Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
13/741052-17 & 15/246747-16 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vernieling ruit, huisvredebreuk, mishandeling, poging doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741052-17 en 15/246747-16 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 6 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA] , gedetineerd in het Huis van Bewaring [HvB] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat mr. R. van den Berg namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 8 maart 2017 schuldig heeft gemaakt aan

1. poging tot doodslag op, subsidiair zware mishandeling, van [slachtoffer 1] ;

2. zware mishandeling en/of mishandeling, van [slachtoffer 2] ;

3. vernieling van een raam en/of huisvredebreuk.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de onder 1. primair, 2. subsidiair en 3. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangiftes van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Deze aangiftes worden ondersteund door de letselverklaringen van de GGD Amsterdam en van het VU Medisch Centrum en door de bevindingen van de verbalisanten die na de melding ter plaatse zijn gekomen. Uit de desbetreffende bewijsmiddelen volgt dat verdachte met een stalen prullenbak het raam kapot heeft gegooid waarna hij de woning is ingegaan. In de woning heeft hij [slachtoffer 1] in het gezicht gestompt, hem op zijn hoofd getrapt en met een tafel tegen zijn hoofd geslagen. Met deze gedragingen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] aanvaard. Daarmee zijn die gedragingen te kwalificeren als poging tot doodslag. Verdachte heeft [slachtoffer 2] mishandeld door haar een duw te geven, waardoor zij is gevallen, en een vuistslag op het oog te geven. Verdachte komt geen beroep op noodweer toe, omdat het door hem geschetste alternatieve scenario volstrekt ongeloofwaardig is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken. De aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verschillen te veel van elkaar om elkaar te kunnen ondersteunen. Het trappen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] en het slaan met een tafel op het hoofd van [slachtoffer 1] kan daarom niet bewezen worden verklaard. Wat overblijft is stompen of slaan wat onvoldoende is om opzet op de dood of op zwaar lichamelijk letsel te kunnen bewijzen. Ook als de rechtbank van oordeel is dat verdachte heeft geslagen, getrapt en met een tafel heeft geslagen kan het opzet op de dood niet bewezen worden verklaard, omdat niet kan worden vastgesteld dat met die handelingen zich een aanmerkelijk kans op de dood voordeed; een verklaring van een deskundige hierover ontbreekt. Verdachte had bovendien geen wetenschap van een dergelijke aanmerkelijke kans en is zich daarvan dus ook niet bewust geweest tijdens het incident. Van de onder 2. ten laste gelegde zware mishandeling moet verdachte worden vrijgesproken omdat het éénmaal tegen het gezicht slaan geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Bovendien is een gebroken oogkas geen zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de onder 2. ten laste gelegde eenvoudige mishandeling en feit 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van poging doodslag op [slachtoffer 1] , mishandeling van [slachtoffer 2] , vernieling van een raam en huisvredebreuk. De rechtbank stelt daarvoor aan de hand van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte is in de vroege ochtend van 8 maart 2017 naar de woning van [slachtoffer 2] gegaan. Nadat [slachtoffer 2] hem had duidelijk gemaakt dat hij niet naar binnen mocht is verdachte haar woning binnengedrongen door met een stalen prullenbak een raam van de deur in te slaan. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar bij binnenkomst een duw heeft gegeven waardoor zij met haar hoofd tegen de muur aanviel. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte met gebalde vuisten op hem insloeg en hem meerdere malen vol in zijn gezicht raakte. Volgens [slachtoffer 2] is [slachtoffer 1] hierdoor op de grond gevallen waarna verdachte meermalen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft getrapt. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte met een tafel op zijn hoofd heeft geslagen, waarna bij hem ‘het licht uitging’. Hierna heeft verdachte nog een klap op het oog van [slachtoffer 2] gegeven en heeft hij de woning verlaten. Uit de letselverklaringen van de GGD Amsterdam en het VU Medisch Centrum volgt dat [slachtoffer 1] aan het incident onder meer een gebroken schedel, oogkas, jukbeen, neusbot, slaapbeen en kneuzingen in het gezicht heeft overgehouden. [slachtoffer 2] had als gevolg van de door verdachte uitgedeelde klap een gebroken oogkas en een verbalisant ter plaatse voelde een dikke bult op haar achterhoofd.

De rechtbank volgt de aangevers in hun verklaringen en niet verdachte, omdat de verklaringen van aangevers in belangrijke mate ondersteund worden door elkaar, door het geconstateerde letsel en door de manier waarop met name [slachtoffer 1] is aangetroffen in de woning: hij lag in foetushouding op de grond met naast zijn hoofd een enorme plas bloed en een kapotte tafel met bloed erop. Hij was bij bewustzijn, maar niet aanspreekbaar.

Poging doodslag

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door met gebalde vuisten op het hoofd van [slachtoffer 1] in te slaan, hem meermalen tegen het hoofd te trappen terwijl hij op de grond lag en door met een tafel tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door zijn handelen zou komen te overlijden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam vormt, en dat de kans dat iemand komt te overlijden als gevolg van letsel door grof geweld op het hoofd aanmerkelijk is. [slachtoffer 1] is er gezien de geweldshandelingen van verdachte nog relatief goed vanaf gekomen met ‘slechts’ een gebroken schedel, oogkas, jukbeen, neusbot, slaapbeen en kneuzingen in het gezicht. De rechtbank concludeert dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Zware mishandeling [slachtoffer 2]

De rechtbank vindt het letsel van [slachtoffer 2] , alhoewel ernstig, onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te komen en spreekt verdachte daarvan vrij.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

1.

op 8 maart 2017 te Amstelveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

  • -

    meermalen met kracht en met gebalde vuist in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestompt en

  • -

    meermalen met kracht tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschopt en

  • -

    met een tafel tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen;

2.

op 8 maart 2017 te Amstelveen opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met kracht en met gebalde vuist in het gezicht heeft gestompt en voornoemde [slachtoffer 2] heeft geduwd waardoor voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen;

3.

op 8 maart 2017 te Amstelveen opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een deur, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield door een stalen prullenbak door dat raam te gooien en/of tegen dat raam te slaan;

en

op 8 maart 2017 te Amstelveen in een woning in gebruik bij [slachtoffer 2] wederrechtelijk is binnengedrongen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, zodat verdachte voor feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de raadsman heeft [slachtoffer 1] bij binnenkomst van verdachte de hals van verdachte zodanig dichtgeknepen dat verdachte het gevoel had dat hij zou stikken. Het letsel aan de keel van verdachte kan volgens de GGD goed passen bij deze verklaring van verdachte. In zo’n geval waarbij verdachte zich niet op een andere manier kon onttrekken aan de aanval, mag hij zich noodzakelijkerwijs verdedigen tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] . Dat verdachte geen reden had om in de woning aanwezig te zijn, doet daar niet aan af, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt vast dat er in de bewijsmiddelen onvoldoende steun te vinden is voor de lezing van verdachte dat [slachtoffer 1] hem heeft aangevallen en dat er dus geen sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] verklaren dat verdachte de agressor is geweest. Dat blijkt ook duidelijk uit wat de agenten die ter plaatse kwamen aantroffen en uit het letsel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben opgelopen. Dat verdachte wat krasverwondingen aan zijn nek heeft opgelopen biedt geen enkele steun aan zijn lezing dat [slachtoffer 1] de agressor was, zeker waar [slachtoffer 2] erover sprak dat verdachte [slachtoffer 1] aanviel en dat er een soort worsteling ontstond. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Aan de vraag of iemand, die met grof geweld een woning binnendringt zich überhaupt op noodweer kan beroepen als hij vervolgens wordt tegengehouden komt de rechtbank niet toe, omdat zij niet uitgaat van de lezing van verdachte.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Omdat de rechtbank geen noodweersituatie aanneemt, kan ook geen sprake zijn van noodweerexces en wordt ook dat verweer verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank bij een veroordeling voor feit 1 verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en zo nodig het meerdere in voorwaardelijke vorm op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte is rond zes uur ’s ochtends naar de woning van zijn vriendin [slachtoffer 2] gegaan nadat hij de avond ervoor ruzie met haar had gehad. Toen [slachtoffer 2] niet voor hem open wilde doen, is hij met grof geweld de woning binnengedrongen. Na bij binnenkomst [slachtoffer 2] een duw te hebben gegeven, heeft hij [slachtoffer 1] meermalen gestompt, waarna deze is gevallen. Verdachte is op het moment dat [slachtoffer 1] op de grond lag, overgegaan tot het schoppen tegen zijn hoofd en hij heeft met een tafel op zijn hoofd geslagen. Verdachte heeft verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer 1] niet meer reageerde. [slachtoffer 1] heeft hier fors lichamelijk letsel aan overgehouden. Toen verbalisanten ter plaatse kwamen troffen zij [slachtoffer 1] in foetushouding aan, liggend in een grote plas bloed. Zowel hij als [slachtoffer 2] , die als gevolg van een door verdachte uitgedeelde klap een gebroken oogkas had, zijn hierop onmiddellijk naar het ziekenhuis gebracht. Deze enorme explosie van geweld bij verdachte, die niet geremd werd door de aanwezigheid van zijn acht maanden oude zoontje in de woning, het letsel dat hij bij met name [slachtoffer 1] veroorzaakte en het feit dat [slachtoffer 1] buiten bewustzijn is geraakt, baart de rechtbank ernstige zorgen. Verdachte laat op geen enkele wijze zien zich bewust te zijn van zijn enorme overschrijding van grenzen door in de nachtelijke uren een huis binnen te dringen en daar een enorme ravage en ernstig letsel bij de slachtoffers aan te richten. De rechtbank stelt vast dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Het was ook niet de eerste keer dat verdachte geweld heeft gebruikt. Uit zijn strafblad blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor mishandeling. Uit het over hem uitgebrachte psychiatrisch rapport van 1 juni 2017 volgt dat bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld, met antisociale en narcistische trekken en een ziekelijke stoornis op het gebied van alcohol- en cannabisgebruik. De reclassering heeft in het advies van 16 augustus 2017 geadviseerd om een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen bij een voorwaardelijk strafdeel om het recidiverisico in te perken. De rechtbank is van oordeel dat begeleiding en behandeling van verdachte nodig is, maar ziet gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Aan de op dat moment benodigde begeleiding en behandeling van verdachte kan bij zijn terugkeer in de samenleving in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling invulling worden gegeven.

De rechtbank vindt een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, een passende sanctie voor de bewezenverklaarde feiten.

9 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 3.750,67 aan materiële schadevergoeding en

€ 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen. De raadsman heeft bepleit dat de vordering wegens medeschuld van [slachtoffer 1] moet worden afgewezen, omdat [slachtoffer 1] geweld tegen verdachte heeft gebruikt. Mocht de rechtbank tot een andere conclusie komen, dan heeft de raadsman verzocht de vordering aanzienlijk te matigen. De immateriële schade moet worden afgewezen omdat deze niet is onderbouwd, dan wel om diezelfde reden gematigd worden.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 1. primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De rechtbank neemt geen medeschuld van de benadeelde partij aan. De immateriële schadevergoeding wordt begroot op het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. In wat door de raadsman is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging van de gevraagde schadevergoeding. De gevorderde materiële schadevergoeding is verder niet betwist en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat de schade zoals gevorderd wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2017. Daarbij wordt ook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 811,25 aan materiële schadevergoeding en

€ 700,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen omdat uit mails van [slachtoffer 2] aan verdachte blijkt dat de benadeelde partij graag weer contact wenst te hebben met verdachte. De gestelde psychische gevolgen zijn dus niet voldoende aangetoond door de benadeelde partij, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 2. en 3. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De psychische gevolgen die de benadeelde partij heeft ondervonden en het lichamelijk letsel dat zij heeft opgelopen, staan los van de vraag of zij inmiddels weer contact met verdachte heeft of wil hebben. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 700,00. Het materiële deel van de vordering is niet betwist en wordt toegewezen. De vordering wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2017 en de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 14 maart 2017 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer [parketnummer] , betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 februari 2017 van de politierechter te Haarlem. Bij dat vonnis is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met als algemene voorwaarde dat verdachte zich binnen de proeftijd van twee jaar niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Ook blijkt uit de stukken dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering per post aan verdachte is toegezonden.

Uit de bewezenverklaring blijkt dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 138, 287, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

Poging tot doodslag.

Feit 2

Mishandeling.

Feit 3

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

en

in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot € 7.750,67 (zevenduizendzevenhonderdvijftig euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 7.750,67 (zevenduizendzevenhonderdvijftig euro en zevenenzestig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 73 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot € 1.511,25 (vijftienhonderdelf euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.511,25 (vijftienhonderdelf euro en vijfentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 10 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A.J. Purcell, voorzitter,

mrs. S.P. Pompe en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2017.

De jongste rechter en oudste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I - De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- eenmaal of meermalen (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt en/of

- eenmaal of meermalen met een tafel, althans een soortgelijk hard en/of hoekig voorwerp, op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geslagen;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken schedel en/of kneuzingen in het gezicht), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] met dat opzet

- eenmaal of meermalen (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht te stompen en/of te slaan en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, te schoppen en/of te trappen en/of

- eenmaal of meermalen met een tafel, althans een soortgelijk hard en/of hoekig voorwerp op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan;

2.

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas, heeft toegebracht door eenmaal of meermalen (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen;

en/of

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] eenmaal of meermalen (met kracht en/of met gebalde vuist) in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt en/of voornoemde [slachtoffer 2] eenmaal of meermalen heeft geduwd (waardoor voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen);

3.

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam (van een voordeur), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een (stalen) prullenbak door dat raam te gooien en/of te slaan;

en/of

hij op of omstreeks 08 maart 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, in een woning, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen.

Bijlage II - De bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017049673- van 8 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 1-3 van het strafdossier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, zag dat deze bult achter op haar hoofd zat. Ik voelde een dikke bult op haar achterhoofd.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2017049673-6 van 8 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] doorgenummerde pagina’s 35-36 van het strafdossier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:

Ik zag dat mijn ex [verdachte] voor mijn slaapkamerraam stond. Ik zag en hoorde dat hij erop klopte. Ik vroeg wat hij kwam doen en zei dat hij weg moest gaan. Ik zag dat hij een prullenbak tegen het glas sloeg. Ik zag dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) het glas in de deur stuk maakte en er doorheen naar binnen kwam. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij sloeg en direct doorliep naar [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ). Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] aanviel. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en dat [verdachte] hem twee keer tegen zijn hoofd trapte. Daarna zag ik dat [verdachte] een tafel op [slachtoffer 1] gooide. Daarna gaf [verdachte] mij nog een klap tegen mijn oog. Ik zag overal bloed. Ik voelde pijn in mijn hoofd.

3. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL1300-2017049673 van 8 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 38-41 van het strafdossier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:

Toen hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) op mij insloeg, sloeg hij met gebalde vuisten. Hij sloeg meerdere malen mij vol op mijn gezicht. Het ging zo snel dat ik geen reactietijd had om te reageren. Het laatste wat ik kan herinneren is dat het een soort tafeltje pakte en met dat tafeltje op mijn hoofd insloeg. Vanaf dat moment ging bij mij het licht uit.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2017049673-13 van 8 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s 55-60 van het strafdossier.

Ik zei “doe open doe open” maar [slachtoffer 2] deed de deur niet open. Toen heb ik een prullenbak gepakt en heb het raam stuk gemaakt.

5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017049673-24 van 9 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , doorgenummerde pagina’s 72-82 van het strafdossier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:

[verdachte] gaf mij een duw waardoor ik met mijn achterhoofd tegen het raam of de kozijn aan viel. Ik heb hierdoor een grote bult op mijn hoofd die in het ziekenhuis is onderzocht. [verdachte] viel [slachtoffer 1] aan en er ontstond een soort van worsteling waarbij [slachtoffer 1] op de grond viel.

6. Een geschrift, te weten een letselverklaring t.n.v. [slachtoffer 2] ingevuld door behandelend arts [naam arts 1] , verbonden aan het VU Medisch Centrum, van 8 maart 2017, doorgenummerde pagina’s 86-87 van het strafdossier.

Conclusie: lamina papyracea fractuur links (de rechtbank begrijpt: gebroken oogkas).

7. Een geschrift, te weten een letselverklaring t.n.v. [slachtoffer 1] ingevuld door behandelend arts [naam arts 2] forensisch arts, verbonden aan de GGD Amsterdam, van 27 juni 2017, ongenummerd.

Beschrijving: blauwpaarse verkleuring en zwelling rond rechteroog, fractuur van de rechteroogkas, fractuur van het rechter jukbeen, fractuur van het neusbot, zwelling en huidverkleuring van de linkerslaap, zwelling van het linkeroor, een scheur van 1,5 cm bij het oorklepje links en een fractuur van het slaapbeen links achter het oor.