Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7558

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
20-10-2017
Zaaknummer
13/665034-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplichting, babbeltruc, diefstal door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd, heling, schakelbewijs, modus operandi, telecomgegevens, herkenning camerabeelden, gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/665034-17

Datum uitspraak: 17 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres]
thans verblijvende in de [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M. Spooren naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (13/665074-17).

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. oplichting, in vereniging, van zes personen in de periode 30 december 2016 tot en met 12 januari 2017 in Amsterdam, door zich voor te doen als pakketbezorger waarbij voor ontvangst van het pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’ en de aangevers werden bewogen tot afgifte van een geldbedrag en/of hun pinpas;

2. diefstal in vereniging van geldbedragen toebehorende aan zes personen, door middel van een valse sleutel in de periode van 30 december 2016 tot en met 12 januari 2017 in Amsterdam;

3. poging tot oplichting in vereniging van een persoon op 5 januari 2017 in Amsterdam, door zich voor te doen als postbode waarbij voor ontvangst van het pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’;

4. heling van een zestal goederen in de periode 24 oktober 2015 tot en met 21 maart 2017 in Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot de ten laste gelegde feiten het volgende af.

Naar aanleiding van een viertal aangiften van oplichting door middel van een babbeltruc is op 10 januari 2017 onderzoek 13Fairborn gestart. Opvallend is dat volgens deze vier aangevers de dader telkens een ‘pakketbezorger’ is. De slachtoffers – veelal op hogere leeftijd of fysiek beperkt – worden bezocht door een pakketbezorger die de slachtoffers een pakketje aanbiedt. De slachtoffers moeten voor de ontvangst van het pakketje een laag bedrag aan portokosten pinnen door middel van een mobiel pinapparaat. Na het (zogenaamde) pinnen loopt de ‘pakketbezorger’ met een smoes weg met de pinpas van het slachtoffer. Zeer korte tijd later is geld opgenomen van de rekening van de slachtoffers.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar haar op schrift gesteld requisitoir, op het standpunt gesteld dat verdachte op grond van de in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan worden veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie baseert zich onder meer op de aangiften, de modus operandi, de camerabeelden van de pintransacties, de vijf verbalisanten die verdachte onafhankelijk van elkaar op die camerabeelden herkennen en het feit dat de telefoon van verdachte samen met de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] uitpeilt in de buurt van zowel de woning van de aangevers als de gebruikte pinautomaten.

De officier van justitie is van mening dat sprake is van een dermate specifieke handelswijze van de daders, dat de bewijsmiddelen in de ene zaak kunnen dienen als schakelbewijs ter ondersteuning van een bewezenverklaring in de andere ten laste gelegde zaken.

Wat betreft de heling staat vast dat de goederen op enig moment zijn gestolen en dat deze goederen in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Er is niets gevonden dat een rechtmatige koop van deze goederen suggereert en gelet op de op deze goederen aangetroffen informatie had verdachte kunnen weten dat de goederen van diefstal afkomstig zijn, aldus de officier.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich, onder verwijzing naar haar op schrift gestelde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er weliswaar vijf verbalisanten zijn geweest die verdachte herkenning in de persoon die te zien is op de beelden van de pintransactie in zaaksdossier 4 , maar er is ook één verbalisant die op die beelden een ander persoon heeft herkend. Getwijfeld kan worden aan de herkenning van de andere verbalisanten nu kennelijk meer personen in het plaatje passen, aldus de raadsvrouw. Daarnaast komt aan het aantreffen van een blauwe jas in de woning van verdachte geen bewijswaarde toe, nu het een standaard blauwe jas betreft die door veel mensen wordt gedragen en de jas op de camerabeelden nauwelijks te zien is. Niet omschreven is aan de hand van welke specifieke elementen de jas van verdachte overeenkomt met de jas van de pinnen en andere kleding die de pinner heeft gedragen is juist niet bij verdachte teruggevonden. Verdachte ontkent stellig dat hij de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (# [telefoonnummer 1] ). Dat telefoonnummer is in gebruik bij het broertje van verdachte. Dit is zowel door verdachte als door zijn zus naar voren gebracht. Bovendien betekent het aanstralen van een bepaalde zendmast niet dat die telefoon zich daadwerkelijk in de nabijheid van die zendmast bevindt, omdat niet per se de dichtstbijzijnde paal wordt aangestraald. Tot slot past verdachte niet in de verscheidene signalementen die de aangevers hebben opgegeven, aldus de raadsvrouw.

Wat betreft de modus operandi merkt de raadsvrouw op dat zij deze onvoldoende specifiek vindt om als schakelbewijs bij te dragen aan het bewijs ten aanzien van de verschillende zaaksdossiers. Er zijn in het verleden andere zaken geweest waarin oplichters op dezelfde wijze te werk zijn gegaan. De raadsvrouw heeft in dat verband gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2016. Daarnaast blijkt uit de aangiften dat de pakketbezorger telkens andere kleding droeg (Ziggo, PostNL, TNT).

Ten aanzien van het medeplegen heeft de raadsvrouw betoogd dat niet duidelijk is welke rolverdeling de daders hebben gehad. Het enkele feit dat telefonisch contact is geweest is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking.

Voor de ten laste gelegde heling geldt dat verdachte een gangbare prijs voor de goederen heeft betaald. Wetenschap dan wel het vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren, kan derhalve niet worden vastgesteld, aldus de raadsvrouw.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde als volgt.

Hoewel de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] toebehoort aan verdachte en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (# [telefoonnummer 2] ) toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte] en deze telefoonnummers ten tijde van het delict contact met elkaar hadden, is daarmee niet vast komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot oplichting van aangeefster [persoon 1] op 6 januari 2017. Nu behoudens dit gegeven geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het onder 3 ten laste gelegde is gebleken, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

4.4.2

Het oordeel over het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde als volgt.

Schakelbewijs en modus operandi
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 januari 2000, NJ 2000, 194) volgt dat het gebruik van aan andere bewezen verklaarde, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakelbewijs) is toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

In onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bewijs voor het ene ten laste gelegde feit als schakelbewijs kan dienen voor een ander ten laste gelegd feit. De aan de rechtbank voorgelegde zaken vertonen de volgende overeenkomsten.

Alle aangevers zijn op hogere leeftijd of hebben zichtbaar fysieke beperkingen. Zij zijn allen woonachting in de omgeving Amsterdam-West. Zij hebben verklaard dat een man bij hen aanbelde die zich voordeed als een pakketbezorger. Voor het ontvangen van het pakketje moesten de aangevers een klein bedrag aan portokosten betalen. Deze betaling kon alleen door middel van pinnen worden verricht, aldus de pakketbezorger. De pinpas van de aangevers is in een pinapparaat gestopt of achter een mobiele telefoon gehouden, waarna aangevers hun pincode moesten intoetsen. Hierna verliet de pakketbezorger met een smoes de woning en nam de pinpas mee. Korte tijd daarna is geld van de rekening van aangevers gepind.

De rechtbank is van oordeel dat deze modus operandi niet zodanig specifiek is dat enkel op grond daarvan de betrokkenheid van verdachte in alle ten laste gelegde zaken kan worden aangenomen. De hiervoor omschreven handelswijze is niet exclusief door verdachte gehanteerd. De raadsvrouw heeft terecht gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 15 september 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:6198), waaruit blijkt dat ook anderen dan verdachte en zijn medeverdachte op precies deze wijze slachtoffers op hogere leeftijd een pinpas en geld afhandig hebben gemaakt.

De aan de rechtbank voorgelegde zaaksdossiers vertonen echter wel duidelijke overeenkomsten en zullen dan ook in onderlinge samenhang worden bezien. De bewijsmiddelen in de afzonderlijke zaken kunnen niet altijd separaat worden beoordeeld. De rechtbank licht dat oordeel in het navolgende toe.

Herkenning camerabeelden en in beslag genomen goederen
Kleding
Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres te plaats 2] is een donkerkleurige jas aangetroffen, voorzien van een capuchon, de lengte tot over de heup en met een zakje op de linkermouw ter hoogte van de bovenarm dat voorzien is van een verticale rits. Deze jas komt sterk overeen met de gedragen jas op de camerabeelden in zaaksdossiers 1 en 4. In zaaksdossier 4 is de persoon op de camerabeelden, de pinner, door vijf verbalisanten herkend als zijnde verdachte.

De woning van de medeverdachte [medeverdachte] aan de [adres te plaats 1] is eveneens doorzocht. In de woning is een aantal kledingstukken aangetroffen dat grote gelijkenissen vertoont met de door de pinner gedragen kleding op de camerabeelden in verschillende zaakdossiers. Zo is een donkerkleurige jas, merk ‘Add’, met een aantal opvallende kenmerken aangetroffen. De jas heeft horizontale strepen ter hoogte van de schouders, verticale strepen op de rug, borstzakken met een drukknoop, een rits op de rechterzijde van de borst, een blok met horizontale streepjes op de mouwen ter hoogte van de bovenarm en een logo op de linkermouw ter hoogte van de bovenarm. Deze jas komt sterk overeen met de jas die wordt omschreven in onder andere zaaksdossiers 3 en 5. In zaaksdossier 3 is medeverdachte [medeverdachte] door zes verbalisanten op de camerabeelden herkend als zijnde de pinner.

Schoenen
In de woning van [medeverdachte] wordt tevens een paar schoenen, merk Dior Homme, aangetroffen. Het paar schoenen heeft een aantal opvallende kenmerken, namelijk een lichtkleurige hiel, een metalen vetertag en metalen veterringen. Op de camerabeelden in zaaksdossier 7 is te zien dat de pinner schoenen draagt met een lichtkleurige hiel, lichtkleurige veterringen en vetertag.

Blauwe rugtas
Op camerabeelden bij diverse pintransacties is duidelijk een blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem zichtbaar die door de pinner wordt gedragen. Zaaksdossier 3 bevat camerabeelden van de Albert Heijn. Op deze camerabeelden is een manspersoon te zien die onder andere een blauwe rugtas met een bruinkleurige bodem draagt. Zes verbalisanten relateren dat zij deze persoon herkennen als medeverdachte [medeverdachte] . Zaaksdossier 1 bevat camerabeelden van een particuliere camera in de [adres te plaats 2] en camerabeelden bij de pinautomaat van de ABN-AMRO aan de [straat] . Op de beelden is een persoon te zien die een blauwe rugtas draagt. Verbalisant [verbalisant] relateert dat de blauwe rugtas meerdere overeenkomsten vertoont met de blauwe rugtas die te zien is op de camerabeelden uit zaaksdossier 3. De blauwe rugtas wordt bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte] aangetroffen.

Telecom
De raadsvrouw van verdachte heeft betwist dat het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] toebehoort aan verdachte. Uit de historische gegevens van dit telefoonnummer blijkt onder meer dat het telefoonnummer contact heeft gemaakt met telefoonnummers die zouden toebehoren aan [persoon 2] en [persoon 3] . Uit de politiesystemen blijkt dat verdachte met deze personen is gecontroleerd. Het is dus niet aannemelijk dat deze contacten zijn gelegd door het broertje van verdachte, zoals verdachte beweert. Dit wordt deels bevestigd door de verklaring van de zus van verdachte, die verklaart dat de telefoon (met het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] ) door zowel het broertje van verdachte als door verdachte zelf wordt gebruikt. Bovendien blijkt uit Whatsapp-berichten die op 14 en 15 maart 2017 door gebruiker [persoon 4] , het broertje van verdachte, zijn verstuurd dat dit Whatsapp-account is gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (# [telefoonnummer 3] ) en niet aan het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] .
Op de telefoon is tevens een schermafbeelding gevonden waarop valt te zien dat voor het adres [adres te plaats 2] te Amsterdam meterstanden zijn doorgegeven aan het bedrijf Nuon. Onder het kopje contactgegevens staan het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] en het e-mailadres [e-mailadres] . Tot slot is verdachte op 6 januari 2017 met medeverdachte [medeverdachte] gecontroleerd. Het bovenstaande maakt voldoende aannemelijk dat verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] . De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw van verdachte.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat de medeverdachte [medeverdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (# [telefoonnummer 2] ).

In de zaakdossiers 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 9 hebben verdachte en [medeverdachte] telefonisch contact met elkaar voor, omstreeks en/of na het delict. Beide telefoonnummers hebben in zaaksdossiers 4, 5, 7 en 9 paallocaties aangestraald in de directe omgeving van zowel de woningen van de slachtoffers als de gebruikte pinautomaten. In zaaksdossier 4 is verdachte herkend als zijnde de pinner, en op dat moment straalt het telefoonnummer # [telefoonnummer 1] een paallocatie aan de directe omgeving van die pinautomaat.

Conclusie
Gelet op de hiervoor omschreven samenhang tussen de afzonderlijke zaken, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten versterken elkaar en kunnen als schakelbewijs dienen. De rechtbank ziet sterke overeenkomsten in de eerder beschreven modus operandi, die terug te vinden is in de verschillende aangiften, de kleding van verdachte en zijn medeverdachte die op camerabeelden in diverse zaaksdossiers te zien zijn, de historische gegevens van de beide telefoonnummers die laten zien dat verdachte in de verschillende zaaksdossiers voor, tijdens en na het delict contact heeft gehad met [medeverdachte] , het feit dat beide telefoonnummers in verschillende zaakdossiers paallocaties aanstralen in de directe omgeving van de woningen van de slachtoffers en/of de pinautomaten waar de pintransacties plaatsvonden en tot slot in het geringe tijdsverloop tussen de oplichtingen en de wederrechtelijke pintransacties. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het bewijsmateriaal ten aanzien van de verschillende feiten op essentiële punten zodanig belangrijke overeenkomsten vertoont dat sprake is van een herkenbaar, specifiek patroon in het gedrag van verdachten ten aanzien van deze feiten.

Medeplegen
Vervolgens is aan de orde de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten samen met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank stelt dat medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 voldoende is gebleken van een dergelijke samenwerking. In zaaksdossiers 1, 3 en 4 blijkt dat één van de verdachten heeft gepind, terwijl een ander op hem stond te wachten en zij na voltooiing van de pintransactie samen wegelopen. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] is in één van de zaaksdossiers herkend als de pinner. Daarnaast hebben de verdachten telkens voor, tijdens en/of na de babbeltruc en het pinnen veelvuldig contact met elkaar en zijn zij ten tijde van de strafbare feiten in de nabijheid van de woning van het slachtoffer en/of de gebruikte pinautomaat geweest. Ook blijkt in zaaksdossier 3 dat aangever [persoon 5] ziet dat de man die zich voordeed als pakketbezorger naar een witte bestelbus liep, aan de bijrijderskant instapte, waarna de bestelbus wegreed. Dit duidt op in elk geval één andere betrokkene. In zaaksdossier 7 werd door de man die zich voordeed als pakketbezorger naar een ander persoon gebeld en gezegd: ‘De app is goed’. Dit telefoontje duidt wederom op in elk geval één andere betrokkene.

4.4.3

Het oordeel over het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde als volgt.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 21 maart 2017 is een aantal goederen aangetroffen dat afkomstig bleek te zijn van diefstal, te weten een zwartkleurige Nokia Lumia telefoon, vier iPads en een iPad-mini. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij de vijf iPads via Marktplaats voor € 250,- heeft gekocht van ene [persoon 6] . Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de iPads los in een plastic tas overhandigd kreeg. Een originele verpakking zat daar niet bij.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, op het moment dat hij de goederen, een vijftal iPads, los in een plastic tas overhandigd kreeg, hierbij zijn vraagtekens had moeten plaatsen en minstens had moeten navragen hoe de verkoper aan de vijf iPads was gekomen. Daarnaast kan verdachte geen verdere informatie over of contactgegevens van de verkoper geven, weet hij niet wanneer hij de Ipads zou hebben gekocht, heeft hij geen betalingsbewijs kunnen overleggen en is de verkoopprijs laag, gelet op het aantal iPads dat hij kocht.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de iPads van misdrijf afkomstig waren en zich dus schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat verdachte wist, althans had moeten vermoeden, dat de zwarte Nokia Lumia telefoon van misdrijf afkomstig was, zodat opzetheling dan wel schuldheling van deze telefoon niet kan worden bewezen. De enkele omstandigheid dat de telefoon bij verdachte werd aangetroffen en dat deze bleek te zijn weggenomen bij een diefstal uit een woning gepleegd op 18 november 2016 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat de telefoon van misdrijf afkomstig was. Verdachte zal van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1

(zaak 1, 3, 4, 5, 7 en 9)

op

a. 4 januari 2017 (zaak 1) en
b. 6 januari 2017 (zaak 3) en
c. 10 januari 2017 (zaak 4) en
d. 12 januari 2017 (zaak 9) en
e. 4 januari 2017 (zaak 5) en
f. 30 december 2016 (zaak 7)

te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid

a. [persoon 7] (zaak 1) en
b. [persoon 5] (zaak 3) en
c. [persoon 8] (zaak 4) en
d. [persoon 9] (zaak 9) en
e. [persoon 10] (zaak 5) en
f. [persoon 11] (zaak 7)

heeft bewogen tot de afgifte van

a. een bankpas (zaak 1) en
b. een bankpas (zaak 3) en
c. een bankpas (zaak 4) en
d. een bankpas (zaak 9) en
e. een bankpas (zaak 5) en
f. een bankpas (zaak 7)

hebbende verdachte of zijn mededader telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

(zaak 1)

- zich voorgedaan als medewerker van TNT en
- gezegd dat hij, verdachte, een pakje voor haar had en
- gezegd dat zij 1,25 euro voor het pakje moest betalen en
- gezegd dat hij, verdachte, geen contant geld mocht aannemen en dat er alleen middels pin betaald kon worden en
- de bankpas van die [persoon 7] aangepakt en tegen een smartphone gehouden en
- vervolgens aan die [persoon 7] gevraagd om de pincode in te toetsen en
- tegen die [persoon 7] gezegd dat hij, verdachte, naar zijn auto zou lopen voor een bonnetje

en

(zaak 3)

- zich voorgedaan als pakjesbezorger en
- tegen voornoemde [persoon 5] gezegd dat hij, verdachte, een pakketje voor hem had en
- tegen die [persoon 5] gezegd dat hij 5 Euro moest geven en
- tegen die [persoon 5] gezegd dat hij, verdachte, van zijn baas geen cash geld mocht aannemen en
- tegen die [persoon 5] gezegd dat hij moest pinnen en
- de bankpas van die [persoon 5] aangepakt en tegen een telefoon gehouden en
- vervolgens aan die [persoon 5] gevraagd om de pincode in te toetsen en
- tegen die [persoon 5] gezegd dat hij, verdachte, een papier uit de auto moest pakken dat die [persoon 5] kon tekenen

en

(zaak 4)

- zich voorgedaan als medewerker van Post NL en
- een pakketje in zijn, verdachte's, hand had en
- de woning van die [persoon 8] betreden en
- tegen die [persoon 8] gezegd dat het 2,50 euro kostte en
- tegen die [persoon 8] gezegd dat zij het ook met haar pasje kon betalen en
- de bankpas van die [persoon 8] aangepakt en de pincode aan die [persoon 8] gevraagd en
- de woning verlaten en
- tegen die [persoon 8] gezegd dat hij, verdachte, het in orde zou maken

en

(zaak 9)

- zich voorgedaan als medewerker van TNT en
- tegen die [persoon 9] gezegd dat hij, verdachte, een postpakketje voor haar had en
- tegen die [persoon 9] gezegd dat zij 1,20 euro moest betalen en
- tegen die [persoon 9] gezegd dat hij, verdachte, geen contant geld mocht aannemen en
- tegen die [persoon 9] gezegd dat zij 1,20 euro moest pinnen en
- de pinpas van die [persoon 9] onder een apparaat gehouden en
- vervolgens die [persoon 9] haar pincode laten intoetsen en
- tegen die [persoon 9] gezegd dat hij, verdachte, naar zijn auto moest lopen om het pakketje uit de auto te halen;

en

(zaak 5)

- tegen die [persoon 10] gezegd dat hij, verdachte, een pakketje voor hem had en
- tegen die [persoon 10] gezegd dat hij 1,85 euro moest betalen voor het pakketje en
- tegen die [persoon 10] gezegd dat hij dit bedrag moest pinnen en- tegen die [persoon 10] gezegd dat hij, verdachte, de bankpas mee moest nemen naar zijn, verdachte's, auto

en

(zaak 7)

- zich voorgedaan als medewerker van TNT en
- gezegd dat hij een pakketje had voor [naam] en
- tegen die [persoon 11] gezegd dat zij 1,25 euro moest betalen voor het pakketje en
- tegen die [persoon 11] gezegd dat zij dit bedrag alleen via de pin kon betalen en
- de bankpas van die [persoon 11] aan de achterzijde in een mobiel pinautomaat gestoken en
- die [persoon 11] haar pincode laten intoetsen en
- zijn, verdachte's, telefoon gepakt en een gesprek gevoerd en gezegd: "de app is goed" en
- tegen die [persoon 11] gezegd dat hij een papier ging pakken dat zij moest ondertekenen en
- tegen die [persoon 11] gezegd dat hij een bon aan haar ging geven

waardoor voornoemde personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 2

(zaak 1, 3, 4, 5, 7 en 9)

op

a. 4 januari 2017 (zaak 1) en
b. 6 januari 2017 (zaak 3) en
c. 10 januari 2017 (zaak 4) en
d. 12 januari 2017 (zaak 9) en
e. 4 januari 2017 (zaak 5) en
f. 30 december 2016 (zaak 7)

te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. een geldbedrag van 40 euro (zaak 1) en
b. geldbedragen van 250 euro en 705 euro en 1000 euro (zaak 3) en
c. geldbedragen van 250 euro en 1000 euro (zaak 4) en
d. een geldbedrag van 400 euro (zaak 9) en
e. geldbedragen van 1000 euro en 250 euro (zaak 5) en
f. geldbedragen van 250 euro en 90 euro (zaak 7)

geheel toebehorende aan

a. [persoon 7] (zaak 1) en
b. [persoon 5] (zaak 3) en
c. [persoon 8] (zaak 4) en
d. [persoon 9] (zaak 9) en
e. [persoon 10] (zaak 5) en
f. [persoon 11] (zaak 7)

waarbij verdachte of zijn mededader zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te [nemen] geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (telkens een bankpas met pincode), tot het gebruik waarvan hij, verdachte of zijn mededader telkens niet gerechtigd en gemachtigd was;

Feit 4

op 21 maart 2017 te Amsterdam

a. een Ipad (merk Apple; serienummer [serienummer 1] ) en
b. een Ipad (merk Apple; serienummer [serienummer 2] ) en
c. een Ipad mini (merk Apple; serienummer [serienummer 3] ) en
d. een Ipad (merk Apple; serienummer [serienummer 4] ) en
e. een Ipad (merk Apple; serienummer [serienummer 5] )

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de raadsvrouw van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft primair vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit, zodat dus geen straf moet volgen. Subsidiair verzoekt zij rekening te houden met het feit dat verdachte zich reeds zeven maanden in voorlopige hechtenis bevindt en met de positieve reclasseringsrapportages en het gegeven dat verdachte een jongeman is die gemotiveerd is om iets van zijn leven te maken.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in de periode van 30 december 2016 tot en met 12 januari 2017 door middel van een babbeltruc van zes slachtoffers (waarvan de meeste op hoge leeftijd zijn) de pincode en pinpas afhandig gemaakt. Daarnaast heeft hij zich op 21 maart 2017 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vijftal iPads, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.
Verdachte en/of zijn medeverdachte hebben zich bij deze delicten voorgedaan als pakketbezorger en hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in die hoedanigheid van de slachtoffers wisten te winnen. Met een geraffineerd en listig verhaal hebben zij de slachtoffers bewogen tot het afgeven van de pincode van hun bankpas, welke bankpas ook tijdens de babbeltruc is ontvreemd. Vervolgens zijn de slachtoffers kort hierna door verdachte of zijn mededader bestolen, doordat met de ontvreemde bankpassen en verkregen pincodes (aanzienlijke) geldbedragen van de rekeningen van de slachtoffers zijn opgenomen, waardoor verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. Dit zijn op zichzelf ernstige feiten, die naast (financiële) schade vaak veel overlast en gevoelens van onmacht en onveiligheid bij de slachtoffers teweeg brengen.

Daarbij komt dat verdachte bij het plegen van deze feiten kennelijk steeds doelbewust ouderen en fysiek beperkten als slachtoffer heeft uitgekozen. Deze kwetsbare personen zijn doorgaans in toenemende mate van de zorg van anderen afhankelijk en zijn derhalve genoodzaakt om op anderen te vertrouwen. Verdachte heeft slechts uit eigen financieel gewin gehandeld en heeft zich niet bekommerd om de uitwerking van zijn handelen op – juist – deze slachtoffers. Van een aantal slachtoffers is hun oude dag plotseling getekend door angst en wantrouwen jegens de medemens. Tevens neemt de rechtbank in ogenschouw dat de oplichting bij de slachtoffers aan de deur en soms zelfs in de woning heeft plaatsgevonden, waardoor verdachte bij de slachtoffers het gevoel van veiligheid in en rond hun huis ernstig heeft aangetast.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 augustus 2017 eerder voor vermogensdelicten veroordeeld. Bovendien heeft hij eerder voorwaardelijke straffen opgelegd gekregen en begeleiding gekregen vanuit de Top600. Deze kansen hebben verdachte kennelijk niet weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Uit de reclasseringsrapportage van Reclassering Nederland van 24 juli 2017 blijkt onder meer dat de ontvankelijkheid voor begeleiding en of behandeling matig is. Daarnaast legt verdachte de oorzaak en verantwoordelijkheid buiten zichzelf en lijkt hij zich vooral slachtoffer te voelen van onderhavige feiten. Dit beeld wordt bevestigd door hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Duidelijk is geworden dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Gelet op de ernst van de feiten, het aantal feiten in een relatief korte periode, de rol die verdachte daarbij had en de mate van veronachtzaming van de belangen van de slachtoffers komt alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 311, 326 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
Diefstal, door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:
Schuldheling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en J.M. Jongkind, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2017.