Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7570

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
13/702047-17 (A), 13/703187-16 (B) 13/701922-17 (C)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank zal verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwen en zal haar ter zake van het bewezen geachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/702047-17 (A), 13/703187-16 (B) 13/701922-17 (C)

Datum uitspraak: 21 september 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [GBA] , gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 september 2017.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. van Laere en van wat verdachte en haar raadsman mr. L.M.A. Schwartz naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan vernielingen, bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling, poging tot zware mishandeling, beledigingen van een ambtenaar in functie, huisvredebreuk, poging tot brandstichting, diefstal, mishandelingen en belaging.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Vrijspraak van de hierna genoemde feiten

Zaak A

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman acht de rechtbank niet bewezen wat onder 4 is ten laste gelegd. Verdachte heeft weliswaar bekend dat zij een bloempot heeft gegooid, maar op grond van het dossier wordt onvoldoende duidelijk op welke afstand van [slachtoffer] de bloempot is gegooid, waar de bloempot op gericht was en waar de bloempot is terecht gekomen ten opzichte van [slachtoffer] . Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Zaak B

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen. Gelet op de inhoud van het dossier – waaronder de tegenstrijdige verklaring van aangever [slachtoffer] – kan niet worden vastgesteld of er een geldige huurovereenkomst was tussen aangever [slachtoffer] en verdachte. De rechtbank kan hierdoor niet vaststellen of verdachte wederrechtelijk op de woonboot van aangever [slachtoffer] aanwezig was. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte (opzettelijk) heeft geprobeerd brand te stichten. De verklaring van aangever [slachtoffer] en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat er brandgaten in het matras zaten, zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte dit heeft gedaan. Dit maakt dat verdachte ook – anders dan door de officier van justitie is gerekwireerd – van de subsidiair ten laste gelegde vernieling zal worden vrijgesproken.

Met de raadsman en de officier van justitie acht de rechtbank het onder 4 niet bewezen. Er is enkel de verklaring van aangever tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. De omstandigheid dat er een mes op de badrand is aangetroffen, maakt dat niet anders, nu niet bekend is wie dat mes daar heeft neergelegd. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman acht de rechtbank het onder 5 in zaak B ten last gelegde niet bewezen. Naast de aangifte van [slachtoffer] is er immers geen ander bewijs waaruit blijkt dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vernieling van een ruit op 25 september 2016, zoals onder 6 ten laste is gelegd, niet kan worden bewezen, nu hiervoor onvoldoende bewijs is. Naast de verklaring van aangever [slachtoffer] is er immers onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte deze vernieling heeft gepleegd. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Zaak C

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen nu niet kan worden vastgesteld of dit opzettelijk is gebeurd. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Ook vernieling van de ruit op 2 juni 2017, zoals onder 6 ten laste is gelegd, kan niet worden bewezen dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarom van dit feit moet worden vrijgesproken.

4.2

Het oordeel ten aanzien van de overige feiten

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1, 2 en 3 in zaak A, het onder 1, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 in zaak B en het onder 1, 3, 7 en 8 in zaak C ten laste gelegde kan worden bewezen. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Ten aanzien van het onder 12 in zaak B ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] verdachte in de genoemde periode meerdere keren heeft verzocht te vertrekken. Verdachte is desondanks veelvuldig naar de woning van aangever [slachtoffer] gegaan en daar binnen gegaan en heeft daarbij tevens voor overlast gezorgd. Dit blijkt niet alleen uit de verklaringen van [slachtoffer] , maar ook uit de bevindingen van de verbalisanten. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangever [slachtoffer] zodanig zijn geweest dat - ook objectief bezien - sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Anders dan de raadsman en met officier van justitie acht de rechtbank de ten laste gelegde belaging dan ook bewezen. Dat [slachtoffer] in sommige gevallen verdachte heeft binnengelaten, doet hieraan niet af. Hij deed dit enkel omdat zij in die gevallen in een hulpbehoevende toestand verkeerde. Voor verdachte was evenwel duidelijk dat zij niet gewenst was bij de woonboot door de veelvuldige verzoeken te vertrekken en het inroepen van politieassistentie.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A:

1.

op 26 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een bloempot toebehorende aan [slachtoffer] , heeft vernield.

2.

op 26 juni 2017 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als jij ooit met één vinger aan mij leg, dan schiet ik je door je kop" en "ik doe het zelf, geen enkel probleem op jij je strot eraf te snijden en je dood te steken, graag zelfs".

3.

op 23 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, [verbalisant 1] , inspecteur van Politie Eenheid Amsterdam en/of [verbalisant 2] , hoofdagent van Politie Eenheid Amsterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: kankermongool en kanker en tyfusmongool.

Zaak B

1.

op 10 september 2016 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 3] , agent werkzaam bij de Politie Eenheid Amsterdam, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, belast met baliewerkzaamheden, in diens tegenwoordigheid mondeling en door een feitelijkheid heeft beledigd, bestaande die belediging uit:

- het toevoegen van de woorden "Kankerlijers'', en

- het spugen in het gezicht, van voornoemde ambtenaar.

7.

op 12 oktober 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles AH wijn en bacon, toebehorende aan Albert Heijn, filiaal Cornelis Troostplein.

8.

op 14 oktober 2016 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met een stenen vaas, gooien in de richting van voornoemde [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op zijn vinger is geraakt.

9.

op 14 oktober 2016 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een stenen vaas toebehorende aan [slachtoffer] , heeft vernield.

10.

op 7 november 2016 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een auto en een hek en keukenkastjes en foto’s en fotoalbum toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

11.

op 27 november 2016 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met een hard voorwerp slaan tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] .

12.

in de periode van 18 juni 2016 tot en met 31 januari 2017 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te dulden, immers heeft zij, verdachte, in

voornoemde periode,

- meermalen goederen, toebehorende aan [slachtoffer] vernield en voornoemde [slachtoffer] lastiggevallen door meermalen bij zijn woning langs te gaan.

Zaak C

1.

op 4 juni 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, toebehorende aan een ander dan aan verdachte.

3.

op 4 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant 4] en/of [verbalisant 1] , brigadier en inspecteur van de Politie Eenheid Amsterdam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: 'Jij bent een kankermongool. Vieze kanker tyfus teringmongool. Kankermongool. Jij bent een kankermongool en Jij bent een kanker tyfus tering pleuris kut. Kankermongool! kanker tyfus tering mongool'.

7.

op 29 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning gelegen aan de [adres], toebehorende aan [slachtoffer] , heeft vernield door een fles, tegen voornoemde ruit te gooien.

8.

op 1 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant 1] , inspecteur van politie, eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, heeft beledigd, door tegen voornoemde [verbalisant 1] te roepen: "Je bent een vuile vieze kanker tyfus pleuris tering hoer en slet".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van feit 11 in zaak B aangevoerd dat sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces, nu verdachte eerder door aangever [slachtoffer] was mishandeld en bang was dood te gaan. Verdachte moest zich daarom op het moment dat aangever [slachtoffer] haar slaapkamer binnen wilde komen, verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Verdachte is echter niet strafbaar. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte Pro Justitia psychiatrische rapportage van 10 mei 2017, opgemaakt in zaak B door J. Marx en D. Molenaar, psychiaters.

De deskundigen rapporteren, zakelijk weergegeven, als volgt.

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. In diagnostische zin wordt deze omschreven als een bipolaire I stoornis. Daarnaast is sprake van een stoornis in cannabisgebruik. Het is mogelijk dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.

Een bipolaire stoornis is een chronische aandoening waar manisch-psychotische of depressieve episoden worden afgewisseld met symptoomvrije intervallen. Tijdens het gesprekscontact met onderzoekers worden manische en psychotische symptomen waargenomen.

De afgelopen jaren hebben de ingezette ambulante en klinische behandeltrajecten niet tot een verbetering van de het toestandsbeeld geleid. Een adequaat steunsysteem ontbreekt, de leefomstandigheden zijn op dit moment instabiel en de verwachting is niet dat deze binnen afzienbare termijn gaan veranderen.

In algemene zin kan worden gesteld, gezien het tekortschieten van eerdere hulpverleningstrajecten, dat het noodzakelijk is betrokkene in een langdurig behandel- en begeleidingstraject te laten plaats nemen. Het verdient ten zeerste de aanbeveling deze behandeling klinisch aan te vragen op een forensisch psychiatrische afdeling. Gezien de eerder stukgelopen behandeltrajecten lijkt een dergelijke behandeling alleen een kans van slagen te hebben als een klinische start wordt gemaakt.

Betrokkene ontkent de tenlaste gelegde feiten. Er is onvoldoende zicht verkregen op de omstandigheden in de periode van en rondom de ten laste gelegde feiten. Zodoende kan de vraag (of de ziekelijke stoornis de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlaste gelegde beïnvloedde en of dit leidt tot verminderde mate dan wel geheel niet toerekeningsvatbaarheid) niet worden beantwoord.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de Pro Justitia psychologische rapportage van 17 mei 2017, opgemaakt in zaak B door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog.

De deskundige rapporteert, zakelijk weergegeven, als volgt.

Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een bipolaire I stoornis; een stoornis in cannabisgebruik, matig; een stoornis in alcoholgebruik, matig; en een stoornis in amfetaminegebruik, licht. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Gezien de chroniciteit en de ernst van de psychiatrische stoornis en het zich keer op keer onttrekken aan behandeling, is de indruk dat betrokkene in de periode van de tenlastegelegde feiten op geen enkel moment geheel vrij is geweest van de psychiatrische problematiek, of dat nou de op de voorgrond staande manische symptomen, de meer op de achtergrond aanwezige psychotische symptomen of de problematiek-inducerende verslavingssymptomen waren.

Betrokkenes gedrag ten tijde van alle ten laste gelegde feiten – behalve tenlastegelegde feit 7 – wordt gekenmerkt door (tenminste enige mate van) ontremming en/of een verzwakte impulscontrole en/of cognitieve verwarring, wat naar de mening van de rapporteur samenhangt met de psychiatrische problematiek. Betrokkene was hierdoor tenminste in enige mate beperkt in het overwegen van gedragsalternatieven en controle over haar handelen. Alhoewel het niet mogelijk is een zeer specifieke uitspraak over de mate van toerekeningsvatbaarheid van ieder feit te doen, wordt geadviseerd betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten (m.u.v. tenlastegelegde feit 7).

De kans dat betrokkene in de komende periode tot gewelddadig handelen zal komen wordt ingeschat als hoog gezien alle indicatoren binnen de historische en klinische domeinen, de zorgelijke risicohantering en het ontbreken van beschermende factoren. Eenmaal uit detentie of de kliniek weigert betrokkene verdere (medicamenteuze) behandeling, heeft zij behalve haar (ex-)partner niemand om op terug te vallen, terwijl ze juist met deze (ex-)partner een spanningsvolle relatie onderhoudt en er geluiden zijn dat zij ook samen middelen gebruiken. Betrokkene is voor haar onderdak, voedsel, financiën en inkomen naar het zich laat aanzien geheel van haart partner afhankelijk, terwijl er een gebrek aan stabiliteit is die zij gezien haar psychiatrische aandoening erg hard nodig heeft. Zij loopt daarmee een groot risico om zeer snel weer te destabiliseren, hetzij via de route van middelengebruik, hetzij als gevolg van stress, spanning en een gebrek aan stabiliteit en structuur in de relatie. Eenmaal instabiel is het risico op contact met politie (en de GGZ) groot.

Betrokkene heeft een langdurende klinische behandeling nodig waarbij ze allereerst langdurend op medicatie kan worden ingesteld zodat de psychotische en affectieve symptomen naar de achtergrond verdwijnen.

Op grond van voornoemde rapportages, de bevindingen van de verbalisanten zoals weergegeven in het dossier en de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, welke stoornis haar denken en gevaarzettend handelen ten tijde van het ten laste gelegde volledig dan wel in overwegende mate heeft beheerst. Uit de processen-verbaal van bevindingen die zijn opgemaakt naar aanleiding van de bewezen feiten en andere incidenten blijkt dat verdachte steeds een uiterst verwarde indruk maakte en dat er op geen enkele wijze normaal met verdachte gecommuniceerd kon worden. Zo liep zij onder meer meermalen naakt over straat, sprong zij in het water toen verbalisanten haar wilden benaderen, lachte en praatte in zichzelf en gaf geen logische antwoorden op vragen die de verbalisanten haar stelde. Ook uit de informatie van de diverse behandelinstellingen waar verdachte heeft verbleven, blijkt dat zij manisch gedrag vertoonde en psychotische uitspraken deed. J. Klumpenaar, behandelcoördinator van het PPC in Zwolle heeft op 14 april 2017 verklaard dat tijdens verdachtes verblijf in 2016 sprake was van manische ontremming waarbij de realiteitstoetsing niet meer adequaat was. Deze geestestoestand is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bevindingen van de verbalisanten ten tijde van de bewezen feiten steeds onverminderd aanwezig. Ook ter zitting heeft verdachte vol overtuiging verklaard dat niet zij, maar haar zus zeer waarschijnlijk verantwoordelijk is voor de meeste aan haar ten laste gelegde feiten, terwijl dit gelet op de inhoud van het dossier niet aannemelijk is. Daarnaast was zij ter zitting volledig overtuigd van de waan dat haar zus met haar ex-partner was getrouwd. De deskundigen komen ondanks deze omstandigheden niet tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Dit is echter gelegen in de omstandigheden dat verdachte bij de psychiater de feiten heeft ontkend en dat de psycholoog niet per afzonderlijk feit een uitspraak kon doen over de mate van toerekenbaarheid. De rechtbank zal verdachte op grond van het voorgaande als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwen en zal haar ter zake van het bewezen geachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

7 Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

Gelet op de inhoud van bovengenoemde rapporten acht de rechtbank de kans dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan soortgelijke strafbare feiten aanwezig. Op grond van de inhoud van de rapporten is de rechtbank van oordeel dat verdachte gevaarlijk is voor anderen en voor de algemene veiligheid van anderen.

De rechtbank zal daarom, gelet op wat hiervoor is overwogen, bepalen dat verdachte voor de termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

8. Ten aanzien van de benadeelde partij [verbalisant 3] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [verbalisant 3] vordert € 200,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [verbalisant 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 2.800,- aan materiële schadevergoeding en een nader overeen te komen bedrag aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet is onderbouwd. Bovendien heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zitting ingetrokken. De vordering dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Anders dan de raadsman zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet als ingetrokken beschouwen, nu de rechtbank de indruk heeft dat de benadeelde partij enkel uit emotie heeft gezegd dat hij de vordering ‘wil laten zitten’. De rechtbank ziet dit niet als een zuivere intrekking.

De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 12 in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer.

De benadeelde partij heeft een nader overeen te komen bedrag gevorderd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, namelijk dat hij door het ten laste gelegde last heeft van een slaapstoornis, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1000,-.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 4.172,14 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ervan uitgaande dat de vordering rechtsgeldig is ingediend, zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van feit 2 in zaak C geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 in zaak A bewezen verklaarde feit.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 37, 36f, 55, 57, 266, 267, 285, 285b, 300, 310, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 in zaak A, het onder 2, 3 primair en subsidiair, 4, 5 en 6 en het onder 2 en 6 in zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 in zaak A, het onder 1, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 in zaak B en het onder 1, 3, 7 en 8 onder C ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 in zaak A, onder 9, onder 10 in zaak B en het onder 7 in zaak C bewezen verklaarde:

vernieling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 in zaak A bewezen verklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van het onder 3 in zaak A, het onder 1 in zaak B en het onder 3 en 8 in zaak C bewezen verklaarde:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 7 in zaak B en onder 1 in zaak C bewezen verklaarde:

diefstal, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 8 en 11 in zaak B bewezen verklaarde:

mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 12 in zaak B bewezen verklaarde:

belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Gelast dat verdachte voor de termijn van 1 (één) jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

Wijst de vordering van [verbalisant 3], toe tot € 200,- (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 3] aan de Staat € 200,- (tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer], toe tot € 1.000,- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer], aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. M.M.L.A.T. Doll en R.A. Sipkens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 september 2017.

Bijlage

Tenlastelegging [verdachte]

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat

Zaak A:

1.

zij op of omstreeks 26 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer containers/(vuilnis)bak(ken) en/of (bloem)pot(ten) en/of ruit(en) (behorende bij de woonboot op adres [adres]) en/of auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2.

zij op of omstreeks 26 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "als jij ooit met één vinger aan mij leg, dan schiet ik je door je kop" en/of "ik doe het zelf, geen enkel probleem op jij je strot eraf te snijden en je dood te steken, graag zelfs", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

zij op of omstreeks 23 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (inspecteur van Politie Eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van Politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: kankermongool en/of kanker en/of tyfusmongool, althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

4.

zij op of omstreeks 26 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal of meermalen (met kracht) een (bloem)pot, althans een (hard en/of zwaar) voorwerp in de richting van het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gegooid en/of geworpen.

Zaak B

1.

zij op of omstreeks 10 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 3] (agent werkzaam bij de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, (belast met) baliewerkzaamheden, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling en/of door feitelijkhe(i)d(en) heeft beledigd, bestaande die belediging uit:

- het één of meerdere ma(a)l(en) toevoegen van de woorden "Kankerlijers'', althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of

- het één of meerma(a)l(en) spugen op/tegen/in het gezicht, in elk geval het hoofd, van voornoemde ambtena(a)r(en).

2.

zij op of omstreeks 17 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in een woning/besloten lokaal/besloten erf, gelegen [adres] en in gebruik bij [slachtoffer] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

3.

zij op of omstreeks 21 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/bij/aan een woning op of aan adres [adres], terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, met dat opzet in die woning een joint heeft aangestoken en/of (vervolgens) een brandende joint op een matras heeft gelegd, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een matras, althans met (een) brandbare stof(fen).

Subsidiair:

zij op of omstreeks 21 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een matras, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een brandende joint op dat matras te leggen.

4.

zij op of omstreeks 21 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik steek je neer" en/of "Ik gooi een Molotovcocktail naar binnen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

5.

zij op of omstreeks 21 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk etenswaren en/of foto's, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

6.

zij op of omstreeks 25 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een tuinhuis), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een bierflesje tegen voornoemde ruit te gooien.

7.

zij op of omstreeks 12 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles (AH) wijn en/of bacon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (filiaal Cornelis Troostplein), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

8.

zij op of omstreeks 14 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) een (stenen) vaas, althans een hard en/of een zwaar voorwerp, gooien en/of werpen in de richting van voornoemde [slachtoffer] (tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op zijn hand(en) en/of vinger(s) is geraakt).

9.

zij op of omstreeks 14 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (stenen) vaas en/of een (stenen) kruik, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

10.

zij op of omstreeks 07 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een auto en/of een hek en/of een of meer keuken(kastjes) en/of een of meer foto('s) en/of fotoalbum(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

11.

zij op of omstreeks 27 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het (met) een schaal, althans (met) een hard voorwerp slaan en/of gooien tegen/richting het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] .

12.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 juni 2016

tot en met 31 januari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, in

voornoemde periode,

- eenmaal of meermalen een of meer goed(eren), toebehorende aan [slachtoffer] vernield en/of voornoemde [slachtoffer] lastiggevallen door eenmaal of meermalen wederrechtelijk in de woning van voornoemde [slachtoffer] te verblijven en/of bij zijn woning langs te gaan.

Zaak C

1.

zij op of omstreeks 04 juni 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2.

zij op of omstreeks 04 juni 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3.

zij op of omstreeks 04 juni 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant 4] en/of [verbalisant 1] , brigadier en/of inspecteur van de Politie Eenheid Amsterdam gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: 'Jij bent een kankermongool. Vieze kanker tyfus teringmongool.

Kankermongool. Jij bent een kankermongool en/of Jij bent een kanker tyfus tering pleuris kut. Kankermongool! kanker tyfus tering mongool', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

6.

zij op of omstreeks 1 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een woonboot/woning gelegen aan de [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een steen, althans een hard en/of stevig voorwerp tegen voornoemde ruit te gooien.

7.

zij op of omstreeks 29 mei 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit (van een woning/woonboot gelegen aan de [adres]), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een fles, althans een hard en/of

stevig voorwerp tegen voornoemde ruit te gooien.

8.

zij op of omstreeks 01 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar,

[verbalisant 1] (inspecteur van politie, eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,in zijn/haar

tegenwoordigheid, heeft beledigd,door tegen voornoemde [verbalisant 1] te roepen:"Je bent

een vuile vieze kanker typhus pleuris tering hoer en slet", althans woorden

van gelijke aard en/of strekking.