Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7329

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3489
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2015, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dat niet is voldaan aan 4:93, tweede lid, van de Awb, maakt niet dat verweerder niet tot verrekening van toeslagen mocht overgaan. Ontvankelijkheid van het bezwaar hoeft niet expliciet benoemd te worden in besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Belastingdienst Toeslagen (de Belastingdienst), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. van de Griendt)

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2014 (het primair besluit I) heeft de Belastingdienst het voorschot voor [woonplaats] ’ zorgtoeslag over 2015 vastgesteld op € 942,-. Bij besluit van 5 juli 2016 (het primaire besluit II) heeft de Belastingdienst vastgesteld dat [woonplaats] teveel zorgtoeslag heeft ontvangen en een bedrag van € 942,- moet terugbetalen.

[woonplaats] heeft op 10 augustus 2016 tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Op 25 november 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Bij uitspraak van 1 mei 2017 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard en de Belastingdienst opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiser, op straffe van een dwangsom.

Bij besluit van 8 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft de Belastingdienst het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

[woonplaats] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep van [woonplaats] is behandeld op de zitting van 12 september 2017.

[woonplaats] was aanwezig. De Belastingdienst werd op de zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waat gaat de zaak over?

1. [woonplaats] heeft in 2015 zorgtoeslag ontvangen in de vorm van een maandelijks voorschot. Bij de definitieve berekening heeft de Belastingdienst vastgesteld dat [woonplaats] , gelet op zijn toetsingsinkomen, in 2015 toch geen recht had op zorgtoeslag. De Belastingdienst en [woonplaats] zijn het er over eens dat [woonplaats] het ontvangen voorschot moet terugbetalen, maar zij verschillen van mening over hoogte van het bedrag dat [woonplaats] als voorschot heeft ontvangen.

2. [woonplaats] heeft in totaal een bedrag van € 868,- op zijn bankrekening ontvangen. Volgens de Belastingdienst is daarnaast een bedrag van € 74,- verrekend met een openstaande vordering van zorgtoeslag over 2013. Het geschil gaat over die € 74,-.

Het standpunt van [woonplaats]

3. Het beroep van [woonplaats] bestaat uit vier verschillende punten, namelijk:

a) de formele kant van het besluit;

b) de inhoud van het besluit;

c) de hoorplicht; en

d) later genomen besluiten die samenhangen met het bestreden besluit.

De rechtbank behandelt de beroepsgronden puntsgewijs.

a. a) De formele kant van het besluit

4.1.

Volgens [woonplaats] voldoet het bestreden besluit niet aan de formele eisen die de wet aan een besluit stelt. De Belastingdienst heeft in het bestreden besluit namelijk geen oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar gegeven. Ook is geen sprake van een heroverweging op grondslag van het bezwaar, omdat de Belastingdienst niet is ingegaan op de door [woonplaats] in zijn bezwaarschrift genoemde bedragen en zijn betwisting van de verrekening. Bovendien is nog steeds niet duidelijk waarom zijn bezwaarschrift van 10 augustus 2016 pas acht maanden later, na de uitspraak van de rechtbank, in behandeling is genomen. Volgens [woonplaats] kan het besluit van 8 mei 2017 daarom niet worden beschouwd als een beslissing op zijn bezwaar en heeft de Belastingdienst niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank van 1 mei 2017. De Belastingdienst is hem daarom dwangsommen verschuldigd, zo stelt [woonplaats] .

4.2.

De rechtbank volgt [woonplaats] niet in zijn standpunt dat het bestreden besluit geen beslissing op zijn bezwaar is. Op grond van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet onder besluit worden verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [woonplaats] heeft niet bestreden dat hiervan sprake is. Een verplichting om in het besluit expliciet te oordelen over de ontvankelijkheid, blijkt niet uit artikel 1:3 van de Awb en ook niet uit enig ander artikel. Het blijkt ook niet uit de uitspraak waarnaar [woonplaats] heeft verwezen. Anders dan [woonplaats] misschien denkt, is voor de vaststelling of het bestreden besluit een besluit is, en de Belastingdienst dus heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank, niet van belang of de motivering van dat besluit ook voldoende en inhoudelijk juist is. De vraag of de Belastingdienst wel op alle bezwaarpunten van [woonplaats] ingegaan, is dus niet van belang om te bepalen of er al dan niet sprake is van een besluit op zijn bezwaar. Dat de Belastingdienst pas in het verweerschrift, en dus niet in het bestreden besluit, heeft uitgelegd waarom het bezwaar van 10 augustus 2016 in eerste instantie niet als bezwaar in behandeling is genomen, maakt evenmin dat het bestreden besluit geen beslissing op zijn bezwaar is. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk duidelijk dat de Belastingdienst inmiddels beschikte over het bezwaarschrift van 10 augustus 2016.

4.3.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de Belastingdienst met het bestreden besluit heeft beslist op het bezwaar van [woonplaats] en daarmee, tijdig, heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank van 8 mei 2017. De beroepsgrond slaagt niet en de Belastingdienst hoeft [woonplaats] geen dwangsom te betalen.

b) De inhoudelijke kant van het besluit

5.1.

Met betrekking tot de inhoud van het besluit stelt [woonplaats] dat hij slechts een bedrag van € 868,- op zijn bankrekening heeft ontvangen. In totaal was hem een voorschot van € 942,- toegekend. De Belastingdienst heeft zonder opgaaf van redenen maandelijks € 6,- of € 7,- te weinig uitbetaald: € 74,- in totaal. Omdat hij maar € 868,- in plaats van € 942,- heeft ontvangen, is de terugvordering op een te hoog bedrag vastgesteld.

5.2.

Op de zitting heeft de Belastingdienst aan [woonplaats] uitgelegd dat hij een bedrag van € 154,- aan zorgtoeslag over 2013 moest terugbetalen. Daarvoor was een betalingsregeling afgesloten, waarbij [woonplaats] elke maand € 20,- terugbetaalde. In januari 2015 is het resterende bedrag van € 74,- in één keer verrekend met de uit te keren zorgtoeslag over 2015. De Belastingdienst heeft [woonplaats] hiervan op de zitting overzichten laten zien. [woonplaats] heeft daarop de juistheid van de vordering van € 74,- erkend, maar zich op het standpunt gesteld dat de Belastingdienst dit bedrag niet had mogen verrekenen met zijn zorgtoeslag over 2015. Hij heeft hiervoor geen toestemming gegeven en de verrekening voldoet niet aan de eisen van artikel 4:93 van de Awb. Het was voor hem dan ook volstrekt onduidelijk welke bedragen met elkaar verrekend werden.

5.3.

In artikel 4:93, eerste lid, van de Awb staat dat een bestuursorgaan mag verrekenen als daarvoor een wettelijke basis bestaat. Voor de Belastingdienst is die wettelijke basis geregeld in artikel 30 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Hieruit volgt dat de Belastingdienst bevoegd is openstaande terugvorderingen te verrekenen met uit te betalen toeslagen. Omdat dit een wettelijke bevoegdheid is, is toestemming van de belanghebbende hiervoor niet nodig. Er staan ook geen rechtsmiddelen tegen open. Artikel 4:93, tweede lid, van de Awb schrijft wel voor dat bij de verrekening wordt vermeld met welke vordering en voor welk bedrag wordt verrekend.

5.4.

De Belastingdienst stelt dat bij elke verrekening een brief wordt gestuurd aan de desbetreffende burger. Op de zitting heeft de Belastingdienst toegelicht dat van deze brieven geen kopieën worden bewaard. [woonplaats] stelt dat hij een dergelijke brief nooit heeft ontvangen.

5.5.. De rechtbank kan achteraf niet vaststellen of [woonplaats] per brief is geïnformeerd over de verrekening. De rechtbank is echter van oordeel dat uit artikel 4:93, tweede lid, van de Awb niet volgt dat de verrekening zonder het versturen van een brief onrechtmatig zou zijn. Het betreft namelijk geen bepaling van openbare orde. Op de zitting is gebleken dat de Belastingdienst meerdere toeslagen van [woonplaats] met elkaar heeft verrekend. De rechtbank kan zich daarom voorstellen dat het voor [woonplaats] moeilijk was overzicht te houden. Dit maakt echter nog niet dat de Belastingdienst niet bevoegd was te verrekenen. De Belastingdienst heeft in het bestreden besluit bovendien precies vermeld welke bedragen [woonplaats] heeft ontvangen en welk bedrag er is verrekend. Daarmee is de verrekening in ieder geval in het bestreden besluit voldoende onderbouwd. De beroepsgronden van [woonplaats] die zich richten tegen de inhoud van het besluit, slagen daarom niet.

c) De hoorplicht

6.1.

[woonplaats] vindt verder dat de Belastingdienst hem had moeten uitnodigen voor een hoorzitting voordat een beslissing op zijn bezwaar werd genomen. Doordat [woonplaats] zijn bezwaar niet in een hoorzitting heeft kunnen toelichten, is hij in zijn belangen geschaad.

6.2.

In artikel 7:3 van de Awb staat omschreven in welke gevallen de Belastingdienst mag beslissen op een bezwaarschrift zonder de betrokkene eerst te horen. Eén van die uitzonderingsituaties is wanneer een bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als uit het bezwaarschrift al direct blijkt dat het bezwaar niet zal leiden tot een ander besluit en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Volgens de Belastingdienst was daarvan in dit geval sprake.

6.3.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat het bezwaar in dit geval kennelijk ongegrond was. Het terug te betalen bedrag stond al in rechte vast en in artikel 12 van de Awir is bepaald dat tegen de verrekening van te ontvangen en terug te betalen toeslagen geen bezwaar kan worden gemaakt. Een toelichting van eiser op de hoorzitting had dit niet anders gemaakt. De Belastingdienst mocht er daarom vanaf zien [woonplaats] te horen.

d) Later genomen besluiten die samenhangen met het bestreden besluit

7.1.

De Belastingdienst heeft in een brief van 12 juli 2017 aan [woonplaats] laten weten dat hij van de zorgtoeslag over 2015 nog een bedrag van € 822,- moet terugbetalen. In de brief staat dat [woonplaats] het bedrag in één keer of in termijnen kan terugbetalen en dat als hij niet betaalt het bedrag zal worden verrekend met de zorgtoeslag die hij nu ontvangt. [woonplaats] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt, maar de Belastingdienst heeft zijn bezwaar op 17 augustus 2017 niet ontvankelijk verklaard omdat de brief van 12 juli 2017 geen besluit is. [woonplaats] heeft met een beroep op artikel 6:19 van de Awb de rechtbank verzocht ook te oordelen over het besluit van 17 augustus 2017.

7.2.

In artikel 6:19 van de Awb staat dat als een besluit waartegen beroep is ingesteld wordt ingetrokken, gewijzigd of vervangen, het beroep van rechtswege ook betrekking heeft op dit nieuwe besluit. Met het bestreden besluit heeft de Belastingdienst vastgesteld dat [woonplaats] de zorgtoeslag over 2015 moet terugbetalen. In de brief van 12 juli 2017 legt de Belastingdienst uit hoe [woonplaats] aan zijn terugbetalingsverplichting kan voldoen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de brief van 12 juli 2017 geen intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit is en daarom geen onderdeel uitmaakt van deze beroepsprocedure.

Conclusie

8. Het beroep van [woonplaats] is ongegrond. Dit betekent dat hij het bedrag van € 942,- aan de Belastingdienst moet terugbetalen. Omdat de rechtbank [woonplaats] geen gelijk geeft, krijgt hij zijn griffiegeld niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.R. Vastenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger

beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.