Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7390

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
AMS 17/3308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VOG, hoofdconducteur.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de belangenafweging tot afgifte van de VOG had moeten leiden. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek, omdat de afdoening van één strafbaar feit eiser (relatief) licht is aangerekend nu dit volledig voorwaardelijk is opgelegd. Alle omstandigheden afwegende heeft verweerder de belangenafweging toch in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Het motiveringsgebrek wordt daarom met artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Almere, eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Schonenberg-Zwanenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een door eiser gevraagde verklaring omtrent het gedrag (VOG) geweigerd.

Bij besluit van 21 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Eiser heeft op 3 november 2016 verzocht om afgifte van een VOG voor de functie van [functie] bij de Nederlandse Spoorwegen (NS).

1.2

Bij brief van 14 november 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft hiertegen op 28 november 2016 zijn zienswijze ingediend.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat binnen de zogenaamde terugkijktermijn van tien jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de volgende justitiële gegevens ten aanzien van eiser zijn geregistreerd:

1. eiser is op [datum] in Duitsland onherroepelijk veroordeeld wegens drugsdelicten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd van drie jaar. Ook is aan eiser een verbod opgelegd om met minderjarigen te werken of activiteiten uit te oefenen en een verlies/schorsing van het recht om een bepaald openbaar ambt uit te oefenen;

2. met eiser is op 25 mei 2011 een transactie voor een werkstraf van 25 uur overeengekomen wegens het aanwezig hebben van drugs (artikel 2, aanhef en onder c, juncto artikel 10, derde lid, van de Opiumwet).

Als gevolg van het feit dat eiser binnen de terugkijktermijn voorkomt in het JDS, zijn eisers gegevens zonder tijdsbeperking ontvangen. Daaruit is gebleken dat eiser in 2004 met justitie in aanmerking is gekomen vanwege heling. Vanwege de in het JDS aangetroffen justitiële gegevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan het objectieve criterium is voldaan. Eisers betoog dat hij niet met justitie in aanraking is gekomen wegens een gewelds- of zedendelict doet volgens verweerder niets af aan de vaststelling dat de aangetroffen drugsdelicten, indien herhaald, een risico vormen voor de veiligheid en het welzijn van burgers met wie eiser in de uitoefening van de functie te maken krijgt. In het kader van het subjectieve criterium heeft verweerder betrokken dat het feit uit 2011 eiser licht is aangerekend, in tegenstelling tot het feit uit 2014. Omdat sprake is van recidive, gelet op het beperkte tijdsverloop en de opgelegde proeftijd, acht verweerder de kans dat eiser opnieuw met justitie in aanraking zal komen niet gering. De stelling dat eiser zijn leven heeft gebeterd en zijn financiën op orde heeft, is voor verweerder onvoldoende houvast om te concluderen dat de kans op herhaling niet of gering aanwezig is. Hoewel verweerder het belang van eiser bij afgifte van de VOG erkent en bij de belangenafweging rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG. Naar de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan hoeft volgens verweerder dan niet meer te worden gekeken.

1.4

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 20131 (de Beleidsregels) en is het screeningsprofiel (buitengewoon) opsporingsambtenaar van toepassing verklaard.

Oordeel rechtbank

2. De relevante bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), de relevante paragrafen van de Beleidsregels en het screeningsprofiel (buitengewoon) opsporingsambtenaar zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

3. Tussen partijen is in geschil of verweerder de afgifte van de VOG voor de functie van [functie] heeft kunnen weigeren, waarbij het geschil zich toespitst op de beoordeling van het subjectieve criterium. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat een (buitengewoon) opsporingsambtenaar, zoals een [functie] , een gezagspositie bekleedt en van hem een hoge mate van integriteit mag worden verwacht (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 20122 en 9 augustus 20173).

4. Eiser voert aan dat verweerder bij de toetsing aan het subjectieve criterium beide drugsdelicten in zijn voordeel had moeten meewegen. Ten aanzien van het feit uit 2014 heeft eiser geen straf ondergaan, omdat de opgelegde straf volledig voorwaardelijk is opgelegd. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het opgelegde verbod om met minderjarigen te werken of activiteiten uit te oefenen en verlies/schorsing van het recht om een bepaald openbaar ambt uit te oefenen nooit in Nederland zou zijn opgelegd. Zelfs als wordt geconstateerd dat het feit uit 2014 hem niet licht is aangerekend, is eiser van mening dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd zijn zeer specifiek en het is een eenmalige misstap geweest. Verweerder had de omstandigheden daarom wel bij zijn beoordeling moeten betrekken. Verder voert eiser aan dat verweerder in zijn voordeel het (ruime) tijdsverloop sinds 2014 en de omstandigheid dat slechts twee antecedenten binnen de terugkijktermijn zijn aangetroffen, had moeten meewegen. Daar komt bij dat het feit uit 2011 van een ander niveau is dan verweerder lijkt te suggereren door aan te nemen dat sprake is van recidive en dat daardoor het recidiverisico groot is. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan alle integriteitseisen en een eventueel recidiverisico in aanzienlijke mate is afgenomen. Eiser verwijst hierbij naar het eerder overgelegde rapport van 11 november 2016 van drs. G.J. Broersma en drs. B.L.V. van Vriesland, beide psycholoog bij het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan dit rapport. Ook het enig gewicht toekennen aan het delict uit 2004 is onredelijk. Voorts voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke belang. In zijn voordeel moet meewegen dat hij vanwege de keuze voor de functie van [functie] een verlenging van het contract bij de klantenservice van de NS heeft misgelopen en hierdoor met legen handen is komen te staan.

4.1

De rechtbank overweegt dat het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van de aanvraag niet zou moeten leiden tot weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die in ieder geval bij de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafza(a)k(en), het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

4.2

Partijen zijn het eens dat het strafbare feit uit 2011 – dat ziet op overschrijding van de gebruikershoeveelheid drugs op een festival – en het strafbare feit uit 2004 eiser licht zijn aangerekend. Over de afdoening van het strafbare feit uit 2014 zijn partijen het niet eens. In het door eiser overgelegde verslag van het gerechtelijk vooronderzoek staat dat dit feit ziet op de invoer van marihuana in niet geringe mate en dat het THC4-gehalte hiervan zodanig is dat de grenswaarde met betrekking tot een minder zwaar geval meer dan zevenentwintig keer is overschreden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit een zwaar feit is, maar anders dan verweerder is zij van oordeel dat dit feit eiser relatief licht is aangerekend. De straf is immers volledig voorwaardelijk opgelegd.

4.3

Gelet op het voorgaande weegt in eisers voordeel dat alle in het JDS aangetroffen strafbare feiten hem (relatief) licht zijn aangerekend. Het bestreden besluit kent op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft namelijk in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat, gelet op de laatste veroordeling in 2014 in relatie tot de terugkijktermijn van tien jaar, sprake is van een kort tijdsverloop. Ook heeft verweerder in eisers nadeel kunnen meewegen dat hij binnen de terugkijktermijn tweemaal is veroordeeld voor een drugsdelict en dus sprake is van recidive wegens overtreding van de Opiumwet. Daar komt bij dat, hoewel het feit uit 2014 eiser licht is aangerekend, de opgelegde proeftijd nog van kracht is en verweerder ook dit in het nadeel van eiser heeft kunnen meewegen. Mede in het licht van de hoge integriteitseisen die aan een buitengewoon opsporingsambtenaar worden gesteld en de omstandigheid dat de gepleegde strafbare feiten hiermee niet zijn te verenigen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium een groter gewicht moet worden toegekend aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. Onder deze omstandigheden was verweerder niet verplicht nader onderzoek te doen naar de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan. Daarnaast hoefde verweerder aan het rapport van de NIP-psychologen van 11 november 2016, waaruit blijkt dat eiser veiligheidsgeschikt is verklaard voor de functie van [functie] , niet zodanig gewicht toe te kennen dat hij alsnog tot afgifte van de VOG moest overgaan.

4.4

Verder heeft verweerder in de omstandigheid dat eiser als gevolg van de weigering van de afgifte van de VOG met legen handen staat omdat hij de functie van [functie] niet kan uitoefenen en een verlenging van zijn contract bij de klantenservice van de NS is misgelopen, geen grond hoeven zien om alsnog tot afgifte van een VOG over te gaan. Verweerder hoefde voornoemde omstandigheid niet zwaarder te laten wegen dan de beperking van de risico’s voor de samenleving vanwege het aantal strafbare feiten, het tijdsverloop, de hoge integriteitseisen en de omstandigheid dat de gepleegde feiten hiermee niet zijn te verenigen. Hoewel de rechtbank ziet dat eiser zijn leven heeft gebeterd en zijn teleurstelling over de weigering een VOG af te geven begrijpt, zal eiser nog enige tijd moeten nemen om te laten zien dat hij op de goede weg is om aan de hoge integriteitseisen van een buitengewoon opsporingsambtenaar te voldoen.

Conclusie

5.

5.1

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de afgifte van de VOG heeft kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond.

5.2

De rechtbank ziet in het in rechtsoverweging 4.3 geconstateerde gebrek aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.3

Ook ziet de rechtbank hierin aanleiding verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. van Breenen-van der Zee, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

1. Op grond van artikel 28 van de Wjsg is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

2. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

3. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wjsg kan Onze Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijke persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

4. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens – voor zover van belang – worden alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de rechter zijn genomen als justitiële gegevens aangemerkt.

5. Op grond van paragraaf 3 van de Beleidsregels ontvangt het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS.

6. Op grond van paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels wordt de terugkijktermijn beperkt in duur. Dit houdt in dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt verweerder ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen bij de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

7. Op grond van paragraaf 3.2 van de Beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

8. Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

9. In het specifieke screeningsprofiel (buitengewoon) opsporingsambtenaar is opgenomen dat een (buitengewoon) opsporingsambtenaar is belast met de opsporing van strafbare feiten en spreekt uit hoofde van zijn functie personen aan op hun gedrag. Opsporingsambtenaren hebben verschillende bevoegdheden. De taak van de opsporingsambtenaar is vastgelegd in wetten. Gelet op de toegekende bevoegdheden wordt van de (buitengewoon) opsporingsambtenaar een hoge mate van integriteit vereist. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van tien jaren.

Alle (buitengewoon) opsporingsambtenaren mogen verbaliseren en sommigen hebben ook geweldsbevoegdheden, waarbij zij verschillende geweldsmiddelen kunnen inzetten. Verder is één van de aspecten van de functie van (buitengewoon) opsporingsambtenaar dat hij bevoegd is om met gevoelige informatie om te gaan, systemen te raadplegen en/of te bewerken waarin vertrouwelijke gegevens zijn opgeslagen, en kennis kunnen dragen van veiligheidssystemen, controlemechanismen en verificatieprocessen. Daarnaast kan het verlenen van diensten, het beschikken over goederen en producten en het bewaken van productieprocessen tot hun taken behoren. Ook het bedienen van en werken met voertuigen of (lucht)vaartuigen, denk daarbij aan het (rijdend) vervoer waarbij personen, goederen en/of producten vervoerd worden. Andere belangrijke aspecten zijn het belast zijn met de zorg en de veiligheid van mensen (en dieren). Daarnaast kunnen zij bovendien belast zijn met de zorg voor minderjarigen en/of personen die in een afhankelijkheidssituatie verkeren, waarbij o.a. sprake kan zijn van een één op één relatie en bovendien van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Het betreft hier dan onder meer het veroveren van personen. Ook het voorhanden hebben van stoffen, objecten, voorwerpen e.d. kunnen, bij oneigenlijk of onjuist gebruik, een risico vormen voor het welzijn en de veiligheid van mens (en dier).

Doordat een (buitengewoon) opsporingsambtenaar op verschillende manieren toegang kan hebben tot gevoelige en vertrouwelijke informatie of informatiebronnen bestaat er het gevaar van machtsmisbruik en misbruik te eigen bate door o.a. het misbruiken van gegevens, lekken van informatie, omkoping, afpersing en afdreiging, diefstal en verduistering. Daarnaast bestaat de mogelijkheid van het in gevaar brengen van goederen, maar bovenal het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en de volksgezondheid in het algemeen. Bij strafbare feiten die de veiligheid van personen in gevaar kunnen brengen, kan worden gedacht aan gewelds- en zedendelicten, maar bijvoorbeeld ook aan het rijden onder invloed.

10. Op grond van paragraaf 3.3 van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

11. Op grond van paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Indien verweerder na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

1 Staatscourant 2013, nr. 5409.

2 ECLI:NL:RVS:2012:BV8753.

3 ECLI:NL:RVS:2017:2143.

4 De werkzame stof van (onder andere) marihuana.