar niet voldoende is geweest. Achteraf gezien had hij de autoruiten schoner kunnen maken en het ijs beter moeten wegkrabben.

De politie heeft na het ongeval geconstateerd dat de voorruit van de auto was ontdaan van ijs, maar dan alleen op de plaatsen die werden bereikt door de ruitenwissers en niet tot aan de bovenkant van de ruit. De ruit aan de zijde van de bijrijder bevatte nog een ijslaag en was beslagen. De auto had sinds het moment van de aanrijding in de zon gestaan. Hiervan is een foto gemaakt, die is gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen (p. 9-11). De rechtbank begrijpt het proces-verbaal zo dat in genoemde passage wordt gesproken over de voorruit aan de bijrijderszijde en niet over de zijruit (zoals de raadsvrouw heeft gesteld).

De politie heeft ter plaatse foto’s van de voorruit van de auto gemaakt (p. 11 en 27). Op foto 10 (onderste foto p. 27) is zichtbaar dat het rechter gedeelte van de voorruit, gezien vanuit de bestuurder, onvoldoende ijsvrij is gemaakt en dat het zicht vanuit de auto door de voorruit voor verdachte onvolledig was. De rechtbank gaat ervanuit dat verdachte de fietser had kunnen zien als hij de ruiten helemaal ijsvrij had gemaakt.

Deze omstandigheid brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld, door in de drukke ochtendspits in Amsterdam te gaan rijden in een auto waarvan hij de autoruiten maar gedeeltelijk ijsvrij had gemaakt waardoor zijn zicht op de weg en het overige verkeer beperkt was. Hij heeft in deze situatie ook voorts onvoldoende gedaan om te zorgen dat hij de kruising overzag. Hierdoor heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer] niet gezien en heeft hij haar aangereden terwijl hij haar voorrang had moeten verlenen. Dit is een ernstige verkeersovertreding.

4.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen,

dat verdachte op 18 januari 2016 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Stadionweg en de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing met bloeding in de kleine hersenen werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadionweg, komende uit de richting van de Hobbemakade en gaande in de richting van de Händelstraat,

- terwijl autoruiten van de door verdachte bestuurde personenauto niet of gedeeltelijk ijsvrij waren gemaakt waardoor verdachtes zicht werd belemmerd,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Stadionweg met de Apollolaan, bij het verkrijgen van groen licht uitstralend verkeerslicht, naar links af gaan slaan de Apollolaan op,

verdachte heeft zich hierbij niet voldoende vergewist dat voornoemd kruispunt vrij was van kruisend verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] die, gezien verdachtes rijrichting komend vanuit tegengestelde rijrichting, bij groen licht uitstralend verkeerslicht, voornoemde kruising was opgereden,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden waardoor aan deze [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair bewezen geachte misdrijf dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 1 jaar.

Volgens de officier van justitie zijn deze straffen op hun plaats omdat verdachte Russisch roulette heeft gespeeld met andere verkeerdeelnemers in de drukke ochtendspits, door te gaan rijden in zijn auto terwijl maar een relatief klein deel van de voorruit van zijn auto ijsvrij was gemaakt. Door zijn rijgedrag heeft verdachte niet alleen het leven van het slachtoffer verwoest, maar ook het leven van het gezin van het slachtoffer.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht, onder verwijzing naar haar pleitnotities, dat de eis van de officier van justitie gelet op vergelijkbare zaken en de bestaande richtlijnen te hoog is. Verdachte vindt de gevolgen die het ongeval voor het slachtoffer heeft gehad vreselijk en beseft dat hij de consequenties van zijn handelen moet dragen. Verdachte heeft zijn auto nodig voor zijn werk. Hij heeft geen strafblad.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig verkeersongeval. Hij is gaan rijden met een auto waarvan hij de ruiten niet voldoende ijsvrij had gemaakt, waardoor hij bij een kruising een fietser die hij voorrang had moeten verlenen heeft aangereden. Als gevolg daarvan is het slachtoffer, een moeder van twee jonge kinderen, zodanig letsel toegebracht dat zij de rest van haar leven gehandicapt zal blijven.

Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren tot welk onomkeerbaar leed het handelen van verdachte heeft geleid en hoe het ongeval het leven van het slachtoffer en haar gezin heeft ontwricht. Door het ongeval zijn de hersenen van het slachtoffer beschadigd, waardoor zij niet meer een normaal gesprek kan voeren, ernstige concentratieproblemen heeft, zeer snel moe is en dagelijks last heeft van hoofdpijn en duizeligheid. Zij kan prikkels, zoals wat hardere geluiden en drukte, niet meer verdragen waardoor ze moeite heeft om aan het verkeer deel te nemen, maar ook niet goed meer voor haar kinderen kan zorgen. Zij kan niet meer sporten en muziek maken, maar ook lezen en televisie kijken is nauwelijks mogelijk. Haar toekomstplannen en (carrière)ambities zijn weg en hoewel zij twee keer per week naar de revalidatiekliniek gaat, is er geen vooruitzicht op een medische verbetering van haar hersenen. Een strafoplegging in welke vorm dan ook zal dit leed niet ongedaan kunnen maken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank voorts gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden opgelegd.

De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van het letsel en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer en haar gezin, een zwaardere straf dan dit uitgangspunt op zijn plaats maken, echter niet zo zwaar als geëist door de officier van justitie. De rechtbank acht een taakstraf van 160 uren aangewezen en daarnaast wordt in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 6 maanden.

Voor zover verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk als channelmanager bij het bedrijf [bedrijf] naar behoren uit te voeren, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 160 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en P.L.C.M. Ficq, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2017.