Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7286

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
C/13/635605/ KG ZA 17/1046 AV/HH
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering registratie uit BKR aftgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/635605/ KG ZA 17/1046 AV/HH

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 22 september 2017,

advocaat mr. H.F.A. Notenboom te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en ING worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 2 oktober 2017 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. ING heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiseres] : [eiseres] met haar partner [naam 1] , [naam 4] van Dynamiet Nederland en mr. L.A. Bettonvil, kantoorgenoot van mr. Notenboom, en en aan de zijde van ING: [naam 2] en [naam 3] met mr. Posthuma.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op 3 juli 2003 een studentenkrediet ter grootte van

€ 4.500,00 afgesloten bij Postbank (de rechtsvoorgangster van ING) met contractnummer [nummer] (hierna: het krediet). Daarbij is overeengekomen dat [eiseres] zou gaan aflossen één jaar na het afronden van haar studie.

2.2.

In 2006 is [eiseres] afgestudeerd en gaan werken. Als gevolg van posttraumatische stressklachten is zij gestopt met werken en per 16 juli 2009 is aan haar met terugwerkende kracht een Wajong-uitkering toegekend.

2.3.

Op 31 juli 2009 is [eiseres] begonnen met het aflossen van het krediet middels maandelijkse betalingen van € 90,00.

2.4.

In november 2010 heeft [eiseres] (schuld)hulp aangevraagd via DWI, gemeente Amsterdam. Op 8 december 2010 heeft [eiseres] een schuldhulpverleningscontract getekend. De schuldhulpverlening door de gemeente Amsterdam is uitbesteed aan het bedrijf PuurZuid. Een van de voorwaarden voor de schuldhulpverlening was dat [eiseres] haar inkomsten en uitgaven zou laten beheren door PLANgroep Solutions.

2.5.

Op 6 juli 2011 heeft ING [eiseres] aangeschreven in verband met een achterstand in de termijnbetalingen van € 90,00. [eiseres] is verzocht binnen één week zorg te dragen voor betaling van de achterstand, bij gebreke waarvan ING de betalingsachterstand bij Bureau Krediet Registratie (BKR) in Tiel zou melden.

2.6.

Op 18 augustus 2011 heeft ING [eiseres] opnieuw aangeschreven in verband met betalingsachterstand op het krediet van toen € 180,00 evenals op 13 oktober 2011 in verband met een achterstand van € 90,00, op 11 november 2011 voor een achterstand van wederom € 90,00 en op 25 november 2011 eveneens voor een achterstand van € 90,00.

2.7.

Nadat [eiseres] vanaf januari 2013 in gebreke bleef met de betaling van vier termijnen van € 90,00, heeft ING per brief van 26 maart 2013 het krediet opgezegd en het uitstaande saldo van € 1.901,01 ineens opgeëist.

2.8.

ING heeft de vordering op [eiseres] intern als oninbaar afgeboekt en overgedragen aan het toenmalige incassobureau van ING, Interpartes. Bij brief van 24 juli 2013 heeft Interpartes [eiseres] aangeschreven tot betaling van de uitstaande hoofdsom van € 2.126,20.

2.9.

Bij brief van 26 juli 2013 heeft PLANgroep naar aanleiding van een klacht van [eiseres] haar excuses aangeboden voor het niet correct verwerken van de regeling voor het inlopen van de roodstand (op de lopende rekening van [eiseres] bij ING waarvan ook de aflossing van het krediet werd afgeschreven) en haar meegedeeld dat PLANgroep de extra kosten die de deurwaarder in rekening zou brengen zou vergoeden.

2.10.

Op 3 april 2014 heeft Interpartes aan [eiseres] geschreven dat de betalingsregeling niet wordt nagekomen en dat er een achterstand is ontstaan van

€ 90,00, welke achterstand binnen vijf dagen dient te worden voldaan, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.

2.11.

Op 27 juni 2014 is het budgetbeheer bij PLANgroep geëindigd.

2.12.

Op 28 augustus 2014 heeft ING haar vordering op [eiseres] uit handen gegeven aan Vesting Finance Fidition.

2.13.

Op 25 maart 2015 heeft [eiseres] het krediet (van toen circa

€ 1.900,00) geheel afgelost.

2.14.

Op 20 juli 2017 heeft [eiseres] samen met haar partner een koopovereenkomst getekend voor de koop van een woning aan de [straat] te [plaats] (hierna: de woning) tegen een koopsom van

€ 290.000,00. Het financieringsvoorbehoud voor de aankoop van deze woning verloopt op 9 oktober 2017.

2.15.

Bij e-mail van 11 september 2017 heeft ING aan (de partner van) [eiseres] aangegeven de BKR codering van [eiseres] niet te zullen opheffen en dat zij als volgt staat geregistreerd bij BKR:

Een A codering per 1 september 2011

Een 3 codering per 12 april 2013

Een praktische laatste einddatum per 27 maart 2015.

Voorts geeft ING aan dat zij wegens de betaalachterstand van [eiseres] in 2013 het volledige krediet opeisbaar heeft gesteld en dat die opeising per abuis niet is geregistreerd bij het BKR, welke codering alsnog zal worden geregistreerd met codering 2. Ook codering 2 is inmiddels opgenomen in het BKR.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat –

I. Primair: ING te veroordelen de (bijzonderheids)coderingen A, 3 en indien geplaatst 2, in het CKI met contractnummer [nummer] te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede ING te verbieden alsnog over te gaan tot plaatsing van (bijzonderheids)codering 2 in het CKI zulks eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom,

II. Subsidiair: ING te veroordelen de duur van de registratie van de (bijzonderheids)coderingen A, 3 en indien geplaatst 2, in het CKI met contractnummer [nummer] te beperken tot twee jaar en gelet hierop ING te bevelen deze (bijzonderheids)coderingen te verwijderen op straffe van verbeurte van een dwangsom,

III. Meer subsidiair: zodanig te beslissen als de voorzieningenrechter juist acht,

IV. Een en ander met veroordeling van ING in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

ING voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voorop staat dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering nu voor haar de termijn om het financieringsvoorbehoud in te roepen ten aanzien van de koopovereenkomst van de woning afloopt op 9 oktober 2017.

4.2.

Op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht (Wft) zijn kredietaanbieders verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Het doel van de kredietregistratie is tweeledig. Enerzijds worden consumenten beschermd tegen overkreditering, anderzijds worden aanbieders van krediet beschermd tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst worden in het CKI weergegeven met code ‘A’, en met bijzonderheidscoderingen 1 tot en met 5. Code 1 betekent dat er een aflossing- of schuldregeling is getroffen, code 2 dat de vordering opeisbaar is gesteld en code 3 betekent dat een bedrag van € 250,00 of meer is afgeboekt. Slechts wanneer afboeking tegen finale kwijting plaatsvindt, moet tegelijkertijd met de code 3 de beëindiging van de overeenkomst middels een einddatum worden gemeld, in andere gevallen wordt geen einddatum gemeld.

4.3.

Op de registratie door ING zijn de regels van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) en het Algemeen Reglement CKI 2003 van het BKR (hierna: AR) van toepassing. ING verwerkt immers de persoonsgegevens van [eiseres] . Uit het arrest ‘Santander’ van de Hoge Raad (NJ 2011/595) blijkt dat bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwezenlijkt. Het feit dat de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan op grond van de limitatief in artikel 8 Wbp opgesomde gronden en dat de verwerker zich heeft gehouden aan het AR betekent niet dat de belangenafweging achterwege kan blijven.

4.4.

Voorop staat dat niet in geschil is dat de ‘A’ codering terecht is opgenomen, er was immers sprake van een achterstand.

4.5.

Met betrekking tot codering 2 die door ING daags voor het uitbrengen van de onderhavige dagvaarding is gemeld bij BKR, voert [eiseres] aan dat dit strijdig is met artikel 14 AR 2003 waarin staat dat ING verplicht is om de gegevens aan te melden binnen vier weken nadat bedoelde feiten zich hebben voorgedaan. Een melding ruim vier jaar na de dag waarop de handeling heeft plaatsgevonden is dan ook te laat, volgens [eiseres] .

4.6.

Weliswaar mag van ING in redelijkheid verwacht worden dat zij de termijn voor registratie naleeft die in het toepasselijke AR is opgenomen, echter staat vast dat ING het krediet in 2013 heeft opgeëist. De registratie van code 2 is daarom ondanks de rijkelijk late melding door ING wel terecht. Nu aan het overschrijden van de meldingstermijn zoals opgenomen in artikel 14 AR 2003 geen sanctie is verbonden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de enkele late melding op zich nog niet met zich brengt dat deze registratie dan verwijderd moet worden. Voor het antwoord op de vraag of de melding verwijderd dient te worden dient een belangenafweging te worden gemaakt als hierna volgt.

4.7.

[eiseres] heeft voorts aangevoerd dat gelet op de uitspraken van de Geschillencommissie BKR de codering 3 zou moeten worden doorgehaald indien de vordering uiteindelijk toch is betaald, zoals in haar geval.

Dit argument gaat niet op. Zoals blijkt uit het AR van het BKR (productie 28 [eiseres] ) wordt een code 3 gegeven op het moment dat de kredietverlener heeft besloten een bedrag van € 250,00 of meer (intern) af te boeken. Indien de consument daarna alsnog het bedrag afbetaalt (aan een incassobureau) wordt dit in het systeem verwerkt doordat een einddatum van de kredietovereenkomst wordt toegevoegd aan de registratie, niet door het verwijderen van de registratie. De toets van de 3-codering vindt dus plaats op het moment van afboeken door ING. Uit het AR blijkt niet dat de registratie dient te worden verwijderd indien de vordering na overdracht aan een derde alsnog wordt betaald. Het verschil tussen een alsnog betaalde vordering of een oninbare vordering komt tot uitdrukking in het al dan niet vermelden van een einddatum. De conclusie is dat de registratie door ING in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving is gedaan, hetgeen ook voor andere kredietverstrekkers die het BKR raadplegen duidelijk zal zijn.

4.8.

In het kader van de belangenafweging heeft [eiseres] aangevoerd dat haar persoonlijk belang dient te prevaleren boven het in standhouden van de negatieve registraties. Zij voert daartoe aan door haar ex-partner te zijn gedwongen tot het aangaan van het krediet ter aflossing van zijn schulden. Zij heeft zelf dus geen profijt gehad van de lening. Haar toenmalige partner is naar aanleiding van aangifte van [eiseres] veroordeeld voor mishandeling. Als gevolg van posttraumatische stressklachten is [eiseres] arbeidsongeschikt geworden en ontvangt zij een Wajong-uitkering. Zij woont nu in een huurwoning samen met haar (nieuwe) partner en hun dochter van drie jaar. Deze huurwoning vertoont ernstige gebreken en de verhuurder weigert herstelwerkzaamheden uit te voeren. [eiseres] is astmapatiënt en wordt extra ziek van het vocht en de schimmel in de woning. Ook is de huurwoning van slechts één kamer te klein voor het gezin. [eiseres] heeft daarom gezocht naar een koopwoning welke zij heeft gevonden aan de [straat] te [plaats] . Ter gelegenheid van de terechtzitting heeft [eiseres] verklaard voor de financiering van deze woning slechts voor de helft van de waarde van de woning een hypothecaire lening nodig te hebben, waarvan slechts

€ 60.000,00 op naam van [eiseres] nodig is. De andere helft wordt gefinancierd uit eigen middelen en het overige wordt gefinancierd op naam van de partner van [eiseres] . Daarnaast voert [eiseres] aan dat het ontstaan van de achterstand op het krediet buiten haar toedoen is ontstaan en haar niet persoonlijk te verwijten is nu de achterstand is ontstaan door een fout van PLANgroep (zie 2.9) alsmede door de werkwijze van ING ten aanzien van de rekening waarop de aflossing van het krediet kon worden gestort. De negatieve BKR-registratie is dan ook onterecht en raakt [eiseres] , haar partner en hun dochter onevenredig hard in hun persoonlijke belangen.

4.9.

In het kader van de belangenafweging wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [eiseres] vrijwillige schuldhulpverlening heeft ingeschakeld en dat er betalingsachterstanden op het krediet zijn ontstaan. Na het ontstaan van de eerste betalingsachterstanden in 2011 (zie 2.5) en het opeisen van het krediet door ING (in 2013) heeft [eiseres] er nog twee jaar (tot 2015) over gedaan om het krediet geheel af te lossen. Het belang bij continuering van de registratie is daarmee, gelet op de doelstellingen van het BKR, gegeven en slechts in uitzonderlijke gevallen dient dit belang te wijken voor het individuele belang van de consument. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de situatie van [eiseres] niet een uitzonderlijk geval betreft. Weliswaar zal [eiseres] op haar naam tot 27 maart 2020 niet of moeilijker een hypothecaire geldlening kunnen verkrijgen, maar onvoldoende aannemelijk is geworden dat dit tot een disproportionele situatie leidt. Dat zij thans woont in een huurwoning die in slechte staat verkeert kan niet tot die conclusie leiden, reeds omdat daar andere oplossingen denkbaar voor zijn, bijvoorbeeld richting de verhuurder. Dat zij samen met haar partner een koopcontract voor een woning heeft getekend, is evenmin voldoende te meer daar zij het financieringsvoorbehoud nog kan inroepen. Voorts is gebleken dat [eiseres] samen met haar partner beschikt over eigen vermogen en dat haar partner wel een hypothecaire lening kan krijgen. Het is voor [eiseres] derhalve ook mogelijk om samen met haar partner een minder dure woning aan te schaffen waarvoor financiering mogelijk is. Dat de achterstand op het krediet mede is ontstaan door toedoen van schuldhulpverleningsinstanties is spijtig, maar is een omstandigheid die voor rekening en risico komt van [eiseres] . Dit kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat het handhaven van de registratie disproportioneel is.

Daarbij komt dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verkrijgen van een hypothecaire lening voor haar vanwege de registratie niet mogelijk is. Zij heeft geen stukken overgelegd waaruit haar inkomens- en vermogenspositie blijkt, en evenmin heeft zij afwijzingen overgelegd van kredietverstrekkers waar zij een hypothecaire lening heeft aangevraagd. De door [eiseres] overgelegde e-mail van haar hypotheekadviseur (productie 35 [eiseres] ) is daartoe onvoldoende nu daar slechts algemene acceptatiecriteria van Hypotrust en Syntrus Achmea in staan opgenomen hetgeen niets zegt over de concrete situatie van [eiseres] en haar partner en hun financieringsmogelijkheden. Volgens ING is het verkrijgen van een hypotheek niet geheel onmogelijk met een BKR-registratie. [eiseres] heeft in dit kort geding het tegendeel niet aannemelijk kunnen maken. De conclusie is dat de inbreuk op de belangen van [eiseres] niet onevenredig is en dat de vordering zal worden afgewezen.

4.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 1.435,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken 5 oktober 2017.1

1 type: AV coll: MA