Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7514

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
13/751638-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

overlevering / Kroatië / gelijkstellingsverweer duurzame partner verworpen / getuigenverklaringen onvoldoende voor bewijs duurzame relatie / detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751638-17

RK nummer: 17/4788

Datum uitspraak: 12 oktober 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 juli 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2017 door de County Court of Zagreb, Prison Sentence Execution Center (Kroatië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Kroatië) op [geboortedatum] 1963,

verblijvend op het adres [verblijfadres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 september 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.W. Newitt, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Servo-Kroatische taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the County Court in Zagreb (K-43/01) van 12 juli 2004.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 september 2017 nog 4 jaar en 5 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis en bevestigd in hoger beroep bij vonnis van 2 februari 2016.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 22 september 2017 het volgende verklaard:

“The judgment of 3 February 2006 (…) was never personally served upon the convict. This judgment will be served upon the convict promptly after his extradition (de rechtbank begrijpt: surrender) and the convict will at that time be informed of his right to seek case reopening or his right to appeal (the right to appeal, i.e. the remedy advice, is provided for on page 15 of the judgment), so the convict will be made aware of his right by such means as well. In case the convict appeals the judgment, he will be allowed to appear before the second instance council that will decide the appeal, and if the convict applies for reopening, he will be allowed to take part in the proceeding reexamining the merits of the case, including presentation of new evidence which may also be proposed by the convict. In any case, the convict will be allowed to make statements concerning such evidence presented in relation to the judgment or his case reopening application, and will be allowed to propose new evidence based on which the court may render a judgment releasing him of criminal liability. In case the convict submits an appeal, rather than a case reopening application, the law provides for the possibility for the second-instance court, which is in this case the Supreme Court of the Republic of Croatia, to accept his appeal and reverse the challenged judgment and declare a retrial.”

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12 sub d OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 1 waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Kroatië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feiten 2 tot en met 5 niet in redelijkheid aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

en

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd

en

Diefstal

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft echter zijn onschuld tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De verdediging heeft in het bijzonder aangevoerd dat de opgeëiste persoon feit 2 niet kan hebben gepleegd omdat hij vanaf 2001 altijd in Nederland heeft verbleven. De verdediging heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van verschillende getuigen en de rechtbank verzocht deze getuigen ter zitting in de gelegenheid te stellen hun verklaringen toe te lichten. De rechtbank heeft vastgesteld dat noch in de schriftelijke verklaringen van de getuigen, noch ter zitting is gesteld dat deze getuigen specifiek kunnen verklaren over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in Nederland op 25 september 2002.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot (partiële) weigering van de overlevering. Om die reden heeft de rechtbank het verzoek om de getuigen daarover te doen horen ter zitting afgewezen.

6 Het beroep op gelijkstelling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW

De verdediging heeft gesteld dat de opgeëiste persoon voor de overlevingswet gelijkgesteld dient te worden met een Nederlander. Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon als Kroatisch staatsburger recht heeft op een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger omdat hij meer dan vijf jaren aaneengesloten rechtmatig als kunstenaar in Nederland heeft geleefd.
Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de opgeëiste persoon meer dan vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als ongehuwde partner die een duurzame relatie heeft met een burger van de Unie als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. De partner van de opgeëiste persoon heeft de Finse nationaliteit en verblijft meer dan vijf jaar in Nederland als werkneemster. De verdediging heeft ter onderbouwing van deze stelling getuigen naar de zitting meegebracht, waaronder de partner van de opgeëiste persoon.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

De rechtbank verwerpt dit gelijkstellingsverweer en overweegt daartoe het volgende.

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon rechtmatig in Nederland heeft verbleven als Unieburger, omdat hij de Kroatische nationaliteit heeft en werkzaam is als kunstenaar overweegt de rechtbank dat dit beroep niet slaagt om de volgende redenen.

Daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon voor deze werkzaamheden beschikte over de tewerkstellingsvergunning die volgens bijlage V bij het Toetredingsverdrag van Kroatië tot de Europese Unie vereiste tewerkstellingsvergunning is vereist, zou de opgeëiste persoon nog geen vijf jaar op deze grond in Nederland kunnen verblijven aangezien Kroatië pas op 1 juli 2013 tot de Europese Unie is toegetreden.

Om te kunnen spreken van onafgebroken rechtmatig verblijf als partner die een duurzame relatie heeft met een Unieburger als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb 2000, dient degene die stelt aan de daarvoor geldende eisen te voldoen, aan te tonen dat zijn partner meer dan vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat hij een deugdelijk bewezen duurzame relatie met deze partner heeft.

De verdediging heeft ter onderbouwing van de stelling dat de opgeëiste persoon op deze grond duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen diverse getuigen meegebracht, waaronder de partner van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft het verzoek om deze getuigen ter zitting te horen afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat in de bestuursrechtelijke verblijfsprocedure de vrije bewijsleer geldt en dat het declaratoire verblijfsrecht als duurzame partner van een Unieburger dus met alle passende middelen kan worden aangetoond, niet met zich brengt dat de rechtbank het bestaan van een dergelijke relatie enkel op basis van getuigenverklaringen dient aan te nemen.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat aan een gestelde relatie tussen ongehuwde partners nadere regels kunnen worden gesteld (zie ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5635). Te denken valt daarbij allereerst aan een samenlevingsovereenkomst of relatieverklaring als bedoeld in artikel 8.13, derde lid, onder c en f, Vb 2000 of en bij gebreke daaraan, andere stukken, zoals een gezamenlijke bankrekening, een gezamenlijk huurcontract of poststukken gericht aan de opgeëiste persoon geadresseerd aan het gemeenschappelijke adres.

In het onderhavige geval heeft de opgeëiste persoon zich eerst op 27 juli 2017 bij de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres waar hij met zijn partner gezamenlijk woonachtig stelt te zijn. De verdediging heeft echter geen (objectieve) documenten overgelegd waarmee het bestaan van een duurzame relatie in de periode daaraan voorafgaand wordt onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat het bewijs in deze zaak van de gestelde duurzame relatie niet enkel aangenomen kon worden op grond van getuigenverklaringen. De rechtbank heeft om deze reden de getuigen ter zitting niet gehoord en verwerpt ook hierom het gelijkstellingsverweer.

7 Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat

De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een flagrante schending van de in artikel 4 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vastgelegde rechten van de opgeëiste persoon, omdat de opgeëiste persoon gedurende zijn voorarrest in 1999 en 2000 ernstig en hevig is mishandeld door de Kroatische autoriteiten.

Daarnaast heeft de raadsman zich onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Muršić tegen Kroatië (20 oktober 2016, nr. 7334/13) op het standpunt gesteld dat in ieder geval in de Bjelovar gevangenis sprake is van zodanig weinig ruimte voor gedetineerden dat dit in strijd is met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (en dus van het overeenkomstige artikel 4 van het Handvest). De raadsman heeft daarom bepleit dat een garantie moet worden verstrekt dat de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon zullen voldoen aan de internationale normen, om te voorkomen dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een schending als hiervoor bedoeld.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van de verweren.

De rechtbank overweegt het volgende.

De opgeëiste persoon heeft bij zijn verweer gewezen op een eigen eerdere ervaring die hij zou hebben opgedaan bij zijn voorarrest in Kroatië voor de feiten waarvoor nu ook overlevering wordt verzocht. Hij heeft dit niet met bewijs gestaafd. Zijn eigen verklaring en de verwijzing naar getuigen met wie hij zijn ervaringen heeft gedeeld, zijn ter onderbouwing daarvan onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gezien het bovenstaande niet kan slagen, nog daargelaten het gegeven dat Kroatië partij is bij het EVRM en het individueel klachtrecht kent.

Ten aanzien van de gestelde slechte algemene detentieomstandigheden in Kroatië overweegt de rechtbank het volgende. Op 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198) geoordeeld over de wijze waarop getoetst moet worden of detentieomstandigheden in het land van de uitvaardigende lidstaat leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest.

Hierbij dient de rechtbank eerst te onderzoeken of zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Hiertoe dient de rechtbank zich ingevolge genoemd arrest van het Hof van Justitie te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM), uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.

Bij uitspraak van 5 juli 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:4596) heeft de rechtbank overwogen dat uit de destijds beschikbare informatie niet kon worden geconcludeerd dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Kroatië zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat uit het door de opgeëiste persoon aangehaalde arrest inzake Muršić tegen Kroatië niet kan worden afgeleid dat een dergelijk algemeen gevaar bestaat voor de Bjelovar gevangenis. Weliswaar heeft het EHRM in die zaak geoordeeld dat een schending van artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden, maar dit betrof enkel de periode dat hij 27 dagen aaneengesloten in een cel was geplaatst waar zijn persoonlijke ruimte minder dan 3 m² bedroeg. Noch uit dit arrest (zie in dit verband in het bijzonder r.o. 142), noch uit andere gegevens kan worden afgeleid dat dit een structurele situatie betreft in Bjelovar en/of andere detentieinstellingen in Kroatië. Bovendien betrof dit een detentie die plaatsvond in 2010, derhalve geruime tijd voor de periode dat het CPT Kroatië heeft bezocht (19 tot en met 27 september 2012).

De rechtbank is ook overigens niet bekend met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit zou volgen dat in het algemeen bij overlevering naar Kroatië een reëel gevaar op schending van artikel 4 van het Handvest zou bestaan.

Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande evenmin aanleiding vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW, en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de County Court of Zagreb, Prison Sentence Execution Center (Kroatië), ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J. Edgar, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en A. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.