Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7577

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
5636784 CV EXPL 17-1041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incassobureau Direct Pay moet ongebruikelijk hoge proceskosten van 1600 euro betalen. De standaardproceskostenvergoeding van 60 euro is meer dan vertwintigvoudigd omdat Direct Pay zich onacceptabel gedroeg, aldus de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5636784 CV EXPL 17-1041

vonnis van: 16 oktober 2017

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Direct Pay Services B.V.

gevestigd te Barendrecht

eiseres

nader te noemen: Direct Pay

gemachtigde: Webcasso B.V.

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. R. Bisschop

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kantonrechter gaat uit van de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • -

    de dagvaarding van 1 december 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het instructievonnis;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    akte uitlating producties van Direct Pay tevens houdende verzoek royement;

  • -

    akte uitlating van [gedaagde] met betrekking tot het verzoek tot royement van Direct Pay;

  • -

    dagbepaling vonnis.

Op 7 augustus 2017 heeft de gemachtigde van Direct Pay de kantonrechter bericht dat zij de vordering intrekt en verzocht om doorhaling op de rol. Bij emailbericht voor de rol van 21 augustus 2017 heeft de gemachtigde van gedaagde de kantonrechter bericht in verband met de proceskosten een vonnis te willen. De zaak staat daarom thans voor vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1. 24

[naam bedrijf] heeft een telefoonfrontje van een Samsung Galaxy S4 telefoon aan [gedaagde] toegezonden. Billink, die door [naam bedrijf] is gemachtigd voor de facturatie, heeft een factuur opgemaakt d.d. 29 april 2016 ad € 115,39 en heeft deze per e-mail verstuurd aan het adres [e-mail] .

1.2.

Op 13 juni 2016 heeft Billink per post een ingebrekestelling verzonden aan [gedaagde] waarbij zij tevens € 25,00 aan sommatiekosten in rekening brengt.

1.3.

[gedaagde] heeft op 16 juni 2016 per e-mail contact opgenomen met Billink:
Ik ontving bijgaande stukken. Ik heb niets besteld. Een geval van oplichting…….?”

1.4.

Op 16 juni 2016 ontvangt [gedaagde] van Billink een e-mail met de volgende tekst:
“Wij hebben elkaar zojuist telefonisch gesproken, u heeft aangegeven dat u het pakketje heeft ontvangen. Aangezien u in bezit bent van de goederen raden wij u aan deze terug te sturen aan de afzender. Wanneer de bestelling retour is ontvangen kan de factuur kwijtgescholden worden.”

1.5.

Van 16 juni 2016 tot en met 21 juni 2016 wordt de e-mail uitwisseling vervolgd en is er telefonisch contact tussen [gedaagde] en Billink. [gedaagde] geeft wederom aan niets besteld te hebben en niet eens een Samsung Galaxy te hebben. Ook laat hij weten dat het e-mailadres in de ingebrekestelling niet van hem is en dat hij niet bereid is om een kopie paspoort toe te zenden in verband met fraudegevoeligheid.

1.6.

Billink reageert daarop op 21 juni 2016 om 10.20 uur met het volgende:
Wij hebben aangeboden de kosten te vergoeden voor het retour zenden van het product. Aangezien u het pakketje heeft aangenomen wijs ik u erop dat u in bezit bent van dit product en deze factuur dient te betalen.
Mocht u het hier niet mee eens zijn zullen verdere stappen worden ondernomen waarbij de kosten voor uw rekening komen.”

1.7.

Op 5 juli 2016 heeft het bedrijf Centraal Invorderings Bureau (verder: CIB) [gedaagde] gesommeerd tot betaling over te gaan van € 155,64:
“Wij attenderen u erop dat – mocht u nog langer in gebreke blijven met betaling – wij door onze cliënt zijn gemachtigd om voor haar vordering een titel te verkrijgen en te incasseren middels een (conservatoire) beslaglegging door onze deurwaarder op uw inkomsten, bankrekeningen en roeren en/of onroerende goederen.
De kosten hiervan bedragen minimaal € 600,00 en zullen eveneens bij u in rekening worden gebracht.”

1.8.

Op 20 juli 2016 kondigt CIB het volgende aan:
“VOORWERK TENAANZIEN VAN UITBRENGEN DAGVAARDING OP BOVENSTAAND ADRES VOORTS DE VORDERING WORDT GEËFECTUEERD MIDDELS BESLAGLEGGING OP ROERENDE EN ONROERENDE ZAKEN.
(…)
Daarnaast zal u door ons negatief worden geregistreerd, waardoor u in de toekomst voor de aanschaf van bepaalde aankopen, leningen en/of hypotheekvoorzieningen wordt uitgesloten.”

1.9.

[gedaagde] heeft op 28 juli 2016 het pakketje aangetekend retour gezonden. Het pakketje is bezorgd op vrijdag 29 juli 2016 om 12.02 uur. De kosten voor het retour sturen heeft [gedaagde] vergoed gekregen van Billink, nadat Billink dat in twee e-mails van 1 augustus 2016 had toegezegd.

1.10.

Op 29 september 2016 start vervolgens Direct Pay opnieuw een incassotraject ter incassering van een door Billink namens [naam bedrijf] gecedeerde vordering ad € 115,39, gevolgd door nog een aanmaning op 18 oktober 2016. Daarna worden gemachtigde Webcasso en een deurwaarder ingeschakeld en wordt [gedaagde] op 4 november 2016 wederom gesommeerd tot betaling over te gaan. Op 1 december 2016 ontvangt [gedaagde] vervolgens een dagvaarding.

1.11.

Op 7 december 2016 stuurt [gedaagde] de eerder gevoerde correspondentie door aan Webcasso, daarbij agerend tegen de afdreiging in een niet ondertekende brief d.d. 17 december 2016 met aangekondigde buitenproportionele maatregelen.

Vordering

2. Direct Pay vorderde aanvankelijk betaling van een geleverd telefoonfrontje van een Samsung telefoon van € 115,39, vermeerderd met rente en € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten. Verwezen werd naar een factuur en sommaties. Na conclusie van dupliek heeft Direct Pay de kantonrechter bericht dat zij de zaak intrekt en verzocht zij om doorhaling op de rol.

Verweer

3. [gedaagde] voert aan dat hij niet kan instemmen met royement en verzoekt om proceskostenveroordeling van Direct Pay. [gedaagde] heeft daarbij expliciet aangevoerd dat hij mede verweer voert in verband met de praktijken van incassobureaus zoals Direct Pay, welke hij stuitend en maatschappelijk ontoelaatbaar acht. Gezien de wijze waarop in deze zaak door Direct Pay is gehandeld en geprocedeerd acht [gedaagde] het redelijk dat Direct Pay wordt veroordeeld in de maximaal toelaatbare proceskosten. [gedaagde] voert ook aan dat Direct Pay wel degelijk wist dat het telefoonfrontje aan [naam bedrijf] was geretourneerd.

Beoordeling

4. De kantonrechter verstaat het verzoek om royement aldus dat Direct Pay haar vordering niet langer handhaaft. Direct Pay heeft aan haar verzoek tot doorhaling geen inhoudelijke redenen ten grondslag gelegd. Daarom moet worden aangenomen dat het verzoek tot doorhaling verband houdt met de gemotiveerde betwisting van de vordering door [gedaagde] bij conclusie van antwoord en conclusie van dupliek. De vordering zal derhalve worden afgewezen. In het midden kan blijven of er een rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden. Daarmee resteert slechts de door [gedaagde] verzochte proceskosten-veroordeling. Daarover wordt geoordeeld als volgt.

5. [gedaagde] heeft intensief contact gehad met Billink en meermaals aangegeven niets besteld te hebben. [gedaagde] heeft deze uitgebreide correspondentie bij antwoord overgelegd en na ontvangst van de dagvaarding ook aan Direct Pay toegezonden. Uit de e-mails blijkt dat in geval van retourzending van het pakketje de kosten daarvoor door Billink zouden worden vergoed en de factuur kwijtgescholden zou worden. Per e-mail van 1 augustus 2016 heeft Billink betaling van de retourkosten aangekondigd. Daaruit blijkt dat [gedaagde] het pakketje op kosten van Billink aangetekend retour heeft gestuurd. De rechtsvoorgangster van Direct Pay is desondanks direct overgegaan tot het incasseren van het factuurbedrag. Daarbij zijn verschillende incassobureaus ingeschakeld die – hoewel het oorspronkelijke factuurbedrag slechts
€ 115,39 bedroeg – onder meer dreigen met het in rekening brengen van de kosten voor beslaglegging van minimaal € 600,00. Het op deze (intimiderende) wijze onder druk zetten van een consument door met hoge kosten en een negatieve registratie (met alle gevolgen van dien) te dreigen is op zichzelf al onacceptabel.

6. Daarbij komt, dat het standpunt dat de rechtsvoorgangster van Direct Pay inneemt, namelijk dat [gedaagde] het pakketje zou moeten betalen omdat hij dit ontvangen heeft en in bezit heeft, feitelijk neerkomt op de agressieve handelspraktijk als omschreven in artikel 6:193i sub f BW, namelijk het vragen om betaling van een product waar de consument niet om heeft gevraagd. Een dergelijke handelwijze is bijzonder laakbaar. Direct Pay heeft verder op geen enkele wijze aangetoond dat [gedaagde] dit pakketje heeft besteld.

7. Direct Pay heeft [gedaagde] vervolgens nádat het telefoonfrontje reeds retour was ontvangen opnieuw aangemaand tot betaling over te gaan. Uit de door [gedaagde] overgelegde correspondentie en uit het gegeven dat Direct Pay kennelijk niet beschikt over enig bewijs van de totstandkoming van een overeenkomst, had Direct Pay moeten concluderen dat zij geen vordering had op [gedaagde] . Direct Pay en haar rechtsvoorgangster hebben desondanks op agressieve wijze getracht de gestelde vordering voldaan te krijgen. Daaruit blijkt wel dat zowel Direct Pay als haar rechtsvoorgangster reeds voor aanvang van de procedure bijzonder onzorgvuldig en onbetamelijk te werk zijn gegaan.

8. Voor zover [gedaagde] met zijn standpunt dat Direct Pay wist dat het telefoonfrontje al aan [naam bedrijf] was geretourneerd en in ontvangst was genomen bedoelt dat sprake is van misbruik van procesrecht, wordt als volgt geoordeeld. Hoewel Direct Pay wist of behoorde te weten dat haar vordering gebaseerd was op stellingen die geen kans van slagen hadden, heeft zij [gedaagde] niettemin aangemaand én in rechte betrokken. Deze handelwijze levert misbruik van procesrecht op aan de zijde van Direct Pay. In dit kader wordt gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 29 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA:3516, r.o. 4.5). Deze handelwijze is zeer kwalijk, in het bijzonder omdat de ervaring leert dat menig schuldenaar bij bedreiging met hoge kosten in een procedure de vordering betaalt of verstek laat gaan, en in sommige gevallen geheel ten onrechte tot betaling van zowel de hoofdsom als de incassokosten overgaat.

9. Voor wat betreft de wijze van procederen vanaf het moment dat de dagvaarding bij [gedaagde] is betekend wordt het volgende overwogen. [gedaagde] heeft reeds voor de eerste rolzitting alle correspondentie aan Direct Pay verstrekt, en heeft daarin en bij conclusie van antwoord aangetoond dat er door de rechtsvoorgangster van Direct Pay een regeling is getroffen met betrekking tot het aan hem toegestuurde product. Onbetwist is gebleven dat het e-mailadres en telefoonnummer die op de pakbon stonden niet eens toebehoren aan [gedaagde] . Direct Pay heeft, ondanks de bijzonder uitgebreid gemotiveerde betwisting van [gedaagde] en het gebrek aan bewijs dat tussen haar rechtsvoorgangster en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen, zelfs na de conclusie van antwoord haar vordering uitdrukkelijk gehandhaafd. Pas nadat [gedaagde] een conclusie van dupliek had genomen, heeft Direct Pay verzocht om royement. Hiermee heeft Direct Pay [gedaagde] op nog meer kosten gejaagd.

10. Daarnaast is het verweer van [gedaagde] dat uitdrukkelijk in de correspondentie met de rechtsvoorgangster van Direct Pay naar voren komt niet in de dagvaarding opgenomen, en heeft Direct Pay verzuimd om alle relevante correspondentie in het geding te brengen. Zij heeft zelfs expliciet gesteld dat [gedaagde] niet heeft gereageerd “waardoor een eventueel verweer in rechte tardief dan wel op zijn minst discutabel zou zijn”. Daarmee heeft Direct Pay gehandeld in strijd met artikel 21Rv en de kantonrechter misleid. De kantonrechter mag dit ambtshalve beoordelen en daaraan gevolgen verbinden die overeenstemmen met de aard en ernst van deze schending.

11. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek verzocht om bij de vaststelling van de kostenveroordeling met de door [gedaagde] aangevoerde feiten rekening te houden, waarmee [gedaagde] doelt op de hiervoor omschreven wijze van incasseren en procederen van Direct Pay en haar rechtsvoorgangster. De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat de wijze waarop in onderhavige procedure door Direct Pay en haar rechtsvoorgangster - zowel vóór het aanhangig maken van de procedure als gedurende de procedure - is opgetreden, volstrekt onacceptabel is.

12. Direct Pay zal worden veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] , welke kosten tot op heden bestaan uit salaris gemachtigde en nakosten. Bij de vaststelling van de proceskosten wordt rekening gehouden met al het voorgaande. Daarin ziet de kantonrechter aanleiding om een hogere proceskostenveroordeling toe te wijzen, en wel een van € 800,00 in plaats van € 30,00 per punt.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Direct Pay in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op € 1.600,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt Direct Pay tot betaling van een bedrag van € 15,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en Direct Pay niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.