Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7440

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5242 en 17_5627
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

8:86 Awb. Artikel 54 vierde lid, PW. Onderzoeksbevoegdheid college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/5242 (verzoek) en AMS 17/5627 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 oktober 2017 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Mous),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, verder het college,

(gemachtigde: H. van Golberdinge).

Procesverloop

Met het besluit van 29 augustus 2017 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken per 2 augustus 2017.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft het college bij besluit van 21 september 2017(het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft op 25 september 2017 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De aanleiding voor het college om de uitkering in te trekken.

1. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering als dakloze. Het college heeft uit een zogenoemd “wit signaal” uit het Suwinet van 6 juni 2017 opgemaakt dat verzoeker in november /december 2016 inkomsten zou hebben ontvangen. Het college heeft verzoeker bij brief van 3 juli 2017 uitgenodigd voor een gesprek op 2 augustus 2017 om te onderzoeken of verzoeker nog recht op bijstand heeft. Verzoeker is niet op dat gesprek verschenen, hij heeft telefonisch meegedeeld geen gesprek te willen. Vervolgens heeft het college de bijstands-uitkering opgeschort met ingang van 2 augustus 2017. Het college heeft verzoeker met de brief van 2 augustus 2017 in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen door hem opnieuw uit te nodigen en wel op 11 augustus 2017. In de uitnodigingsbrief is aangegeven welke stukken hij moest meenemen naar het gesprek (het 7-dagenformulier, arbeidscontract, loonstroken en bankafschriften). Toen verzoeker op die afspraak verscheen, heeft hij geweigerd de betreffende medewerker te woord te staan. Hierop is hij later telefonisch teruggekomen. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft het college verzoeker nogmaals in de gelegenheid gesteld op kantoor te komen op 29 augustus 2017. Verzoeker is toen verschenen maar had niet de gevraagde bankafschriften bij zich. Ook werd het college uit het meegebrachte 7-dagenformulier niet duidelijk waar verzoeker verblijft in “het Vondelpark”. Het college heeft bij besluit van 29 augustus 2017 de uitkering ingetrokken per datum van de opschorting, omdat verzoeker het verzuim niet heeft hersteld, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Na het bezwaar van verzoeker heeft verweerder dit standpunt in het thans bestreden besluit gehandhaafd.

De bezwaren van verzoeker

2. Het is volgens verzoeker overduidelijk dat hij dakloos is en hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij al lange tijd bijstand heeft en nooit is gecontroleerd. Sinds de toekenning van de bijstand is er bovendien niets gewijzigd in zijn situatie. Hij mocht er dan ook van uitgaan dat het wel goed zat. Het witte signaal is volgens verzoeker een farce. Het was helemaal niet nodig om hem op te roepen als verweerder zijn dossier er bij had gepakt. Daar zat bijvoorbeeld zijn brief van 12 februari 2017 in, waarin hij heeft geschreven dat hij in november/december 2016 een paar dagen vrijwilligerswerk heeft gedaan, zonder loon te hebben ontvangen. Verzoeker bestrijdt ook dat het voor het college niet mogelijk zou zijn om zijn verblijfplaats in het Vondelpark te controleren. Ook heeft hij aangeboden zijn bankafschriften via zijn telefoon te laten controleren. De intrekking is volgens verzoeker in strijd met artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1

De voorzieningenrechter stelt met verzoeker vast dat op de zitting de gronden van het beroep voldoende zijn besproken. Nader onderzoek is niet nodig en daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak op het beroep. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.2

Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid genoemd in artikel 54, vierde lid, van de PW, de bijstandsuitkering in te trekken, omdat verzoeker zijn verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Gelet op wat verzoeker heeft aangevoerd, bestrijdt verzoeker primair de bevoegdheid van het college om de bijstand in te trekken en vervolgens of het college in redelijkheid gebruik kon maken van deze bevoegdheid.

3.3

De voorzieningenrechter constateert met het college en verzoeker dat sinds de toekenning van de bijstand in maart 2014 de situatie van verzoeker nooit is geverifieerd. Pas na het ontvangen van het witte signaal heeft het college actie ondernomen om de situatie van verzoeker te verifiëren. Dit betekent echter niet dat - anders dan verzoeker heeft aangevoerd - hij er van uit mocht gaan dat controle niet (meer) nodig was of dat er dan geen onderzoeks-bevoegdheid voor het college zou bestaan. Het witte signaal geeft aan dat loonbelasting is voldaan en loon is betaald op naam van verzoeker. Dit is relevant voor de bijstandsverlening en vraagt om uitleg. Die uitleg had verzoeker kunnen geven op de dagen waarop hij is opgeroepen. Dat verzoeker die uitleg niet nodig vindt, gelet op de inhoud van de brief van

2 februari 2017, had hij in de gesprekken ter sprake kunnen brengen. Het is niet aan verzoeker om op voorhand te bepalen of het wel noodzakelijk is wat het college hem vraagt in verband met de controle op de rechtmatigheid van zijn bijstandsuitkering. Daarbij komt dat het college moet kunnen beschikken over actuele informatie. Verzoeker kan dan ook niet volstaan met het verwijzen naar de informatie die in het dossier zou zitten.

3.4

Verder heeft verzoeker niet de gevraagde bankafschriften ingeleverd. Uit het gespreksverslag van 29 augustus 2017 blijkt dat hij de bankafschriften niet bij zich had. Verzoeker heeft zich toen op zijn privacy beroepen en zou daar geen geld voor hebben. Hem is toen uitgelegd dat de bank dat kosteloos kan leveren. Uit het verslag blijkt niet dat verzoeker toen zou hebben aangeboden via zijn telefoon de bankafschriften te controleren. Bovendien is het twijfelachtig of verzoeker dit aanbod zou hebben gedaan, gezien zijn beroep op de privacy. Het is dan ook aan verzoeker te wijten dat hij het verzuim ten aanzien van de bankafschriften niet heeft hersteld.

3.5

Op het 7-dagenformulier heeft verzoeker opgeschreven “Vondelpark” zonder verdere aanduiding. Ook daarmee heeft verzoeker zijn verzuim niet hersteld. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat dit te algemeen is om verzoekers verblijfplaats te kunnen verifiëren. Ook op dit punt is het verzuim niet hersteld.

3.6

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW voldaan. Dat verzoeker door de intrekking van de bijstand in financiële problemen komt, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

3.7

Verzoeker heeft zich nog beroepen op het besluit waarbij sinds 1 mei 2017 zijn uitkering in positieve zin is aangepast in verband met zijn woonkosten als gevolg van zijn verblijf in hostels. Hij hoefde toen ook geen rekeningen meer te overleggen van de hostels om de kosten daarvan vergoed te krijgen. Daar kon verzoeker echter geen gerechtvaardigd vertrouwen aan ontlenen dat zijn bijstand zonder verdere controle ongewijzigd zou kunnen worden voortgezet. Ten eerste kan dit niet uit het besluit worden afgeleid. Evenmin is gebleken van een rechtens te honoreren toezegging en bovendien geeft artikel 53a van de PW het college onderzoeksbevoegdheden.

4.1

Gelet op het voorgaande verklaart de voorzieningenrechter het beroep ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

4.2

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.