Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7221

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
4917042 / CV EXPLO 169405
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit, schending NEN-norm, vrijwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: 4917042 / CV EXPL 16-9405

Uitspraak: 6 oktober 2017

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats] ,

eiser,

procederend in persoon,

t e g e n

[gedaagde 1]

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

gemachtigde mr. M.J. Kikkert,

en

in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer: 5256439 / CV EXPL 16-22769

van:

[eiser in vrijwaring]

wonende te [plaats] ,

eiser in vrijwaring,

gemachtigde mr. M.J. Kikkert,

t e g e n

1 [gedaagde 2]

wonende te [plaats] ,

2. [gedaagde 3]

wonende te [plaats] ,

gedaagden in vrijwaring,

gemachtigde mr. L.G. Meijer.

Partijen zullen hierna onderscheidenlijk [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] worden genoemd.

1 De procedure

In de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 maart 2016, met producties,

  • -

    het vonnis in het incident van 28 juni 2016, met de daarin vermelde stukken

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 november waarbij een bijeenkomst van partijen is gelast,

  • -

    de akte overlegging producties (17 tot en met 19) van de zijde van [eiser] ,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 juni 2017.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

In de vrijwaringszaak

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 juli 2016, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 november waarbij een bijeenkomst van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 juni 2017.

1.4.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

In de vrijwaringszaak

2.1.

[gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] hebben in de periode van juli 2001 tot en met september 2002 bouwkundige werkzaamheden aan het appartement aan de [straat] (hierna: het appartement) laten verrichten.

2.2.

In juni 2003 is het appartement van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] aan [gedaagde 1] verkocht.

In de hoofdzaak

2.3.

Op 16 september 2015 heeft [gedaagde 1] het appartement aan [eiser] verkocht.

2.4.

De levering van het appartement heeft op 26 oktober 2015 plaatsgevonden. Korte tijd na de levering is de aannemer van [eiser] begonnen het appartement te verbouwen. Hierbij zijn de plafonds en de vloeren verwijderd. De vloerbalken bleken kromgetrokken. De betonlaag die zich op de houten vloeren bevond, bleek in het midden twee keer zo dik te zijn als aan de zijkanten.

2.5.

[eiser] heeft ingenieursbureau Van Dijke B.V. (hierna: Van Dijke) ingeschakeld. In haar adviesrapport van 16 november 2015 staat het volgende vermeld:

“(…) Door verbouwingen in het jaar 2001 zijn deze dragende wanden waarschijnlijk verwijderd en is een nieuwe indeling op de 1e en 2de verdieping gemaakt met houtskeletbouwwanden. Deze wanden verspringen echter op de 1e en 2de verdieping, staan niet meer boven elkaar en ook niet meer boven het dragende metselwerk op de begane grond. Deze situatie is constructief niet wenselijk.

(…)

Uit controleberekeningen van de balklagen blijkt dat de houten balklagen niet in staat zijn om de bovenbelastingen uit de verspringende dragende houtskeletbouw wanden af te dragen. Dit betekent dat de bestaande situatie constructief onveilig is en dat de constructie niet voldoet aan de geldende voorschriften en dus ook niet aan het bouwbesluit. (…)”.

2.6.

Bij e-mail van 17 november 2015 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] een e-mail gestuurd met de mededeling dat de aannemer in het appartement op een gebrek is gestuit en dat hij [gedaagde 1] daarvoor aansprakelijk houdt.

2.7.

Strackee Bouwadviesbureau B.V. heeft in opdracht van [gedaagde 1] onderzoek aan het appartement uitgevoerd. In haar rapport van 1 februari 2016 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) Ten aanzien van de controleberekening op afkeurniveau merken wij verder nog op:

  • -

    er wordt ten onrechte gerekend met 0.5 kN/ m2 aan lichte scheidingswanden. Op afkeurniveau behoren uitsluitend de daadwerkelijke aanwezige wanden in rekening te worden gebracht.

  • -

    er dient gerekend te worden met een reductiefactor van 0.92 voor veranderlijke belasting behorend bij een referentieperiode van 15 jaar.

  • -

    de houtsterkteklasse is aangenomen op C20, op afkeurniveau wordt normaliter getoetst met C24.

Gezien bovenstaande punten is niet zinvol om de berekening verder inhoudelijk te toetsen.

(…)

Zowel uit de verkoopbrochure alsook uit onze bevindingen blijkt dat het appartement voor normaal gebruik geschikt was. Er waren ruim dertien jaar na de verbouwing geen aanwijzingen in de vorm van scheurvorming of grote scheefwanden die duiden op verborgen gebreken. Ons inziens wordt de huidige verbouwing en de plaatsing van de stalen portalen volledig ingegeven door de gewenste splitsing in twee appartementen. (…)”.

2.8.

Op 18 februari 2016, op verzoek van [eiser] , is door de Rechtbank Amsterdam verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder diverse banken.

2.9.

In het aanvullend rapport van Van Dijke van 2 maart 2016 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) Bij de berekening van de balklagen zijn de volgende randvoorwaarden meegenomen:

- De belastinguitgangspunten zijn meegenomen conform de NEN-EN 1991. Dit betekent dat de variabele belasting over twee verdiepingen maximaal is gerekend. Om de ondergrens qua aanwezige belastingen op te zoeken is geen rekening gehouden met een 0,5 kN/m2 aan licht scheidingswanden, maar met 0,25 kN/m2, die als variabele belasting dienen te worden aangemerkt. Dit is in afwijking van de norm gedaan om een zo reëel mogelijk belastinginschatting te doen.

- De constructie is getoetst met alle veiligheidsfactoren conform de NEN8700. In werkelijkheid dient de constructie getoetst te worden met de veiligheidsfactoren, conform de Eurocode klasse CC2 bestaande bouw (NEN-EN 1990 en NEN 8700). Als getoetst wordt op het laagst veiligheidsniveau (afkeurniveau) dienen partiele belastingen factoren van ξyGj,sup=1,1 en YQ,1=1,15 met een referentieperiode van 15 jaar gehanteerd te worden.

- De lengte van de balklagen verschilt vanwege de schuin verlopende voorgevel. Er is een controleberekening uitgevoerd voor twee verschillende lengten (positie 1 en 2). De meest ongunstige overspanning is nog niet meegenomen in de berekening.

- Er is uitgegaan van een houtsterkte van de bestaande balklagen van C24. Dit kan wel eens een te gunste aanname zijn. Als de houtkwaliteit in werkelijkheid lager zullen de berekeningsresultaten ongunstiger uitpakken.

(…)

De constructie is destijds aangepast toen het bouwbesluit 1998 en de onderhavige NEN normen (o.a NEN6702 en NEN6760) van kracht waren. Indien de constructie getoetst wordt volgens de toen geldende voorschriften voldoet de constructie ook niet. De vraag is ook of er destijds controleberekeningen van de bestaande constructie gemaakt zijn. Er zijn in het archief geen berekeningen gevonden van de verbouw van destijds. (…).”

2.10.

[eiser] heeft het appartement in periode van 1 tot en met 11 april 2016, 13 tot en met 21 april 2016 en in periode van 24 tot 26 april 2016 verhuurd.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van:

I. € 21.975,33, bestaande uit € 15.975,66 aan herstelkosten, € 337,00 aan leges,

€ 4.541,40 aan misgelopen huurinkomsten en € 1.121,30 aan hypotheeklasten, vermeerderd met de wettelijke rente,

II. de kosten van het geding, alsmede de kosten van het conservatoir beslag en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het appartement op het moment van de levering niet voldeed aan de koopovereenkomst. De gebreken aan de constructie van het appartement zijn zodanig ernstig van aard dat dit normaal gebruik van het appartement in de weg staat. [eiser] mocht verwachten dat er een deugdelijke constructie was. Gelet hierop is [gedaagde 1] toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [eiser] vordert de schade die voortvloeit uit die tekortkoming. De schade bestaat volgens [eiser] uit kosten ten behoeve van de herstelwerkzaamheden, gederfde verhuurinkomsten, de hypotheekkosten en de kosten van deze procedure.

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer en stelt primair dat er geen sprake is van non-conformiteit. Het appartement bezit de eigenschappen die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, mede in aanmerking genomen dat het pand waarin het appartement zich bevindt uit 1887 dateert.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

In de vrijwaringszaak

3.5.

[gedaagde 1] vordert – samengevat – [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] te veroordelen om aan [gedaagde 1] te betalen datgene waartoe [gedaagde 1] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] in de proceskosten.

3.6.

[gedaagde 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het appartement in 2001 door [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] verbouwd is. Bij die verbouwing zijn er wijzigingen doorgevoerd in de vloer en in de muren van het appartement. De door [eiser] geconstateerde gebreken zijn terug te voeren op de door [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] uitgevoerde verbouwing. Dat brengt met zich dat [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] het appartement niet conform de overeenkomst aan [gedaagde 1] heeft geleverd. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] is dan ook jegens [gedaagde 1] schadeplichtig indien hij in de hoofdzaak wordt veroordeeld.

3.7.

[gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] voert verweer.

3.8.

Op stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Partijen twisten of, aan het appartement, dat [eiser] van [gedaagde 1] heeft gekocht en geleverd heeft gekregen een gebrek kleeft en of dat gebrek leidt tot non-conformiteit dat normaal gebruik van de woning in de weg staat. De vervolgvraag is of [gedaagde 1] gehouden is de schade die voortvloeit uit dat eventuele gebrek, te vergoeden.

Non-conformiteit

4.2.

Artikel 7:17 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Op grond van artikel 7:17, tweede lid, BW beantwoordt de woning niet aan de overeenkomst indien deze, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de woning heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

4.3.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat strijdigheid met een bouwbesluit in beginsel leidt tot non-conformiteit. In het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR5383) is bepaald dat de koper van een woning er in beginsel, behoudens andersluidende afspraken, van uit mag gaan dat een verbouwing van een woning is geschied met inachtneming van de op dat moment geldende voorschriften. Van andersluidende afspraken is niet gebleken, zodat de vraag die beantwoord moet worden is of de aanpassingen van het appartement tijdens de verbouwing in 2001 door [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] conform de op dat moment geldende voorschriften zijn verricht. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt – dat het appartement gebrekkig is – een rapport van Van Dijke overgelegd. In dat rapport wordt aan de hand van berekeningen van de balklagen geconcludeerd dat de constructie niet voldeed aan de op dat moment geldende NEN-normen 6702 en 6760 en dus ook niet aan het bouwbesluit van 1998. Op het rapport van Van Dijke heeft [gedaagde 1] gereageerd met het rapport van Strackee (zie 2.7). In dat rapport wordt de juistheid van de berekeningen door Van Dijke in twijfel getrokken. Zo zou Van Dijke de verkeerde houtsterkteklasse hebben aangenomen, de verkeerde reductiefactor hebben toegepast en ten onrechte hebben gerekend met 0,5 kNm/m2. In het tweede door [eiser] overgelegde rapport van Van Dijke worden andere berekeningen gehanteerd, volgens [eiser] om de kanttekeningen Van Strackee te ondervangen. Ook met die nieuwe berekeningen komt Van Dijke vervolgens tot de reeds in het eerste rapport getrokken conclusie. Dat is vervolgens door [gedaagde 1] niet meer (voldoende) betwist, zodat van de juistheid van de rapportage van Van Dijke kan worden uitgegaan. De conclusie is dat de verbouwing in 2001 niet is verricht volgende de op dat moment geldende NEN normen 6702 en 6760 en daarmee in strijd is met het bouwbesluit van 1998. Daarmee staat vast dat er sprake is van non-conformiteit en dat het appartement niet de eigenschappen bezat die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. [gedaagde 1] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en is gehouden de schade die daaruit voortvloeit te vergoeden.

Schade

4.4.

Nu vastgesteld is dat er sprake is van een tekortkoming is [gedaagde 1] gehouden de schade van [eiser] te vergoeden. De kantonrechter zal de opgevoerde posten hierna afzonderlijk bespreken.

Herstelwerkzaamheden

4.5.

[eiser] stelt een bedrag van € 15.975,66 aan herstelwerkzaamheden te hebben uitgeven om het appartement weer veilig en bewoonbaar te maken. [eiser] heeft onder meer kosten moeten maken voor de stalen constructie. Hij heeft met het rapport van Van Dijke gemotiveerd onderbouwd dat die kosten noodzakelijk waren voor de veiligheid van het appartement. Gelet daarop is de enkele blote betwisting van [gedaagde 1] dat de noodzaak voor het plaatsen van deze stalen constructies ontbreekt, onvoldoende.

4.6.

Verder heeft [gedaagde 1] de kosten voor het verplaatsen van de voordeur van € 325,00 betwist. Nu onduidelijk is waar deze kosten op zien en [eiser] deze kosten tegenover de betwisting door [gedaagde 1] niet nader heeft onderbouwd, zal dit bedrag in mindering worden gebracht op de gevorderde herstelwerkzaamheden. Ook de gevorderde kosten voor “het optimmeren van de kloof” van € 175,00 worden door [gedaagde 1] betwist. Nu [eiser] ook daar niets tegen in heeft gebracht, wordt ook dit bedrag in mindering gebracht op de gevorderde herstelwerkzaamheden. De slotsom van het voorafgaande is dat de bedragen € 325,00 en € 175,00 worden afgetrokken van het hiervoor onder 4.5 gevorderde. De kantonrechter zal derhalve de kosten aan herstelwerkzaamheden begroten op € 15.475,66.

Leges

4.7.

Na vermindering van eis worden de leges van € 337,00 niet meer door [gedaagde 1] betwist. Dit bedrag is toewijsbaar.

Huurinkomsten

4.8.

[eiser] stelt dat hij € 4.541,40 aan huurinkomsten van de eerste verdieping heeft misgelopen. Het herstel van het gebrek heeft anderhalve maand vertraging opgelopen. De vertraging, zo stelt [eiser] , is ontstaan doordat de aannemer het werk in verband met de veiligheid diende stil te leggen. [gedaagde 1] betwist deze schadepost door aan te voeren dat de overgelegde rekeningen niet aantonen dat over de volle periode van de vermeende vertraging boekingen zouden zijn gerealiseerd. Voorst stelt [gedaagde 1] dat de bed & breakfast nog geen naamsbekendheid genoot en dat de gemeente niet meer dan zestig dagen verhuur per jaar toestaat.

4.9.

Deze verweren zijn door [eiser] niet (voldoende) tegengesproken. Daaraan doet niet af dat hij ter comparitie nog heeft gesteld dat het appartement niet bestemd was voor vakantieverhuur, nu de door hem in dit kader overgelegde bewijsstukken juist op het tegendeel wijzen. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing wordt deze post derhalve afgewezen.

Hypotheeklasten

4.10.

De door [eiser] gestelde schade aan hypotheeklasten van € 747,55 worden niet betwist en kunnen worden toegewezen. Voor de anderhalve maand die hij stelt vertraging te hebben gehad, komt dat uit op een bedrag van € 1.121,30. De kantonrechter begroot het bedrag op € 1.121,30 en wijst dat dan ook toe.

Conclusie

4.11.

De slotsom van het voorafgaande is dat de kantonrechter een bedrag van € 16.933,96 aan hoofdsom toewijst (€ 15.475,66 (4.6)+ € 337,00 (4.7)

+ € 1.121,30 (4.10) , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 december 2015 tot de dag van volledige betaling.

Kosten van het beslag

4.12.

De onbetwist gelaten beslagkosten worden begroot en toegewezen op:

explootkosten € 910,17

salaris advocaat € 400,00 (1 rekest x € 400,00)

_______

totaal € 1.310,17

Proceskosten

4.13.

[gedaagde 1] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot op heden begroot op:

griffierecht € 471,00

explootkosten € 94,08

salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00)

_______

totaal € 1.365,08

4.14.

De nakosten zullen worden begroot en toegewezen als hierna volgt.

In de vrijwaringszaak

4.15.

[gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] heeft zich er onder meer op beroepen dat [gedaagde 1] door [eiser] op 17 november 2015 in kennis is gesteld van vermeende non-conformiteit, en vervolgens acht maanden heeft gewacht met het [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] daarvan in kennis stellen. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] is daardoor niet in de gelegenheid geweest tijdig kennis te nemen van de situatie ter plekke, laat staan in geval van een gebrek eventuele maatregelen te nemen.

4.16.

Op grond van de artikelen 7:23 lid 1 en 6:89 BW moet de koper binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt de verkoper daarvan kennis geven. Beide wetsbepalingen bevatten een open norm: er moet binnen ‘bekwame tijd’ worden geklaagd. De vraag wat bekwaam is, wordt beantwoord aan de hand van weging van alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden, waaronder de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de door koper in acht genomen klachttermijn.

4.17.

Het verweer van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] slaagt. [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] stelt onbetwist dat hij niet binnen bekwame tijd op de hoogte is gebracht van het gebrek in het appartement. Doordat [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] pas op 18 juli 2016 door [gedaagde 1] op de hoogte is gebracht, heeft hij – zoals hij aanvoert – niet (meer) kunnen constateren hoe de balkenlaag en scheidingswanden eruit zag, heeft hij niet kunnen vaststellen of de door hen aangebrachte verstijvingen van de balken nog ongewijzigd aanwezig waren en heeft hij niet kunnen vaststellen of sprake was van slijtage. Aangezien [eiser] het appartement ging verbouwen, was het voor [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] van groot belang snel op de hoogte te worden gesteld van het gebrek. Het belang van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] is daarin gelegen dat hij op die wijze kon vaststellen of het gebrek is ontstaat door de verbouwing van 2001, zoals [gedaagde 1] stelt, of door een omstandigheid die aan [gedaagde 1] is toe te rekenen.

4.18.

De vordering is derhalve niet toewijsbaar. [gedaagde 1] zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] , tot op heden begroot op salaris gemachtigde € 1.600,00 (2 punten x tarief € 800,00) aan salaris gemachtigde.

4.19.

De nakosten zullen worden begroot en toegewezen als hierna volgt.

5 De beslissing

In de hoofdzaak

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 16.933,96 (zestienduizend negenhonderddrieëndertig euro en zesennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 december 2015 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten, begroot op € 1.310,17, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.365,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan tot de dag van volledige betaling;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In de vrijwaringszaak

5.7.

wijst de vordering af;

5.8.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden 2 en 3 gezamenlijk] tot op heden begroot op € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.9.

veroordeelt [gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.10.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. J. Thomas, kantonrechter, bijgestaan door mr. B. Knaff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter