Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7265

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
C/13/628521 / HA ZA 17-479
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing bevoegdheidsincident aangehouden. Eiser heeft de zaak reeds aangebracht bij het scheidsgerecht. Ogv art. 1052 RVv dient de beslissing van het scheidsgerecht over zijn bevoegdheid te worden afgewacht alvorens de civiele rechter bevoegd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/628521 / HA ZA 17-479

Vonnis in incident van 27 september 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CEFETRA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUTCH MARINE INSURANCE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

ANTWERP MARINE INSURANCE, CLAIMS ASSOCIATES N.V.,

gevestigd te Antwerpen (België),

5. de vennootschap naar buitenlands recht

AXA CORPORATE SOLUTIONS ASSURANCE S.A.,

gevestigd te Parijs (Franrijk),

6. de vennootschap naar buitenlands recht

AXA VERSICHERUNG A.G.,

gevestigd te Keulen (Duitsland),

7. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

8. de vennootschap naar buitenlands recht

AIG EUROPE LIMITED,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

9. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

10. de vennootschap naar buitenlands echt

TORUS INSURANCE MARKERING LTD.,

gevestigd te Rotterdam,

11. de vennootschap naar buitenlands recht

STARSTONE INSURANCE SERVICES LTD.

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

12. de vennootschap naar buitenlands recht

SOMPO JAPAN NIPPONKOA INSURANCE COMPANY OF EUROPE LTD,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

13. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.

gevestigd te Apeldoorn,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in de incidenten,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARGILL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot onbevoegdverklaring,

advocaat mr. H.J. van der Baan te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CWT COMMODITIES (AMSTERDAM) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het vrijwaringsincident,

advocaat mr. H.R. Postma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Cefetra c.s. en Cargill c.s. genoemd worden. Verder zullen partijen afzonderlijk worden aangeduid met Cefetra, Cargill en CWT.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding 2 maart 2017,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de zijde van Cefetra c.s.,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van de zijde van Cargill, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van CWT, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident,

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De feiten voor zover van belang in de incidenten

2.1.

In de periode van mei tot september 2014 heeft Cefetra een partij sojameel bij Cargill, tevens handelend onder de naam IGMA (hierna: IGMA), opgeslagen. Omdat IGMA onvoldoende opslagruimte beschikbaar had, heeft zij de daadwerkelijke opslag door CWT laten uitvoeren. Ook in februari 2015 had IGMA voor Cefetra een partij sojameel bij CTW in opslag liggen.

2.2.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of aan deze twee partijen sojameel schade (hitteschade respectievelijk vermengingsschade) is ontstaan.

2.3.

Cefetra c.s. heeft ter beslechting van dit geschil op 10 november 2015 (wat de hitteschade betreft) en op 10 februari 2016 (wat de vermengingsschade betreft) arbitrageprocedures bij stichting TAMARA aanhangig gemaakt.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

Cefetra c.s. vorderen – samengevat – in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de algemene voorwaarden van IGMA niet op de verschillende bewaarnemingsovereenkomsten met Cefetra van toepassing zijn:

II. voor recht verklaart dat Cargill c.s. is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgverplichtingen als (onder)bewaarnemer en hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die hierdoor is ontstaan, inclusief de kosten van Cefetra c.s.; alles nader op de maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. Cargill c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

4 Het geschil in het bevoegdheidsincident

4.1.

Cargill vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis in incident, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: zich onbevoegd verklaart;

subsidiair: de procedure aanhoudt totdat het scheidsgerecht in de arbitrageprocedures over zijn bevoegdheid heeft beslist;

II. Cefetra c.s. veroordeelt in de proceskosten.

4.2.

Cargill stelt – kort weergegeven – het volgende. Cefetra c.s. heeft ter beslechting van het geschil twee arbitrageprocedures aanhangig gemaakt. Uit artikel van artikel 1052 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het arbitrale scheidsgerecht vervolgens bevoegd is om over zijn bevoegdheid te oordelen. Pas indien het scheidsgerecht zich onbevoegd verklaart wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst, is de bevoegde rechter eerst uit dien hoofde bevoegd om van de zaak kennis te nemen, aldus Cargill.

4.3.

Cefetra c.s. voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat volgens de hoofdregel de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd is (artikel 99 Rv). Deze hoofdregel is alleen dan niet van toepassing als tussen partijen een overeenkomst tot arbitrage is gesloten. Volgens Cefetra c.s. dient dan ook de burgerlijke rechter die op basis van Rv bevoegd is, te oordelen of een arbitrageovereenkomst is gesloten, ongeacht de vraag of arbitrage reeds aanhangig is gemaakt.

4.4.

Op stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

5 De beoordeling in het bevoegdheidsincident

5.1.

Vastgesteld kan worden dat Cefetra c.s., voordat zij Cargill c.s. heeft gedagvaard, haar vorderingen tot schadevergoeding aanhangig heeft gemaakt bij het scheidsgerecht stichting TAMARA. Op grond van artikel 1052 Rv is – zoals Cargill terecht heeft gesteld – in dat geval dit scheidsgerecht in eerste instantie bevoegd om over zijn bevoegdheid te oordelen. Uit de leden 4 en 5 van dit artikel volgt dat de civiele rechter vervolgens pas bevoegd is als a) het scheidsgerecht zich bevoegd heeft verklaard en het eindvonnis, met de rechtsmiddelen genoemd in artikel 1064, wordt bestreden of b) het scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard op grond van het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Gelet hierop dient eerst de beslissing van het scheidsgerecht over zijn bevoegdheid te worden afgewacht alvorens de civiele rechter bevoegd is. De omstandigheid dat de arbitrageprocedures enkel aanhangig zijn gemaakt ter bescherming van de uit hoofde van de algemene voorwaarden toepasselijke vervaltermijnen en vervolgens de arbitrageprocedures zijn aangehouden, doet aan dit oordeel niet af. Dit betekent dat de beslissing in dit bevoegdheidsincident zal worden aangehouden. Cargill dient zodra het scheidsgerecht een beslissing heeft genomen, als meest gerede partij, bij akte die beslissing in het geding te brengen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de parkeerrol.

6 Het geschil en de beoordeling in het vrijwaringsincident

6.1.

CWT heeft gevorderd dat het haar wordt toegestaan Cargill in vrijwaring op te roepen. Zij heeft daartoe gesteld dat op grond van artikel 15 van de tussen haar en Cargill van toepassing zijnde algemene voorwaarden Cargill CWT zal vrijwaren ter zake van aanspraken van één of meer derden.

6.2.

Cefetra c.s. heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen kan thans nog niet worden vastgesteld of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. Dit betekent dat zij op dit moment evenmin op de vordering in dit vrijwaringsincident kan beslissen, zodat die beslissing eveneens zal worden aangehouden.

7 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten en in de hoofdzaak

7.1.

bepaalt dat de zaak weer op de parkeerrol zal komen van 4 april 2018 voor het nemen van een akte aan de zijde van Cargill zoals hiervoor onder 5.1 bedoeld;

7.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, rechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.