Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7345

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
C/13/628425 / HA ZA 17-475
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. In de hoofdzaak moet nader onderzoek plaatsvinden naar de vraag of de aantijgingen in door gedaagde geschreven boek onvoldoende grondslag in de feiten vinden. Niet op voorhand aan te nemen dat publicatie onrechtmatig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/628425 / HA ZA 17-475

Vonnis in incident en in voorwaardelijk incident van 11 oktober 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident ex artikel 223 Rv,

verweerders in het voorwaardelijke incident ex artikel 843a Rv,

advocaat: mr. R. Klöters te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident ex artikel 223 Rv,

eiseres in het voorwaardelijke incident ex artikel 843a Rv,

advocaat: mr. O.M.B.J. Volgenant te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITGEVERIJ LUITINGH-SIJTHOFF B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat: mr. Th.J. Bousie te Amsterdam.

Eisers in de hoofdzaak zullen hierna in vrouwelijk enkelvoud worden aangeduid als [eisers gezamenlijk] en afzonderlijk als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Gedaagde in de hoofdzaak sub 1 zal hierna worden aangeduid als [gedaagde sub 1] , gedaagde in de hoofdzaak sub 2 zal worden aangeduid als Sijthoff.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 1 mei 2017 tevens houdende incident tot het treffen van provisionele vorderingen ex artikel 223 Rv, met producties;

  • -

    de akte aanvullende overlegging producties van 7 juni 2017 aan de zijde van [eisers gezamenlijk] , met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv, tevens voorwaardelijke vordering tot exhibitie ex artikel 843a Rv binnen het incident ex artikel 223 Rv, met producties;

  • -

    de akte van depot van 21 juni 2017 met aktenummer 13/2017 inzake het door mr. Volgenant namens [gedaagde sub 1] gedane depot van het boek “ [boek] ”;

  • -

    de conclusie van antwoord in het voorwaardelijke incident tot afgifte ex artikel 843a Rv, met producties.

[eiser sub 1] heeft op de rol van 16 augustus 2017 een akte overlegging aanvullende producties genomen. Omdat op dat moment al vonnis in de incidenten was bepaald is deze akte aangemerkt als genomen in de hoofdzaak. De rechtbank heeft daarom in het kader van de onderhavige incidenten geen kennis genomen van de akte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De feiten in de incidenten

2.1.

[eiser sub 1] is een coaching / trainingsbureau dat zich bezighoudt met psychologische en zakelijke dienstverlening, het verzorgen van opleidingen, trainingen en coaching. Zij richt zich met name op de topsport en de entertainmentwereld. [eiser sub 2] is oprichter en directeur van [eiser sub 1] . De afkorting [eiser sub 1] staat voor Bureau Toegepaste Sociale Wetenschappen.

2.2.

[gedaagde sub 1] is journaliste en schrijfster. In 2013 is het door [gedaagde sub 1] geschreven boek “ [boek] ” (hierna: het boek) verschenen. Het boek werd uitgegeven door Sijthoff. [gedaagde sub 1] heeft het boek in 2015 in eigen beheer in gewijzigde vorm uitgegeven. In het boek heeft [gedaagde sub 1] geschreven over de ervaringen van personen met (vermeend) sektarische organisaties. Zij heeft hiertoe interviews gehouden met de desbetreffende personen. In het boek worden sommige van de organisaties met naam genoemd. Voor andere besproken organisaties heeft [gedaagde sub 1] een fictieve naam gebruikt.

2.3.

In hoofdstuk 6 van het boek heeft [gedaagde sub 1] geschreven over een organisatie genaamd BSV (afkorting voor: Bureau voor Sociale Vaardigheden) en over de daar werkzame [naam 1] . Beide namen zijn verzonnen. Ook de namen van de in dit hoofdstuk genoemde geïnterviewde personen zijn verzonnen. Hoofdstuk 6 is bij de heruitgave in 2015 niet gewijzigd.

2.4.

Dagblad De Telegraaf heeft op 10 december 2016 een artikel gepubliceerd over de toenmalig technisch directeur van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, [naam 2] (hierna: [naam 2] ). In het artikel werd op een kritische toon geschreven over de relatie tussen [naam 2] en [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

2.5.

[gedaagde sub 1] heeft naar aanleiding van het krantenartikel in De Telegraaf een Twitterbericht gezonden, dat luidt:

Al in [boek] beschreef ik hoe [naam 2] gehersenspoeld werd door een sekte …

[gedaagde sub 1] verwees in haar twitterbericht door middel van een hyperlink naar het onder 2.4 genoemde artikel in De Telegraaf.

2.6.

Het onder 2.5 weergegeven twitterbericht is op 12 december 2016 integraal door De Telegraaf afgedrukt in het katern Telesport van haar krant. Op dezelfde pagina stonden twee artikelen waarin [eiser sub 1] en [eiser sub 2] opnieuw werden genoemd. In één van de twee artikelen werd vermeld, voor zover hier van belang:

In het boek zou [eiser sub 1] (…) de naam BSV (…) zijn gegeven om juridische stappen te voorkomen. Drs. [gedaagde sub 1] , die met ex-werknemers sprak en een vernietigend verhaal optekende over de directeur en eigenaar, zegt dat ze haar bronnen moet blijven beschermen. Maar ze juicht het onderzoek van De Telegraaf toe in het belang van vele jonge voetballers en voetbalsters (Oranje vrouwenteam)

(…)

Op Telesport.nl is vandaag het betreffende hoofdstuk uit [boek] te lezen. Daarin komen drie ex-cliënten van ‘BSV’ aan het woord, die schade hebben ondervonden van “brainwashing en financiële manipulatie.” Het drietal richtte zich na persoonlijke problemen tot het bedrijf, werd “geestelijk afhankelijk gemaakt”, waarna ze “op eigen kosten franchiseondernemingen van BSV moesten stichten”, waardoor ze “grote schulden” hebben gemaakt. De eindconclusie is ontluisterend. Het drietal is emotioneel beschadigd geraakt en kampt met “diepe onzekerheid, faalangsten en depressies.”

2.7.

[gedaagde sub 1] heeft op 12 december 2016 een Twitterbericht gezonden:

Het gaat verder in de Telegraaf:…

[gedaagde sub 1] heeft daarbij door middel van een hyperlink verwezen naar het onder 2.6 weergegeven artikel in De Telegraaf dat ook online op de website van De Telegraaf was gepubliceerd.

2.8.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn op 13 december 2016 onderwerp van gesprek geweest in het televisieprogramma “Voetbal Inside”. In een door [eisers gezamenlijk] in het geding gebrachte transcriptie van het televisieprogramma wordt vermeld, voor zover hier van belang:

[naam 3] : Ik heb het [rechtbank: het boek] met verbijstering gelezen, dat is een heel kritisch boek over dit soort bureaus, maar vooral over dit bureau en …

[naam 4] : Ja, we moeten het even uitleggen…Zij [rechtbank: [gedaagde sub 1] ] heeft een boek geschreven over sektes en een van de hoofdstukken gaat over een andere naam van een bureau, omdat zij de naam van het bureau, [eiser sub 1] , niet mocht gebruiken omdat er slachtoffers zijn gemaakt die bang waren dat zij daarvan de gevolgen van zouden ondervinden. Ze heeft dus met andere namen gewerkt. Ze zei ook journalistiek, want ik heb haar vanmiddag gebeld, was het eigenlijk heel pijnlijk en moeilijk om te doen, maar die mensen waren zo bang voor deze persoon in kwestie, voor [eiser sub 2] , dat zij het niet aandurfden om onder hun eigen naam in het boek te verschijnen. Maar daarin komt wel een beeld naar voren van [eiser sub 2] dat je denkt van ...

[naam 3] : Slechte man...

[naam 4] : Nou ja...

[naam 3] : Gevaarlijke man...

[naam 4] : Machtsmanipulatie...

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eisers gezamenlijk] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat het door [gedaagde sub 1] geschreven boek en haar uitlatingen in het boek en online onrechtmatig zijn en dat [gedaagde sub 1] en Sijthoff (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door [eisers gezamenlijk] geleden en nog te lijden schade. Verder vordert [eisers gezamenlijk] hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en Sijthoff tot een bij staat op te maken schadevergoeding (materiële schade aan de zijde van [eiser sub 1] en immateriële schade aan de zijde van [eiser sub 2] ), een aan [gedaagde sub 1] op te leggen verbod tot het verder openbaar maken en verveelvoudigen van delen van het boek en tot het herhalen van door [gedaagde sub 1] in het boek en tegenover de media geuite beschuldigingen aan het adres van [eisers gezamenlijk] , dit alles onder verbeurte van een dwangsom. Ook vordert [eisers gezamenlijk] dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot publicatie van een rectificatie op de website [website] , het Facebookaccount “ [facebookaccount] ”, met een link naar de rectificatie op Facebook op het Twitteraccount [twitteraccount] en tot het plaatsen van een advertentie met de rectificatie op de website en in de papieren versie van het dagblad De Telegraaf, onder verbeurte van een dwangsom. [eisers gezamenlijk] vordert een ander uit te spreken bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en met veroordeling van [gedaagde sub 1] en Sijthoff in de kosten van de procedure.

in het incident ex artikel 223 Rv

3.2.

[eisers gezamenlijk] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

a. a) [gedaagde sub 1] met onmiddellijke ingang na betekening van het te dezen te wijzen vonnis voor de duur van (naar de rechtbank begrijpt) de hoofdzaak verbiedt hoofdstuk 6 van het boek, alsmede de passages op de pagina’s 25, 312, 316 en 325 waarin [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd, alsook het register op pagina 457 verder openbaar te maken en te verveelvoudigen, totdat de rechtbank in de hoofdzaak heeft beslist;

b) [gedaagde sub 1] met onmiddellijke ingang na betekening van het te dezen te wijzen vonnis voor de duur van (naar de rechtbank begrijpt) de hoofdzaak verbiedt het boek en door [gedaagde sub 1] in en tegenover de media aan het adres van eisers geuite beschuldigingen te herhalen en/of verder te verspreiden, en [gedaagde sub 1] verbiedt [eiser sub 1] te omschrijven als een sekte en een dekmantel voor manipulatie waarvan de boeken niet zouden kloppen en [eiser sub 2] te omschrijven als een psychopaat en/of wolf in schaapskleren en/of een briljant manipulator en/of brainwasher die met meerdere van zijn medewerkers tegelijkertijd seksuele relaties zou hebben en/of geen psychologie zou hebben gestudeerd en/of zich ten onrechte een GZ-psycholoog zou noemen, totdat de rechtbank in de hoofdzaak heeft beslist;

c) het onder a) en/of b) gevorderde toe te wijzen op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, te betalen per dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen dat een overtreding voortduurt, door degene die dit verbod overtrad;

d) [gedaagde sub 1] veroordeelt om met onmiddellijke ingang na betekening van het te dezen te wijzen vonnis voor de duur van (naar de rechtbank begrijpt) de hoofdzaak op de website [website] en het Facebookaccount “ [facebookaccount] ”, de navolgende tekst te publiceren:

RECHTZETTING

Enkele maanden geleden is in de media mede door mijn toedoen een zeer negatief beeld ontstaan van het Zeeuwse trainings- en coachingsbureau [eiser sub 1] en haar directie.

In een definitief door mij ingetrokken hoofdstuk van het boek ‘ [boek] ’ heb ik deze organisatie zonder toepassing van hoor en wederhoor en op grond van enkele al jaren met [eiser sub 1] in conflict staande, niet objectieve bronnen ten onrechte gekwalificeerd als een sekte en beschuldigd van o.a. manipulatie en financiële uitbuiting van haar cliënten.

De Rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van [DATUM] geoordeeld dat deze beschuldigingen onrechtmatig zijn, onder meer nu [eiser sub 1] daarmee op lichtvaardige wijze verdacht is gemaakt. De rechtbank heeft mij daarom tot deze rechtzetting veroordeeld.

[gedaagde sub 1]

alsook naar deze op voornoemd Facebookaccount te plaatsen rectificatie door te linken via het Twitteraccount [twitteraccount] ;

e) [gedaagde sub 1] veroordeelt om binnen 3 werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis tot het op zo kort mogelijke termijn plaatsen van een leesbare advertentie op pagina 3 van de papieren editie van dagblad De Telegraaf, bevattende de volledige onder d) genoemde rectificatie, alsmede veroordeelt vanaf die datum tot het plaatsen van een leesbare advertentie op de homepage van het openbaar toegankelijke deel van de website van De Telegraaf (www.telegraaf.nl), die voor de duur van 1 week zo hoog mogelijk in het rechts bovenin op deze website voor advertenties bestemde kader geplaatst dient te worden;

f) het onder d) en/of e) gevorderde toewijst op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding, te betalen per dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen dat een overtreding voortduurt, door degene die dit verbod overtrad;

[eisers gezamenlijk] vordert alles met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de kosten van het incident.

3.3.

[eisers gezamenlijk] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] een hoofdstuk heeft geschreven dat ziet op [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . In het boek zijn beschuldigingen opgenomen op basis van niet-objectieve bronnen en daarbij is geen hoor en wederhoor toegepast. De aanvankelijk geanonimiseerde identiteit van [eisers gezamenlijk] is bekend geworden, waardoor [eisers gezamenlijk] de effecten heeft ondervonden van het zonder weerwoord opnemen van de beschuldigingen in het boek. De provisionele voorziening heeft tot doel maatregelen te treffen die de schade voor [eisers gezamenlijk] beperken. Van [eisers gezamenlijk] kan niet worden gevergd de uitkomst van de hoofdzaak af te wachten omdat de maatregelen dan minder effect hebben.

3.4.

[gedaagde sub 1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

in het voorwaardelijke incident ex artikel 843a Rv

3.5.

[gedaagde sub 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eisers gezamenlijk] veroordeelt kopieën te verschaffen van:

a. a) de aanvraag inclusief alle bijlagen waarmee [eiser sub 2] rond 2000 gebruik heeft gemaakt van de overgangsregeling om zich te registreren als GZ-psycholoog;

( b) uitspraak 05/12b van 14 december 2005 waarmee [eiser sub 2] door het College van Toezicht uit het lidmaatschap van het Nederlands Instituut van Psychologen is ontzet, alsmede de bevestiging daarvan door het College van Beroep van 16 maart 2007 (CvB 2006/06b);

( c) uitspraak 05/12a van 14 december 2005 waarmee [naam 5] van [eiser sub 1] door het College van Toezicht uit het lidmaatschap van het Nederlands Instituut van Psychologen is ontzet, alsmede de daarop volgende uitspraak van het College van Beroep van 16 maart 2007 (CvB 2006/06a);

binnen twee werkdagen na betekening van het in dit incident te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [eisers gezamenlijk] niet volledig aan deze veroordeling heeft voldaan,

met veroordeling van [eisers gezamenlijk] in de kosten van het incident, inclusief de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis.

3.6.

[gedaagde sub 1] heeft het incident opgeworpen onder de voorwaarde dat de rechtbank het door [eisers gezamenlijk] opgeworpen incident niet al zonder kennisneming van de door [gedaagde sub 1] gevraagde stukken afwijst. Aan haar vordering legt zij ten grondslag dat zij een rechtmatig belang heeft bij haar vordering. Het belang van de gevraagde stukken volgt volgens [gedaagde sub 1] uit haar conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv, waarvan de inhoud voor zover nodig als herhaald en ingelast in haar eis moet worden beschouwd.

3.7.

[eisers gezamenlijk] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident ex artikel 223 Rv

4.1.

Op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding (lid 1), mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak (lid 2). Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer daarbij voldoende belang bestaat. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Aan de eerste twee (processuele) vereisten is voldaan. De gevorderde voorziening hangt samen met de vordering in de hoofdzaak en is (in ieder geval deels) gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige hoofdzaak kan worden gegeven.

4.2.

[gedaagde sub 1] heeft in haar conclusie van antwoord in het incident gesteld dat zij niet publiekelijk wil bevestigen of ontkennen dat hoofdstuk 6 van het boek over [eiser sub 1] (en naar de rechtbank begrijpt) [eiser sub 2] handelt. Verder heeft zij betwist dat zij de namen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft onthuld. Voorts heeft [gedaagde sub 1] nadere bronnen aangevoerd die kort gezegd bevestigen dat de in het boek beschreven misstanden bij BVS zich bij [eiser sub 1] voordoen en dat dus de in het boek beschreven misstanden -indien toe te schrijven aan [eiser sub 1] - voldoende steun in de feiten vinden.

Het heeft er alle schijn van dat in het boek in hoofdstuk 6 met BVS op [eiser sub 1] wordt gedoeld en met [naam 1] op [eiser sub 2] . Uit de overgelegde stukken blijkt dat een groot deel van de pers daar in ieder geval vanuit gaat. [gedaagde sub 1] betwist het ook niet, maar wenst zich daarover niet uit te laten, zodat de rechtbank dat, in dit stadium als uitgangspunt zal nemen.

[gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat de aantijgingen in het boek richting [eisers gezamenlijk] onvoldoende grondslag in de feiten vinden. Daartoe zal nader onderzoek moeten plaats vinden. Dat zal in de hoofdzaak moeten plaatsvinden. In het licht van de door [gedaagde sub 1] overgelegde stukken en verklaringen kan niet reeds op voorhand worden aangenomen dat de publicatie onrechtmatig is geweest. Reeds om deze reden kunnen de gevorderde voorzieningen niet worden toegewezen.

4.3.

De vorderingen in het incident zullen worden afgewezen. [eisers gezamenlijk] zal, als de in het incident in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 452,00.

4.4.

[eisers gezamenlijk] zal daarnaast worden veroordeeld in de nakosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , zoals hierna onder de beslissing vermeld.

4.5.

De door [gedaagde sub 1] gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten zijn als onbetwist toewijsbaar.

in het voorwaardelijke incident ex artikel 843a Rv

4.6.

Uit de afwijzing van de vordering in het incident ex artikel 223 Rv volgt dat de voorwaarde waaronder [gedaagde sub 1] haar incident heeft ingesteld niet is vervuld. De vordering behoeft daarom geen beoordeling.

in de hoofdzaak

4.7.

De zaak zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

4.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex artikel 223 Rv

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] in de kosten van het incident aan de zijde van [gedaagde sub 1] begroot op € 452,00, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek met ingang van de 14e dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

5.3.

veroordeelt [eisers gezamenlijk] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers gezamenlijk] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek met ingang van de 14e dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in het voorwaardelijke incident ex artikel 843a Rv

5.5.

stelt vast dat op de vordering niet meer behoeft te worden beslist;

in de hoofdzaak

5.6.

verwijst de zaak naar de rol van 22 november 2017 voor conclusie van antwoord;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: ERM coll: