Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7276

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
AMS 17/1318 T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing subsidieaanvraag dansgezelschap LeineRoebana in het kader van de Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies 2017-2020.

De bezoekverslagen zijn in deze procedure niet aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarom is er geen grond om verweerder op te dragen de bezoekverslagen in deze procedure over te leggen.

Het advies van de adviescommissie is zorgvuldig tot stand gekomen. Het advies van de adviescommissie is echter op onderdelen onvoldoende gemotiveerd. Dat is in het bestreden besluit niet onderkend. Vernietiging bestreden besluit.

Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/1318

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , h.o.d.n. LeineRoebana, te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.A. Josephus Jitta),

en

de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+, verweerder

(gemachtigde: mr. K.E.A. de Beer).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van de Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies 2017-2020 afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [persoon 1] en [persoon 2] , beiden [beroep] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam gemachtigde] ( [functie] ) en [persoon 3] ( [functie] ).

Overwegingen

1. Het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ is een cultuurfonds dat is opgericht door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het verstrekt onder meer subsidie aan natuurlijke personen en rechtspersonen die werkzaam zijn op het gebied van de professionele podiumkunsten in Nederland.

2. Eiseres is een dansgezelschap. In onder meer de periodes 2009-2012 en 2013-2016 heeft eiseres van verweerder meerjarige activiteitensubsidie ontvangen.

3. Eiseres heeft op 29 februari 2016 een meerjarige subsidie voor de periode 2017-2020 voor producerende instellingen aangevraagd op grond van de Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies 2017-2020 (hierna: de Deelregeling).

4. Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Deelregeling worden aanvragen die voldoen aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen voor advies voorgelegd aan een van de volgende adviescommissies: theater, muziektheater, dans, muziek of festivals. Op grond van artikel 2.3, derde lid, van de Deelregeling beoordeelt de adviescommissie de aanvragen aan de hand van de criteria in deze regeling.

5. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, van de Deelregeling worden aanvragen beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

a. artistieke kwaliteit;

b. ondernemerschap;

c. pluriformiteit;

d. geografische spreiding in Nederland.

6. In de door verweerder vastgestelde Toelichting op de Deelregeling, gepubliceerd in de Staatscourant 2015 nr. 39015, (hierna: de Toelichting op de Deelregeling) is onder meer per beoordelingscriterium beschreven welke aspecten in aanmerking worden genomen. Ook is beschreven welke waarderingen per beoordelingscriterium kunnen worden gegeven. Die waardering wordt ook uitgedrukt in een cijfer. De optelsom van de cijfers voor de vier beoordelingscriteria bepaalt vervolgens of een aanvraag wordt gehonoreerd, wordt gehonoreerd voor zover het budget dat toelaat of niet wordt gehonoreerd.

7. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voorgelegd aan de adviescommissie dans (hierna: de adviescommissie). Deze bestaat uit zeven leden. De adviescommissie heeft de artistieke kwaliteit van eiseres beoordeeld als voldoende (1 punt), het ondernemerschap als zwak (-1 punt), de bijdrage aan de pluriformiteit als ruim voldoende (2 punten) en de bijdrage aan de geografische spreiding ook als ruim voldoende (2 punten). De commissie heeft vervolgens geadviseerd de aanvraag van eiseres niet te honoreren.

8. In het primaire besluit heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie.

9. Verweerder heeft tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat in de discipline dans alle aanvragers met zes punten of meer het advies honoreren of honoreren voor zover het budget het toelaat hebben gekregen en alle aanvragers met vier punten of minder het advies niet honoreren hebben gekregen.

10. In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de bezwaaradviescommissie, het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De bezwaaradviescommissie heeft geconcludeerd dat niet gebleken is dat het advies van de adviescommissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen of niet voldoende draagkrachtig en inzichtelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft zijn besluit op het advies van de adviescommissie mogen baseren en heeft zijn besluit genomen met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus de bezwaaradviescommissie.

11. In beroep heeft eiseres – zeer kort samengevat – aangevoerd dat haar subsidieaanvraag niet zorgvuldig is beoordeeld en dat het oordeel over de vier beoordelingscriteria van de Deelregeling onjuist is, dan wel ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal, voor zover van belang, hierna op de afzonderlijke beroepsgronden ingaan.

12. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op het door eiseres aan de orde gestelde procedurele punt, namelijk de vraag of verweerder de bezoekverslagen in het geding moet brengen. Daarna zal de rechtbank het bestreden besluit toetsen. Bij die toetsing heeft de rechtbank gelet op de aangevoerde beroepsgronden achtereenvolgens de volgende vragen te beantwoorden:

- is in het bestreden besluit terecht geoordeeld dat het advies van de adviescommissie zorgvuldig tot stand is gekomen?

- is in het bestreden besluit terecht geoordeeld dat de adviescommissie haar oordeel over de vier afzonderlijke beoordelingscriteria voldoende inzichtelijk en draagkrachtig heeft gemotiveerd?

- heeft verweerder in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel?

Moet verweerder de bezoekverslagen in het geding brengen?

13. De adviescommissie heeft ten behoeve van haar beoordeling ook de beschikking gekregen over door adviseurs van verweerder opgestelde verslagen van voorstellingsbezoeken. Het gaat in dit geval om zestien bezoekverslagen van vier verschillende producties van eiseres die zijn gespeeld in de periode 2013-2016. In die bezoekverslagen hebben de adviseurs van verweerder hun bevindingen over de voorstellingen neergelegd.

14. Eiseres heeft aan verweerder gevraagd om de bezoekverslagen aan haar te verstrekken. Verweerder heeft dat geweigerd.

15. Eiseres heeft vervolgens aan de rechtbank verzocht om verweerder te gelasten de bezoekverslagen in het geding te brengen. Zij stelt er belang bij te hebben kennis te kunnen nemen van de bezoekverslagen, omdat verweerder de inhoud daarvan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming. Eiseres kan niet vaststellen of de bezoekverslagen een gefundeerd, professioneel oordeel geven over de voorstellingen en of de mede daarop gebaseerde besluitvorming terecht is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) van 14 juni 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:240).

16. De rechtbank moet beoordelen of de betreffende bezoekverslagen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van belang is dat verweerder aan de afwijzing van de subsidieaanvraag het advies van de adviescommissie ten grondslag heeft gelegd. Dat advies moet de beslissing op de aanvraag zelfstandig kunnen dragen. Voor zover in de bezoekverslagen oordelen zijn neergelegd over de voorstellingen van eiseres, zijn deze slechts van betekenis als deze worden overgenomen in het advies van de adviescommissie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2258). Uit het voorgaande volgt dat de bezoekverslagen in deze procedure niet zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken.

17. Met betrekking tot de door eiseres aangehaalde uitspraak van het College overweegt de rechtbank dat in die zaak het bestuursorgaan de afwegingen van de adviescommissie over de beoordeling van de subsidieaanvraag niet op schrift had gesteld. Daarmee is die situatie onvoldoende vergelijkbaar met het onderhavige geschil. Het beroep van eiseres op de uitspraak van het College gaat dus niet op.

18. Aangezien de bezoekverslagen in deze procedure niet zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken, is er geen grond om verweerder op te dragen de bezoekverslagen in deze procedure over te leggen. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek van eiseres daarom af.

Is het advies van de adviescommissie zorgvuldig tot stand gekomen?

19. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van de adviescommissie, in het bijzonder ten aanzien van het oordeel over de artistieke kwaliteit, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens eiseres heeft verweerder te weinig verschillende producties bezocht die eiseres heeft gespeeld in de periode 2013-2016, namelijk slechts vier van de zevenentwintig nieuwe producties. Eiseres stelt dat verweerder bij sommige andere aanvragers beduidend meer verschillende producties en meer voorstellingen heeft bezocht. Verweerder hecht volgens eiseres veel waarde aan producties voor de midden-/grote zaal. Eiseres heeft drie nieuwe producties voor de midden-/grote zaal gemaakt in de periode 2013-2016, maar verweerder heeft er daarvan maar één (namelijk ‘ [naam productie] ’) beoordeeld. Eiseres stelt dat de andere twee nieuwe producties voor de midden-/grote zaal, ‘ [naam productie] ’ en ‘ [naam productie] ’, ten onrechte niet zijn beoordeeld. ‘ [naam productie] ’ was voor eiseres de belangrijkste productie van de afgelopen kunstenplanperiode. Deze productie is lovend ontvangen en is genomineerd voor de meest indrukwekkende dansproductie van 2016. Voor zover verweerder stelt dat ‘ [naam productie] ’ wel is bezocht, geldt dat daarvan geen bezoekverslag is gemaakt, zodat volgens eiseres aan dat bezoek niet dezelfde waarde kan worden gehecht.

20. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de Toelichting op de Deelregeling wordt bij de beoordeling van de artistieke kwaliteit in het verleden gekeken naar de voorstellingen uit de periode 1 januari 2013 tot en met het moment van adviseren. Daarbij wordt, voor aanvragers die in de periode 2013-2016 een meerjarige subsidie ontvangen van verweerder, gebruik gemaakt van de bevindingen bij voorstellingsbezoek dat in die periode door adviseurs van verweerder is verricht. Naast deze op de praktijk gebaseerde informatie, wordt gebruik gemaakt van de algemene kennis van de adviescommissieleden over de aanvrager en de waardering die er in het veld bij vakgenoten is voor de activiteiten van de aanvrager. Uitgangspunt is echter steeds het eigen oordeel van de commissie, aldus nog steeds de Toelichting op de Deelregeling.

21. Uit de Toelichting op de Deelregeling volgt dus dat het oordeel van de adviescommissie niet uitsluitend is gebaseerd op de bezoekverslagen. Voor zover eiseres heeft betoogd dat aan eigen voorstellingsbezoek door adviescommissieleden minder gewicht toekomt dan aan een bezoekverslag, volgt de rechtbank eiseres hierin niet. De Toelichting op de Deelregeling noemt immers uitdrukkelijk ook de algemene kennis en het eigen oordeel van de adviescommissieleden. Wanneer sprake is van eigen voorstellingsbezoek van een adviescommissielid, zal zijn of haar algemene kennis en eigen oordeel zodoende mede berusten op de bevindingen bij eigen voorstellingsbezoek. In dit geval hebben de leden van de adviescommissie ook andere producties van eiseres bezocht dan die waarvan een bezoekverslag beschikbaar was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de adviescommissie de productie ‘ [naam productie] ’ in haar beoordeling heeft mogen betrekken, aangezien niet in geschil is dat meerdere leden van de adviescommissie deze voorstelling hebben bezocht.

22. Van de drie nieuwe producties voor de midden-/grote zaal zijn er dus twee (‘ [naam productie] ’ en ‘ [naam productie] ’) in de beoordeling door de adviescommissie betrokken. De derde nieuwe productie, ‘ [naam productie] ’, is niet in de beoordeling betrokken. Anders dan eiseres vindt de rechtbank dat niet onzorgvuldig. ‘ [naam productie] ’ is immers pas op 19 mei 2016 in première gegaan en verweerder heeft toegelicht dat op dat moment de vergaderingen van de adviescommissie al waren afgerond. Uit de blogs van de directeur van verweerder volgt, anders dan eiseres stelt, niet dat de adviescommissie na 19 mei 2016 nog heeft vergaderd. In het blog van 12 mei 2016 staat over de vergaderingen van de vijf verschillende adviescommissies immers slechts dat de eerste vergadering half april plaatsvond en dat de laatste gepland staat voor eind mei. Aangezien er voor elke discipline een eigen adviescommissie is, kan hieruit niet worden opgemaakt dat de adviescommissie dans eind mei nog heeft vergaderd. Naar het oordeel van de rechtbank rustte op verweerder, anders dan eiseres stelt, evenmin de verplichting om voorafgaand aan de première van ‘ [naam productie] ’ uit eigen beweging informatie over die productie te vergaren en bij haar oordeel te betrekken.

23. Naast de producties ‘ [naam productie] ’ en ‘ [naam productie] ’ voor de midden-/grote zaal, heeft de adviescommissie ook ten minste drie andere, kleinere producties in zijn beoordeling betrokken. Hoewel verweerder desgevraagd ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag hoeveel verschillende producties van eiseres in totaal door de adviescommissie in de beoordeling zijn betrokken, is de rechtbank van oordeel dat met twee van de vier grote en ten minste drie kleinere producties, voldoende verschillend werk van eiseres in ogenschouw is genomen om een zorgvuldig oordeel over de artistieke kwaliteit van de voorstellingen in het (recente) verleden te kunnen geven. De omstandigheid dat van sommige andere aanvragers meer verschillende producties zijn gezien, kan hieraan niet afdoen nu enkel relevant is of van eiseres voldoende verschillend werk is gezien om tot een deugdelijke beoordeling te kunnen komen.

24. Uit het voorgaande volgt dat het betoog van eiseres dat het advies van de adviescommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen voor zover het de artistieke kwaliteit betreft, faalt.

25. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat sprake is van het letterlijk kopiëren van grote delen van het oordeel van de adviescommissie van vier jaar geleden.

26. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiseres dat ‘grote delen’ van het oordeel van de adviescommissie van vier jaar geleden zijn gekopieerd, feitelijke grondslag mist. Wanneer beide adviezen naast elkaar worden gelegd, moet worden geconstateerd dat bij elk afzonderlijk beoordelingscriterium slechts een enkele zin(snede) uit het eerdere advies terugkomt in het huidige advies. Die – zeer beperkte – herhaling is onvoldoende reden om aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies te twijfelen. Het is immers mogelijk dat een oordeel over een bepaald aspect hetzelfde is als vier jaar geleden, wat verklaart waarom daarvoor dan dezelfde motivering is gebruikt.

27. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat verweerder vooringenomen is jegens eiseres. Volgens eiseres blijkt dit uit de omstandigheid dat verweerder in het verweerschrift in bezwaar een inhoudelijk oordeel heeft geveld over de productie ‘ [naam productie] ’ zonder die voorstelling te hebben gezien. Ook blijkt de vooringenomenheid volgens eiseres uit een opmerking in 2013 van een [functie] van het Fonds Podiumkunsten.

28. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift in bezwaar niet een inhoudelijk oordeel over ‘ [naam productie] ’ heeft gegeven. Deze stelling van eiseres mist dus feitelijke grond. Uit de door eiseres aangehaalde opmerking van de [functie] van het Fonds kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden opgemaakt dat verweerder vooringenomen is jegens eiseres. Ook deze beroepsgrond faalt.

29. Eiseres heeft voorts nog aangevoerd dat het aanvraagformulier onvoldoende ruimte bood om de aanvraag voldoende te kunnen toelichten.

30. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het is aan eiseres om in de aanvraag een zo goed en compleet mogelijk beeld te geven van het werk en de plannen voor de komende subsidieperiode. Indien eiseres daarvoor te weinig ruimte op het aanvraagformulier meende te hebben, had zij een uitgebreidere toelichting kunnen opnemen in het ondernemingsplan of een andere bijlage bij de aanvraag. Dat eiseres dat niet heeft gedaan, komt voor haar eigen rekening en risico en kan niet afdoen aan (de zorgvuldigheid van) het bestreden besluit.

31. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het advies van de adviescommissie zorgvuldig tot stand is gekomen.

Heeft de adviescommissie haar oordeel over de vier afzonderlijke beoordelingscriteria voldoende inzichtelijk en draagkrachtig gemotiveerd?

Het criterium ‘artistieke kwaliteit’

32. Het eerste door de adviescommissie beoordeelde criterium is artistieke kwaliteit. De adviescommissie heeft verschillende positieve punten en verschillende kritische punten benoemd. Dat heeft geleid tot de waardering voldoende. Die waardering houdt volgens de Toelichting op de Deelregeling in dat er flinke punten van kritiek zijn, maar dat de positieve elementen de overhand hebben.

33. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de voorstelling ‘ [functie] ’ heeft betrokken bij de oordeelsvorming. Die productie dateert van vóór 2013 en kan niet als basis dienen voor het oordeel over de artistieke ontwikkeling van het werk van eiseres in de periode 2013-2016. Volgens de Deelregeling kijkt verweerder immers ter beoordeling van de artistieke kwaliteit in het verleden alleen naar voorstellingen in de te beoordelen kunstenplanperiode, in dit geval van 1 januari 2013 tot aan de adviesdatum in 2016. Ook heeft verweerder ‘ [functie] ’ in de periode 2013-2016 niet gezien, zo stelt eiseres.

34. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ‘ [functie] ’ is gespeeld in de periode 2013-2016 (39 uitvoeringen). Uitvoeringen zijn onderdeel van de beoordeling als zij hebben plaatsgevonden in de periode 2013-2016. Het gaat er niet om wanneer een stuk in première is gegaan of wanneer het is bezocht, aldus verweerder.

35. De rechtbank overweegt dat de Toelichting op de Deelregeling voorschrijft dat bij de beoordeling van de artistieke kwaliteit in het verleden wordt gekeken naar de voorstellingen uit de periode 1 januari 2013 tot en met het moment van adviseren. Niet in geschil is dat ‘ [functie] ’ (ook) in de periode 2013-2016 veelvuldig is gespeeld (veelal reprises). Gelet hierop mag naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke voorstelling worden betrokken in de oordeelsvorming over de artistieke kwaliteit. Vereist is echter wel dat deze voorstelling in de periode 2013-2016 ook daadwerkelijk is gezien. Vast staat dat deze voorstelling niet is gezien in het kader van het geregistreerd voorstellingsbezoek waarvan een bezoekverslag wordt gemaakt. Desgevraagd is namens verweerder ter zitting verklaard dat een of meer leden van de adviescommissie een voorstelling van ‘ [functie] ’ hebben gezien en dat dat hoogstwaarschijnlijk ook een voorstelling in de huidige beoordelingsperiode is geweest. Nu verweerder dat laatste echter niet met zekerheid heeft kunnen zeggen, terwijl dat wel van belang is, omdat uit het advies blijkt dat deze productie een substantiële rol heeft gespeeld bij het oordeel over de artistieke kwaliteit, is de rechtbank van oordeel dat op dit punt een zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit kleeft. Verweerder had zich hiervan immers moeten vergewissen maar heeft dat niet gedaan. Deze beroepsgrond slaagt.

36. De rechtbank zal verweerder in de gelegenheid stellen om duidelijkheid te verschaffen over de vraag of ‘ [functie] ’ daadwerkelijk in de periode 2013-2016 is gezien en zijn standpunt daarover, indien mogelijk, met feitelijke gegevens te staven. Indien ‘ [functie] ’ in de periode 2013-2016 niet is gezien, kan deze productie niet ten grondslag worden gelegd aan het oordeel over de artistieke kwaliteit.

37. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het advies van de adviescommissie op veel punten niet is gemotiveerd of onderbouwd. Eiseres verwijst daarbij met name naar de door de adviescommissie benoemde kritiekpunten.

38. De adviescommissie heeft onder meer overwogen dat vooral in de grotezaalvoorstellingen sprake is van een “enigszins sleetse, steeds op vergelijkbare wijze ingevulde formule”. Deze in algemene bewoordingen gestelde kwalificatie is verder niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee onvoldoende inzicht geboden in dit kritiekpunt. Zo wordt bijvoorbeeld niet duidelijkheid gemaakt wat dan de formule is die steeds op vergelijkbare wijze wordt ingevuld. In het bestreden besluit is dit niet onderkend. Door de bezwaaradviescommissie is overwogen dat over dit kritiekpunt door verweerder in bezwaar een nadere toelichting is gegeven en dat die uitleg wordt gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat hiermee wordt miskend dat het advies van de adviescommissie de beslissing op de aanvraag zelfstandig moet kunnen dragen. Verweerder kan dat advies niet eigenhandig van een nadere motivering voorzien, zeker nu verweerder juist een adviescommissie met kennis van zaken heeft ingeschakeld om de aanvraag te beoordelen. Indien bepaalde aspecten van het advies een nadere onderbouwing verdienen, is het dan ook aan de adviescommissie om dat te doen. Gesteld noch gebleken is dat de in bezwaar door verweerder gegeven nadere motivering van de adviescommissie afkomstig was of dat deze zelfs maar aan de adviescommissie is voorgelegd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de in bezwaar (en beroep) door verweerder gegeven nadere motivering als toereikend is aan te merken.

39. Het voorgaande betekent dat aan het bestreden besluit ook een motiveringsgebrek kleeft. In zoverre slaagt de beroepsgrond van eiseres. De rechtbank zal verweerder in de gelegenheid stellen om te proberen dit gebrek te herstellen (zie hierna rechtsoverweging 75).

40. De rechtbank stelt verder vast dat het kritiekpunt dat sprake is van een enigszins sleetse, steeds op vergelijkbare wijze formule ingevulde formule, door de adviescommissie als argument is gebruikt voor de constatering “dat het werk van eiseres aan zeggingskracht heeft ingeboet”. Daarnaast speelt dit kritiekpunt blijkens het advies een rol bij het oordeel van de adviescommissie dat “de toekomstige producties, die binnen het gebruikelijke format worden ontwikkeld, van weinig artistieke ontwikkeling getuigen en afbreuk doen aan de zeggingskracht van het werk van eiseres”. De vraag of deze onderdelen voldoende gemotiveerd zijn, zal afhangen van de vraag of alsnog een deugdelijke motivering wordt gegeven voor het in rechtsoverweging 38 genoemde en door de rechtbank als onvoldoende onderbouwd beoordeelde kritiekpunt.

41. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de adviescommissie bij het oordeel over de zeggingskracht de lovende recensies en de positieve waardering door publiek en festivalprogrammering ten onrechte niet heeft betrokken. Dat is volgens eiseres in strijd met de in de Deelregeling vastgelegde werkwijze van verweerder, die aangeeft dat ook gebruik wordt gemaakt van de waardering in het veld bij vakgenoten voor de activiteiten van de aanvrager.

42. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In de Toelichting op de Deelregeling is vermeld dat naast de op de praktijk gebaseerde informatie (zoals voorstellingsbezoek) gebruik wordt gemaakt van de algemene kennis van de adviescommissieleden over de aanvrager en de waardering die er in het veld is voor de activiteiten van de aanvrager bij vakgenoten. Uitgangspunt is echter steeds het eigen oordeel van de commissie, zo staat ook in de Toelichting op de Deelregeling. Dit laatste staat eraan in de weg dat aan lovende recensies en een positieve waardering door het publiek doorslaggevende betekenis zou moeten toekomen. Deze beroepsgrond faalt.

43. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de adviescommissie over het criterium artistieke ontwikkeling voor het overige (dus behoudens wat hiervoor in rechtsoverweging 38 is overwogen) – mede in het licht van de inhoud van de aanvraag – voldoende is gemotiveerd. Anders dan eiseres is de rechtbank verder van oordeel dat de verschillende onderdelen van het oordeel over de artistieke kwaliteit niet strijdig zijn met elkaar. De hiertegen gerichte beroepsgronden slagen niet.

44. Voor het overige gaan de beroepsgronden met betrekking tot de artistieke kwaliteit uit van een verkeerde lezing van het advies van de adviescommissie, dan wel richten de beroepsgronden zich niet tegen de inhoud van het advies van de adviescommissie of het advies van de bezwaaradviescommissie, maar tegen onderdelen uit het verweerschrift in bezwaar, terwijl de inhoud van het verweerschrift in bezwaar niet ter toetsing voorligt in beroep. Reeds hierom kunnen deze beroepsgronden niet leiden tot aantasting van het bestreden besluit.

Het criterium ‘ondernemerschap’

45. De adviescommissie heeft het ondernemerschap van eiseres als zwak beoordeeld. De waardering zwak houdt volgens de Toelichting op de Deelregeling in dat het ondernemerschap onder de maat is; er zijn enkele positieve elementen, maar de kritische elementen hebben de overhand.

46. Eiseres heeft aangevoerd dat de adviescommissie ten onrechte een negatief oordeel heeft gegeven over het eigen vermogen van eiseres. Zij stelt dat het opbouwen van eigen vermogen geen doel op zich is en dat verweerder geen oog heeft gehad voor de bezuinigingen waaraan eiseres het hoofd heeft geboden. Er zijn volgens eiseres nooit liquiditeitsproblemen geweest en de praktijk heeft laten zien dat het ondernemerschap van eiseres prima werkt.

47. Niet in geschil is dat het eigen vermogen van eiseres in 2015 minder dan € 9.000,- bedroeg. Dat is een relatief gering bedrag ten opzichte van de jaarlijkse begroting van eiseres en dat betekent dat eiseres maar zeer beperkt in staat zal zijn om tegenvallers op te vangen. Daarnaast heeft de adviescommissie overwogen dat de subsidieaanvraag van eiseres niet ingaat op eventuele risico’s in de begroting en dat een strategie om met eventuele tegenvallers om te gaan ontbreekt. Gelet hierop heeft de adviescommissie naar het oordeel van de rechtbank het eigen vermogen van eiseres als een punt van kritiek mogen aanmerken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

48. Eiseres heeft aangevoerd dat de adviescommissie ten onrechte is uitgegaan van een beoogde stijging van het aantal voorstellingen van vijftig naar negentig en van een verdubbeling van de publieksinkomsten in de periode 2017-2020. Volgens eiseres is uitgegaan van verkeerde cijfers, omdat uitsluitend het jaar 2015 tot uitgangspunt is genomen. Eiseres stelt dat het jaar 2015 niet representatief is, omdat zij in dat jaar voornamelijk aandacht heeft besteed aan de voorbereidingen voor het jubileumjaar 2016 en daardoor in 2015 minder voorstellingen heeft gespeeld. De beoogde stijging in publieksinkomsten is bovendien niet 100%, maar 48% als wordt gekeken naar de gemiddelde publieksinkomsten over 2013 tot en met 2015. De bezwaaradviescommissie heeft volgens eiseres ten onrechte overwogen dat een verdubbeling niet veel afwijkt van een stijging van 48%.

49. Verweerder heeft erkend dat niet alleen naar de cijfers over 2015 had moeten worden gekeken, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat – wanneer het gemiddelde over 2013 tot en met 2015 als uitgangspunt wordt genomen – ook een stijging van 48% een substantiële begrote toename van publieksinkomsten betekent. Volgens verweerder blijft daarom ook in dat geval het oordeel van de adviescommissie overeind dat de ambities van eiseres niet realistisch worden geacht.

50. De rechtbank is van oordeel dat de adviescommissie ten onrechte in de gemaakte vergelijking uitsluitend de gerealiseerde activiteiten en publieksinkomsten over het jaar 2015 heeft betrokken. Voor een deugdelijke vergelijking had gekeken moeten worden naar het gemiddelde over de jaren 2013 tot en met 2015. Wanneer de huidige kunstenplanperiode wordt vergeleken met de prognose voor de toekomstige kunstenplanperiode, ligt het immers voor de hand alle (afgesloten) jaren van de huidige kunstenplanperiode in aanmerking te nemen. Daar komt in dit geval nog bij dat 2015 blijkens de gegevens over de jaren 2013 en 2014 niet een representatief jaar is geweest. Dit betekent dat de adviescommissie ten onrechte is uitgegaan van een beoogde stijging van vijftig naar negentig activiteiten en ten onrechte is uitgegaan van een beoogde verdubbeling van de publieksinkomsten.

51. De rechtbank is verder van oordeel dat de bezwaaradviescommissie ten onrechte heeft overwogen dat een beoogde stijging van 48% aan publieksinkomsten niet veel afwijkt van een verdubbeling. Een verdubbeling is een toename van 100%, hetgeen niet op een lijn kan worden gesteld met een toename van 48%.

52. In het advies van de adviescommissie is dus uitgegaan van verkeerde feitelijke gegevens. De daarop gebaseerde conclusies van de adviescommissie zijn zonder motivering niet valide. Door de bezwaaradviescommissie en in het bestreden besluit is dit niet onderkend. De bezwaaradviescommissie heeft niet heeft kunnen overwegen dat een grote stijging van publieksinkomsten niet realistisch te achten is zonder aan de adviescommissie te vragen zich hierover uit te laten. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld om dit gebrek te herstellen.

53. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de adviescommissie ten onrechte heeft overwogen dat zij voor haar inkomsten eenzijdig op publieke middelen leunt.

54. Niet in geschil is dat eiseres ongeveer een derde van haar kosten financiert uit eigen inkomsten, waaronder publieksinkomsten. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank de overweging van de adviescommissie, dat eiseres eenzijdig leunt op publieke middelen, niet goed te begrijpen. Op dit punt is het advies niet deugdelijk gemotiveerd. Voor zover verweerder in het verweerschrift en ter zitting nader heeft toegelicht wat de adviescommissie hiermee heeft bedoeld te zeggen, kan de rechtbank daar niet vanuit gaan. Het is immers niet aan verweerder, maar aan de adviescommissie om het advies van een deugdelijke motivering te voorzien en gesteld noch gebleken is dat de adviescommissie op dit punt is geraadpleegd. Ook deze beroepsgrond slaagt. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld om dit gebrek te herstellen.

55. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de adviescommissie ten onrechte heeft overwogen dat de grootschalige, kostbare producties - op basis van een gemiddelde speellijst van slechts twintig speelbeurten - een beperkt verdienvermogen hebben. Volgens eiseres hebben de grote producties een uitstekend verdienvermogen. De twintig speelbeurten zijn niet het aantal begrote speelbeurten voor grote producties, maar het minimum in de grote zaal. Daarnaast worden deze producties ook gespeeld in de middenzaal. De kostenstructuur van de producties van eiseres en de subsidieverstrekking in de periode 2013-2016 waren namelijk afgestemd op middenzalen, terwijl inkomsten zijn geworven uit middenzalen en grote zalen. Dit is mogelijk doordat de middenzaal-producties ook geschikt te maken zijn voor de grote zaal zonder dat dit grote zaal-productiekosten met zich meebrengt. Dit is dus juist een positief aspect, aldus eiseres.

56. Verweerder heeft ter zitting het oordeel over het beperkte verdienvermogen nader toegelicht. Sommige middenzaal-producties van eiseres zijn volgens verweerder naar hun aard grote zaal-producties. Die producties hadden daarom volgens verweerder ook vaker dan nu is gebeurd in grote zalen kunnen worden gespeeld en dan hadden daarmee meer inkomsten kunnen worden gegenereerd.

57. De rechtbank is van oordeel dat de adviescommissie onvoldoende heeft gemotiveerd dat de grootschalige producties van eiseres een beperkt verdienvermogen kennen. De enkele verwijzing naar een gemiddelde speellijst van twintig speelbeurten is in dit verband niet toereikend omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dat aantal speelbeurten leidt tot een beperkt verdienvermogen. Uit de aanvraag van eiseres en de daarbij gevoegde gegevens kan dit evenmin worden afgeleid.

58. Over de nadere toelichting die verweerder ter zitting heeft gegeven, overweegt de rechtbank dat het niet aan verweerder is, maar aan de adviescommissie om het advies van een deugdelijke motivering te voorzien. Zoals reeds eerder overwogen, moet het advies de beslissing op de aanvraag immers zelfstandig kunnen dragen. Gesteld noch gebleken is dat de adviescommissie op dit punt is geraadpleegd. Ook als dat laatste wel het geval zou zijn, vormt die nadere toelichting naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor de negatieve kwalificatie over het verdienvermogen van grootschalige producties. De omstandigheid dat eiseres bij haar subsidieaanvraag voor de periode 2013-2016 andere keuzes had kunnen maken, betekent niet zonder meer dat de grootschalige producties dan een beduidend beter verdienvermogen zouden hebben gekend. Dat hangt immers af van allerlei factoren waarin verweerder geen inzicht heeft gegeven, zoals de vraag naar grote zaal-voorstellingen en de financiële afspraken met theaters. Verder is de rechtbank van oordeel dat het eveneens in grote zalen spelen van middenzaal-producties op zichzelf als een positief punt is aan te merken. Dat dit mogelijk nog vaker had gekund is wellicht juist, maar rechtvaardigt daarmee nog niet dat het verdienvermogen van grote zaal-producties als kritiekpunt is bestempeld. Dat is een te eenzijdig negatieve benadering die geen recht doet aan de door eiseres behaalde resultaten met grote zaal-voorstellingen. Het advies van de adviescommissie is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld om dit gebrek te herstellen.

59. Eiseres heeft aangevoerd dat haar eigeninkomstenquote (EIQ) realistisch is en dat daarom niet kan worden geoordeeld dat sprake is van onverantwoord produceren.

60. De rechtbank overweegt dat blijkens het advies van de adviescommissie het EIQ geen rol heeft gespeeld (in positieve noch in negatieve zin) bij de totstandkoming van het oordeel van de adviescommissie. Naar het oordeel van de rechtbank was de adviescommissie niet gehouden het EIQ te betrekken in haar overwegingen. Uit de Deelregeling noch uit de Toelichting daarop volgt immers dat dit aspect betrokken moet worden in de beoordeling over het ondernemerschap. Dit betekent dat al hetgeen eiseres over het EIQ naar voren heeft gebracht, verder onbesproken kan blijven. Deze beroepsgronden falen.

61. Voor het overige gaan de beroepsgronden van eiseres met betrekking tot het ondernemerschap uit van een verkeerde lezing van het advies van de adviescommissie, dan wel richten de beroepsgronden zich niet tegen de inhoud van het advies van de adviescommissie of het advies van de bezwaaradviescommissie, maar tegen onderdelen uit het verweerschrift in bezwaar, terwijl de inhoud van het verweerschrift in bezwaar niet ter toetsing voorligt in beroep. Reeds hierom kunnen deze beroepsgronden niet leiden tot aantasting van het bestreden besluit.

Het criterium ‘pluriformiteit’

62. De adviescommissie heeft de bijdrage aan de pluriformiteit van eiseres als ruim voldoende beoordeeld. De waardering ruim voldoende houdt volgens de Toelichting op de Deelregeling in dat de activiteiten van eiseres onderscheidend zijn en een aanzienlijke bijdrage leveren aan de pluriformiteit.

63. Eiseres betoogt dat op dit onderdeel een hogere waardering had moeten worden toegekend. Daartoe voert zij allereerst aan dat verzuimd is om de productie ‘ [naam productie] ’ te beoordelen en dat ook overigens te weinig voorstellingen en producties van eiseres zijn beoordeeld in de periode 2013-2016.

64. De rechtbank is van oordeel dat deze argumenten niet slagen. Het niet meenemen van de productie ‘ [naam productie] ’ is, zoals hiervoor in rechtsoverweging 22 reeds is geoordeeld, niet onzorgvuldig. Ook kan niet worden gezegd dat de adviescommissie te weinig voorstellingen en producties van eiseres heeft gezien om zich een goed oordeel te vormen. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 23 is overwogen.

65. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat haar visie en werkwijze, met vergaande integratie van dans, muziek en transculturaliteit, haar wel degelijk onderscheidend en uniek maakt binnen het genre hedendaagse dans. Zo is eiseres het enige gezelschap dat heeft geïnvesteerd in een [naam muziekinstrument] (een [naam muziekinstrument] ) en daarnaast experimenteert met een digitale [naam muziekinstrument] . Volgens eiseres moet dit leiden tot een hogere waardering dan ruim voldoende.

66. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de adviescommissie voldoende gemotiveerd waarom zij tot de waardering ruim voldoende is gekomen. De enige hogere waardering is zeer goed en daaronder wordt verstaan dat de activiteiten zeer onderscheidend zijn en een zeer belangrijke bijdrage aan de pluriformiteit leveren (cursiveringen rechtbank). Aangezien het werk van eiseres kenmerken vertoont van het aanbod dat ook door andere moderne dansgezelschappen wordt gebracht, is er geen grond voor het oordeel dat de waardering zeer goed had moeten worden toegekend. De omstandigheid dat eiseres als enige heeft geïnvesteerd in een [naam muziekinstrument] betekent niet dat sprake is van een wezenlijk ander aanbod dat voor het criterium pluriformiteit de kwalificatie zeer goed rechtvaardigt.

67. De beroepsgronden tegen het oordeel over de pluriformiteit slagen niet.

Het criterium ‘geografische spreiding’

68. De adviescommissie heeft de bijdrage aan de geografische spreiding als ruim voldoende beoordeeld. De waardering ruim voldoende houdt volgens de Toelichting op de Deelregeling in dat sprake is van een redelijke bijdrage aan de spreiding.

69. De beroepsgrond van eiseres, dat de waardering ruim voldoende niet bestaat en reeds om die reden een hogere waardering had moeten worden toegekend, heeft eiseres ter zitting niet langer gehandhaafd. Deze grond behoeft dus geen bespreking meer.

70. Eiseres voert aan dat wel degelijk sprake is van een grotere bijdrage aan de spreiding. Zij speelt meer dan gemiddeld buiten [woonplaats] en heeft als enige [woonplaats] gezelschap ook in [woonplaats] een vaste standplaats. Eiseres bestrijdt daarnaast dat de beoogde spreiding niet realistisch is, omdat zij gedetailleerd heeft aangegeven met welke partners zij reeds overeenstemming heeft bereikt en waarmee zij activiteiten gaat ontwikkelen, zoals Oerol en het Oranjewoud Festival. Daardoor nemen de speelbeurten in het noorden toe.

71. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de Toelichting op de Deelregeling wordt de waardering voor de geografische spreiding bepaald door twee aspecten: in hoeverre een instelling zijn activiteiten spreidt in Nederland en de plek waar een instelling is gevestigd. Verweerder heeft toegelicht dat voor elk van beide aspecten twee punten zijn te verdienen. Het beleid van verweerder is dat een in [woonplaats] gevestigde instelling vanwege het grote podiumkunstenaanbod in [woonplaats] geen punten krijgt voor de plek waar het is gevestigd. De rechtbank acht dat beleid niet onredelijk. Niet in geschil is dat eiseres is gevestigd in [woonplaats] . Dat betekent dat zij op grond van verweerders beleid geen punten krijgt voor de plek van vestiging. De omstandigheid dat eiseres ook huisgezelschap in [woonplaats] is en daar ook een standplaats heeft, is niet relevant. Voor de spreiding van de activiteiten in Nederland heeft eiseres de maximale twee punten gekregen. Reeds hierom kunnen de door eiseres aangevoerde argumenten over de spreiding niet slagen. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat aan eiseres een hogere waardering voor geografische spreiding had moet worden toegekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel

72. Eiseres heeft op meerdere punten in haar beroepschrift en onder aanvoering van verschillende vergelijkingen betoogd dat zij niet op gelijke wijze is behandeld als andere dansgezelschappen. De argumenten van eiseres komen erop neer dat daar waar bij andere dansgezelschappen dezelfde of soortgelijke omstandigheden aan de orde zijn, die andere dansgezelschappen met een hogere waardering op het betreffende beoordelingscriterium zijn beoordeeld dan eiseres.

73. De rechtbank overweegt dat de uiteindelijke waardering op elk van de vier beoordelingscriteria wordt bepaald door het geheel van in aanmerking te nemen aspecten. Dat geheel van in aanmerking te nemen aspecten, alsook de onderliggende relevante feiten en omstandigheden, zijn bij elke aanvrager anders. Van gelijke of vergelijkbare gevallen is dus geen sprake. Om deze reden gaat het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet op.

Slotsom

74. Zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverwegingen 35-36, 38-39, 50-52, 54 en 57-58 is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen respectievelijk kleeft daaraan een motiveringsgebrek. Nu het advies van de adviescommissie de afwijzende beslissing op de subsidieaanvraag van eiseres niet kan dragen, had verweerder dat advies in de huidige vorm niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

75. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder duidelijkheid verschaffen over de vraag of ‘ [functie] ’ in de periode 2013-2016 is gezien door leden van de adviescommissie en zijn standpunt daarover, indien mogelijk, met feitelijke gegevens staven. Daarnaast moet verweerder de adviescommissie raadplegen, zodat deze het advies van een nadere of gewijzigde onderbouwing kan voorzien op de in de rechtsoverwegingen 38-39, 50-52, 54 en 57-58 benoemde punten. Daarbij zal de adviescommissie ook moeten bezien en motiveren of en zo ja welke gevolgen dat heeft voor de waardering ten aanzien van het betreffende criterium.

76. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

77. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

78. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

79. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, en mr. M.A. Broekhuis en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.