Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7486

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
6232756 KK EXPL 17-857
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een huurder van een woning in Amsterdam-West die overlast veroorzaakte, hoeft zijn huis niet uit. Woningcorporatie Rochdale had ontruiming van de woning geëist, maar daarin gaat de kantonrechter niet mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6232756 KK EXPL 17-857

vonnis van: 2 oktober 2017

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

de stichting Woningstichting Rochdale

gevestigd te Amsterdam

eiseres

nader te noemen: Rochdale

gemachtigde: mr. R.N.E. Visser

t e g e n

1 [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam belanghebbende]
2 [gedaagde 2] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam belanghebbende]

wonende/althans gevestigd te [plaats]

gedaagden
nader te noemen [gedaagde 1] , respectievelijk [naam belanghebbende] en tezamen gedaagden

gemachtigde: mr. J.W.C. Bruins

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 18 augustus 2017 met producties, heeft Woningstichting Rochdale een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 18 september 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Woningstichting Rochdale is verschenen bij [naam sociaal beheerder] (sociaal beheerder) vergezeld door de gemachtigde. Gedaagden zijn verschenen bij hun gemachtigde en vergezeld door de belanghebbende [naam belanghebbende] en zijn vriendin [naam vriendin] en namens Mentrum: [naam 1] , [naam 2] (psychiater) en [naam 3] . Partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting (gedaagden aan de hand van een pleitnota) hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[naam belanghebbende] (verder: [naam belanghebbende] ) huurt sinds 14 november 2014 van Rochdale de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Het betreft een sociale huurwoning.

1.2.

Ingevolge artikel 8 lid 10 van de toepasselijke Algemene huurvoorwaarden dient [naam belanghebbende] ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen hinder of overlast wordt veroorzaakt door hemzelf, zijn huisgenoten, huisdieren en/of derden die zich in het gehuurde bevinden.

1.3.

Bij beschikking van 1 december 2014 is een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam belanghebbende] , met benoeming van “ [gedaagde 1] , handelend onder de naam [gedaagde 2] ” tot bewindvoerster.

1.4.

Op 19 december 2016 heeft mevrouw [naam onderbuurvrouw] , de onderbuurvrouw van [naam belanghebbende] , bij Rochdale geklaagd over geluidsoverlast vanuit de woning van [naam belanghebbende] . In de notitie die Rochdale hiervan heeft opgemaakt staat:
“Bew woont al 15 jaar in deze woning, heeft al vaker contact gehad ivm geluidsoverlast (VLOER BOVEN HAAR nr [nummer] ) haar plafond is verwijderd + vloer ovenburen is aangepast. Nu heeft zij nieuwe buren en voelt zij zich niet meer veilig en prettig. Zij heeft geluidsoverlast en wordt niet gehoord, slaapt nu tijdelijk bij haar oeder met haar dochter. Graag contact met haar opnemen.”

1.5.

Daarna heeft [naam onderbuurvrouw] opnieuw herhaaldelijk bij Rochdale geklaagd over overlast veroorzaakt door [naam belanghebbende] . Het gaat hierbij onder andere om luidruchtig bezoek en ruzies, drugsgebruik (hasj en wiet), harde muziek en het slaan met ramen en deuren.

1.6.

Rochdale heeft [naam belanghebbende] begin maart 2017 gesommeerd om een einde te maken aan de overlast.

1.7.

[naam belanghebbende] heeft daarop met Rochdale afspraken gemaakt om de overlast te stoppen en beterschap beloofd.

1.8.

Een maand later komen er bij Rochdale opnieuw klachten binnen over overlast van de zijde van [naam belanghebbende] . Deze zouden met name slaan op het klapperen van ramen en balkondeuren van de woning, die [naam belanghebbende] bij zijn afwezigheid open had laten staan. Ook toen is hij gesommeerd door Rochadale om de overlast te staken.

1.9.

Op 14 maart 2017 heeft Rochdale de zaak aangemeld bij het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. [naam belanghebbende] is nadien met een rechterlijke machtiging opgenomen bij GGZ het Mentrum.

1.10.

Op 20 maart 2017 heeft [naam naaste buurvrouw] de naaste buurvrouw van [naam belanghebbende] een registratieformulier overlast ingevuld waarbij zij onder meer heeft geschreven dat zij vanaf half januari 2017 wekelijks overlast ervaart door [naam belanghebbende] bestaande uit onder meer hysterische ruziepartijen, keiharde muziek en klapperende ramen en deuren.

1.11.

Tijdens de opname van [naam belanghebbende] hebben vrienden van hem op 3 mei 2017 spullen voor [naam belanghebbende] in zijn woning opgehaald. Toen is ook door [naam onderbuurvrouw] over geluidsoverlast geklaagd.

1.12.

Op 19 mei 2017 is [naam belanghebbende] weer in de woning gaan wonen.

1.13.

Bij e-mail van 14 juni 2017 heeft Rochdale [naam belanghebbende] aangemaand zich binnen 24 uur op te laten nemen bij GGZ.

1.14.

In antwoord op een verzoek van de gemachtigde van [naam belanghebbende] om een langere termijn heeft [naam sociaal beheerder] op 26 juni 2017 aan hem geschreven:
“Mocht het zo zijn dat de heer [naam belanghebbende] zich nog niet heeft gemeld dan dient hij dit binnen 24 uur te doen (uiterlijk dinsdag 26 juni 2017, 16.00 uur). Dan zullen wij hierop geen verder juridische stappen nemen.”

1.15.

[naam belanghebbende] heeft zich binnen deze termijn gemeld.

1.16.

Rochdale heeft [naam onderbuurvrouw] eind juni 2017 een andere woning aangeboden, welke woning [naam onderbuurvrouw] heeft geaccepteerd.

1.17.

Op 6 juli 2017 hebben [naam onderbuurvrouw] en [naam naaste buurvrouw] bij Rochdale geklaagd dat [naam belanghebbende] in de woning door het lint zou gaan en dat met potten en pannen werd gesmeten. [naam belanghebbende] is toen door de politie meegenomen en toen door een psychiater onderzocht.

1.18.

De heer [naam buurtregisseur] , buurtregisseur, heeft in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 13 juli 2017 onder meer het volgende verklaard:
“Ik krijg sinds 19 maart 2017 voortdurende meldingen van overlast betreffende genoemd adres. De rust in de onmiddellijke omgeving van voornoemd perceel wordt door deze bewoner en diens vrienden behoorlijk verstoord.
Deze bezoekers, veelal drugsgebruikers, houden zich vaak gedurende vele uren per dag/nacht op of in de omgeving van het pand. Vaak bellen zij, soms per ongeluk, bij de buren aan en roepen met luide stem om binnengelaten te worden. Ook krijgen deze drugsgebruikers geregeld ruzie in de woning, trappenportaal of voor het pand, wat dan luide scheldpartijen met zich mee brengt. Hierdoor voelen omwonenden zich onveilig.
Teven wordt dit non-veiligheidsgevoel versterkt doordat in de directe omgeving regelmatig geweldsdelicten, diefstal uit woningen en auto’s en soms ook berovingen plaatsvinden.
De boven opgesomde feiten bleken mij uit eigen waarneming, eerder opgemaakte processen-verbaal en dagelijkse mondelinge- en schriftelijke klachten van de buurtbewoners.
Ik bemerk dat genoemde overlastklachten de afgelopen maanden sterk in omvang en ernst toegenomen zijn en heb sinds toen vele malen persoonlijk dan wel telefonisch bemiddelingsgesprekken gevoerd met buurtbewoners, begeleiders van het Mentrum, werknemers van het stadsdeel, afdeling extreme overlast. Deze bemiddelingsgesprekken hebben helaas niet geleidt tot een vermindering van de overlastklachten.”

1.19.

Bij brief van 4 augustus 2017 heeft Rochdale [naam belanghebbende] verzocht de huurovereenkomst op te zeggen. [naam belanghebbende] heeft hieraan niet voldaan.

1.20.

Bij brief van 9 augustus 2017 wordt door het Meldpunt Zorg en Woonoverlast en de aldaar aangesloten ketenpartners meegedeeld dat het ondanks de inspanningen die zijn gepleegd tot op heden niet is gelukt de overlast te doen ophouden.

1.21.

Er is geen zogenoemde Einde Interventieverklaring afgegeven.

Vordering

2. Rochdale vordert
primair veroordeling van gedaagden om de woning binnen acht dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag en bij gebreke van de ontruiming om Rochdale te machtigen deze zelf te doen uitvoeren op kosten van gedaagden, desnoods met behulp van de sterke arm, met veroordeling van gedaagden tot betaling van de huur vanaf 31 augustus 2017 zolang gedaagden de woning in gebruik houden;
subsidiair veroordeling van gedaagden tot nakoming van de huurovereenkomst, meer in het bijzonder om geen overlast te (doen) veroorzaken, op straffe van ontruiming van de woning bij opnieuw overlast na datum van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per dag met een maximum van € 50.000,-.

3. Rochdale stelt hiertoe dat [naam belanghebbende] stelselmatig en langdurig overlast veroorzaakt, waarmee hij tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen die hij uit hoofde van de huurovereenkomst heeft en in zijn verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Zelfs na de allerlaatste waarschuwing heeft [naam belanghebbende] op 5 juli 2015 weer overlast veroorzaakt. Het tekortschieten door [naam belanghebbende] is volgens haar zo ernstig dat dit tekortschieten in een bodemprocedure een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Volgens Rochdale ondervinden ook andere buren dan [naam onderbuurvrouw] en [naam naaste buurvrouw] overlast van [naam belanghebbende] maar zijn zij bang om daarover een verklaring af te geven. Er dient zo spoedig mogelijk een eind te komen aan deze overlast en Rochdale heeft daarom recht en belang om thans bij wijze van voorlopige voorziening een ontruiming van de woning te vorderen.

Verweer

4. Gedaagden [gedaagde 1] (BM over [naam belanghebbende] )voeren allereerst aan dat Rochdale ten onrechte de vennootschap in rechte heeft betrokken. Uit de beschikking van de rechtbank blijkt volgens hen duidelijk dat [gedaagde 1] tot bewindvoerder is benoemd. De vordering dient dan ook tegen de vennootschap te worden afgewezen met veroordeling van Rochdale in de kosten van het geding.

5. [naam belanghebbende] betwist dat hij overlast heeft veroorzaakt. Hij wijst erop dat de meldingen van overlast vrijwel allemaal afkomstig zijn van één omwonende, [naam onderbuurvrouw] , die ook bij de vorige bewoner veel over geluidsoverlast heeft geklaagd. Normale leefgeluiden worden door haar al als overlast ervaren.

6. [naam belanghebbende] betwist dat hij na de brief van 26 juni 2017 overlast heeft veroorzaakt. Hij loopt op sokken door zijn huis en ontvangt geen bezoek meer. Omdat er zo op hem wordt gelet en hij wegens zijn psychiatrisch verleden steeds niet wordt geloofd, voelt hij zich niet meer prettig in de woning. [naam belanghebbende] betwist met klem dat hij op 5 juli 2017 overlast heeft veroorzaakt door onder andere met pannen te gooien. Hij was toen niet in zijn woning aanwezig en kwam aanlopen toen de politie al was gearriveerd.

7. Volgens [naam belanghebbende] dient de ontruiming ook om zijn persoonlijke omstandigheden te worden afgewezen. Een einde interventieverklaring ontbreekt en de psychiater en het Mentrum achten hem in staat zelfstandig te wonen. Hij heeft een voorwaardelijke rechterlijke machtiging en wordt meteen opgenomen op het moment dat hij psychisch instabiel is. Daarbij komt dat het convenant tussen de gemeente en de woningcorporaties bepaalt dat huurders met een rechterlijke machtiging niet ontruimd mogen worden, ter voorkoming dat dergelijke personen op straat komen te staan en het probleem zich verplaatst. De machtiging loopt over ongeveer twee maanden en af kan bij terugval verlengd worden, aldus [naam belanghebbende] .

Beoordeling

8. Uit de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2014 blijkt dat een bewind is ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam belanghebbende] , met benoeming van [gedaagde 1] , handelend onder de naam [gedaagde 2] tot bewindvoerster. Dit betekent dat de [gedaagde 2] geen bewindvoerster van [naam belanghebbende] is en dat Rochdale daarom in haar vordering tegen [gedaagde 2] niet ontvankelijk zal worden verklaard.

9. Rochdale zal worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 2] welke tot aan deze uitspraak zullen worden begroot op nihil.

10. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van Rochdale in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

11. De kantonrechter stelt voorop dat de gevorderde ontruiming van woonruimte een vergaande maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder, en in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Om die reden zal een onverwijlde ontruiming in kort geding slechts gerechtvaardigd zijn, als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden.

12. Vast staat dat [naam onderbuurvrouw] en [naam naaste buurvrouw] vanaf december 2016 herhaaldelijk hebben geklaagd over het woongedrag van [naam belanghebbende] en over het gedrag van zijn bezoek. Gelet hierop en het proces-verbaal van de wijkagent van 13 juli 2017 is voorshands voldoende komen vast te staan dat [naam belanghebbende] en de onder zijn verantwoordelijkheid vallende bezoekers overlast aan omwondenden hebben veroorzaakt. Volgens [naam belanghebbende] is de overlast minder ernstig dan deze volgens Rochdale zou zijn. Mede in het licht van de inhoud van voormelde klachten en het proces-verbaal van de wijkagent, acht de kantonrechter dit niet aannemelijk. Voorshands is de kantonrechter dan ook van oordeel dat er een grote mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [naam belanghebbende] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende huurdersverplichtingen.

13. Vervolgens rijst de vraag -gelet op het daartoe strekkende verweer van [naam belanghebbende] - of voormeld tekortschieten van [naam belanghebbende] de gevorderde ontbinding kan rechtvaardigen.

14. Voorshands kan die vraag naar het oordeel van de kantonrechter niet bevestigend worden beantwoord, althans kan voorshands niet zonder meer gezegd worden dat de bodemrechter met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen dat de gevorderde ontbinding gerechtvaardigd is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

14. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming ultimum remedium te zijn. Deze middelen om de overlast te doen beëindigen, komen pas aan de orde als alternatieve middelen om de overlast veroorzakende huurder tot ander gedrag te bewegen niet hebben mogen baten.

14. Vast staat dat [naam belanghebbende] een voorwaardelijke rechterlijke machtiging heeft en zich (op verzoek van Rochdale) rond 27 juni 2017 bij het Mentrum heeft gemeld en daar onder behandeling is van een psychiater.

14. Vast staat verder dat de Gemeente Amsterdam geen einde interventieverklaring heeft afgegeven. Niet is komen vast te staan waarom dit niet is gebeurd. Het is derhalve, mede gelet op de verklaring van de behandelend psychiater en het Mentrum dat zij [naam belanghebbende] in staat achten zelfstandig te wonen, niet zonder meer aannemelijk geworden dat [naam belanghebbende] woongedrag met behulp van goede begeleiding niet tot verbetering kan leiden. Daar komt bij dat [naam belanghebbende] door de voorwaardelijke rechterlijke machtiging bij overlast veroorzakend gedrag eenvoudig kan worden opgenomen.

14. De onderbuurvrouw [naam onderbuurvrouw] is inmiddels verhuisd. [naam belanghebbende] wenst zelf ook te verhuizen. Niet is gebleken dat Rochdale heeft onderzocht of [naam belanghebbende] naar een andere (minder gehorige) woonruimte kan verhuizen.

14. Gelet op de bovengenoemde omstandigheden acht de kantonrechter de gevorderde ontruiming dan ook prematuur. Voorshands kan dan ook niet gezegd worden dat er een zeer grote mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de bodemrechter de vorderingen tot ontbinding en ontruiming zal toewijzen.

20. Nu wel aannemelijk is geworden dat [naam belanghebbende] overlast heeft veroorzaakt en te kort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, zal de vordering tot nakoming van de huurovereenkomst worden toegewezen. De hieraan verbonden vordering tot ontruiming en tot betaling van een dwangsom zal worden afgewezen aangezien Rochdale niet, althans onvoldoende heeft gespecificeerd welke gedragingen als overlast worden beschouwd.

21. Nu beide partijen in het ongelijk zijn gesteld bestaat er aanleiding de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart Rochdale in haar vordering tegen [gedaagde 2] niet ontvankelijk;

veroordeelt Rochdale in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde 2] tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

veroordeelt [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam belanghebbende] tot nakoming van de huurovereenkomst, meer in het bijzonder om geen overlast te (doen) veroorzaken;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde tegen [gedaagde 1] af.

Aldus gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.