Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7479

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
AWB 16/8116 en AWB 16/8117
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op grond van de Wet openbaarheid van bestuur twee verzoeken gedaan om openbaarmaking van stukken. Verweerder heeft geweigerd de stukken over te leggen aan eiser. Verweerder heeft tevens geweigerd deze stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan de rechtbank te overleggen. Er is sprake van een motiveringsgebrek. Tevens geen sprake van gewichtige redenen om weigering van de stukken te rechtvaardigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/8116 en 16/8117

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

de Korpschef van Politie, Korpsstaf, Wob-coordinatiedesk, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W.L. van Limbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder naar aanleiding van een verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geweigerd documenten openbaar te maken.

Bij besluit van 21 november 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 juli 2016 (het primaire besluit II) heeft verweer naar aanleiding van een verzoek van eiser om informatie op grond van de Wob geweigerd documenten openbaar te maken

Bij besluit van 21 november 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. De beroepen zijn gevoegd behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Feiten, omstandigheden en standpunten van partijen

1.1.

Bij brief van 6 oktober 2015 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van documenten en informatie die bij verweerder berust over – kort gezegd – het bedrijf [naam 1] . Als voorbeelden noemt eiser onderzoeken, evaluaties, notulen, beleidsdocumenten, meldingen, mutaties en andere documenten.

1.2.

Bij brief van 6 oktober 2015 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van documenten en informatie die bij verweerder berust over – kort gezegd – het bedrijf [naam 2] en/of [naam 3] . Als voorbeelden noemt eiser onderzoeken, evaluaties, notulen, beleidsdocumenten, meldingen, mutaties en andere documenten.

1.3.

Verweerder heeft geweigerd de stukken te overleggen. Verweerder overweegt in het primaire besluit I dat [naam 1] een leverancier van [product] is. Er is wereldwijd een zeer beperkt aantal leveranciers van dergelijke systemen. Inzicht in die systemen betekent ook inzicht in de functionaliteiten ervan, hetgeen schade voor opsporing en vervolging met zich meebrengt. Op het prijsgeven van informatie over de (leveranciers van) [product] berust bovendien een beperking omdat de relatie tussen de politie en die leveranciers is gebaseerd op vertrouwelijkheid.

1.4.

Verweerder overweegt in het primaire besluit II dat het verzoek om informatie ziet op het openbaar maken van informatie van bedrijven waarmee de politie overeenkomsten zou kunnen hebben. Openbaarmaking van deze gegevens vormt een onaanvaardbaar risico voor die overeenkomsten. Daarom kunnen er geen mededelingen worden gedaan.

1.5.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar ingesteld. In de bestreden besluiten worden de weigeringsgronden nader gemotiveerd. Er is volgens verweerder sprake van bedrijfs- en fabricagegegevens, die door rechtspersonen vertrouwelijk aan de politie zijn meegedeeld. Daarnaast dient het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder te wegen dan het belang van openbaarheid. Bij het bekend raken van de namen van de producenten kan de stand van de techniek van de technische hulpmiddelen die de politie gebruikt bekend raken en kan opsporing en vervolging bemoeilijkt worden. Als laatste dient het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van de betrokkenen zwaarder te wegen dan het belang van openbaarheid. In het geval er namen van producenten/leveranciers openbaar gemaakt zouden worden, loopt de politie de niet ondenkbeeldige kans dat de producent/leveranciers niet willen leveren aan de politie, waardoor de politie beperkt wordt in haar keuze voor producent/leverancier en onevenredig in haar belang wordt getroffen. Daarnaast is niet uit te sluiten dat producenten/leveranciers gevaar lopen doelwit te worden van acties door of namens degenen tegen wie de technische hulpmiddelen ingezet worden.

1.6.

Eiser voert aan dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden wegens een motiveringsgebrek. In de besluiten staat namelijk geen opsomming van de stukken die verweerder naar aanleiding van de verzoeken heeft beoordeeld. Volgens vaste rechtspraak moet verweerder per document de vraag beantwoorden of de in de Wob genoemde weigeringsgronden zich voordoen. De stelling dat zelfs geheim moet blijven welke documenten bij de politie over deze bestuurlijke aangelegenheid berusten mist elke grond, aldus eiser.

Beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft bij brief van 30 december 2016 aan verweerder verzocht om de stukken die hij geweigerd heeft geheel of gedeeltelijk aan eiser te verstrekken in een afzonderlijk gesloten envelop te doen, met daarop de vermelding “geheimhouding artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)”.

2.2.

Verweerder heeft geweigerd voornoemde stukken te overleggen aan de rechtbank. Hiertoe voert verweerder aan dat geen enkele mededeling kan worden gedaan over de producenten/leveranciers van technische hulpmiddelen. Er kan ook geen informatie over het al dan niet bestaan van die informatie worden gegeven omdat dit al teveel inzicht geeft in de aard en omvang van de samenwerking met de verschillende bedrijven.

2.3.

Artikel 8:29 van de Awb maakt een beperking mogelijk op de informatieverplichting die op partijen rust. Het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken kan door een partij worden geweigerd. Voor deze weigering is vereist dat daarvoor “gewichtige redenen” zijn. Het is aan de rechtbank om te bepalen of de aangevoerde redenen van zodanig gewichtige aard zijn dat weigering gerechtvaardigd is. Hierbij houdt de rechtbank rekening met het belang dat de rechter over voldoende informatie beschikt en het belang dat bepaalde gevoelige gegevens niet, of in beperkte mate openbaar worden.

2.4.

De rechtbank zal eerst toetsen of zij over voldoende informatie beschikt om deze zaken op de juiste en zorgvuldige wijze af te doen.

2.5.

De vraag of een door een weigeringsgrond te beschermen belang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, zodat de rechtbank die belangenafweging terughoudend toetst. Bij die toetsing dient overigens het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.1

2.6.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob (bedrijfs- en fabricagegegevens) als volgt motiveert. “Met betrekking tot de technische hulpmiddelen geldt in ieder geval ten aanzien van de functionaliteiten daarvan, welke onmiskenbaar duiden op een leveranciers-afnemersrelatie, dat het door de producent/leverancier vertrouwelijk aan de politie medegedeelde bedrijfs- en of fabricagegegevens betreft”. Van bedrijfs- of fabricagegegevens is volgens vaste rechtspraak slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers.2 De rechtbank is van oordeel dat niet evident is dat alle gevraagde documenten informatie geven over de functionaliteiten van de technische hulpmiddelen. Evenmin is evident dat dat deze informatie bedrijfs- en of fabricagegegevens betreft en vertrouwelijk aan verweerder is medegedeeld. Gelet hierop kleeft er aan de bestreden besluiten een motiveringsgebrek. De beslissingen om alle verzochte documenten niet openbaar te maken, kunnen ook niet worden gedragen door de andere door verweerder toegepaste weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d (inspectie, controle en toezicht) en g (onevenredige bevoordeling of benadeling), van de Wob. Niet evident is dat reeds bij het bekend raken van de namen van de producenten/leveranciers de techniek van de technische hulpmiddelen die de politie gebruikt bekend kunnen raken en opsporing en vervolging bemoeilijkt kan worden. Eveneens is niet evident dat in het geval er namen van producenten/leveranciers openbaar gemaakt zouden worden, de politie de niet ondenkbeeldige kans loopt dat de producent/leveranciers niet willen leveren aan de politie, waardoor de politie beperkt wordt in haar keuze voor producent/leverancier en onevenredig in haar belang wordt getroffen. De bestreden besluiten lijden ook op dit punt aan een motiveringsgebrek. De rechtbank weegt in haar oordeel mee dat zij geen zicht heeft op de aard of de inhoud van de verzochte documenten, zodat zij ook niet via deze weg kan beoordelen of verweerder met betrekking tot eventueel aanwezige documenten tot een juiste beslissing inzake de openbaarmaking is gekomen. Gelet hierop kan de rechtbank geen controle uitvoeren op het handelen van verweerder3.

2.7.

Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder met hetgeen in rechtsoverweging 2.2. is aangevoerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gewichtige redenen die de weigering om de op de zaken betrekking hebbende stukken over te leggen rechtvaardigt. De rechtbank weegt in haar beslissing mee dat zij over onvoldoende informatie beschikt om deze zaken op de juiste en zorgvuldige wijze af te doen.

2.8.

De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten omdat zij zijn genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.9.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser de door hem betaalde griffierechten vergoedt.

2.10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de zaken daarbij aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en

1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluit I en II;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op de betaalde griffierechten van in totaal € 336,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Wettelijk kader

Op grond van het eerste lid van artikel 3 van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Artikel 10, eerste lid, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit:

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.

Artikel 10, tweede lid, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen onder meer een van de volgende belangen:

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

In artikel 7:12 van de Awb is bepaald, voor zover hier van belang, dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn gewichtige redenen voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wob de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. Ingevolge het derde lid van dit artikel beslist de rechtbank of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat indien de rechtbank heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, de verplichting vervalt.

1 De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP4706).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012, ECLI:NLRVS:2012:BX8990.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling van15 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF2889.