Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7163

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
13/751580-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overlevering Polen toegestaan. Hoger beroep, verweer artikel 12 OLW verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751580-17

RK nummer: 17/4071

Datum uitspraak: 21 september 2017

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 september 2014 door the Regional Court in Radom (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[GBA]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 augustus 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam.

De opgeëiste persoon is niet verschenen. De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon mogelijk niet bewust afstand van zijn aanwezigheidsrecht heeft gedaan. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd aangehouden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen bij de behandeling aanwezig te zijn.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 21 september 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the District Court in Radom van 30 oktober 2011, met kenmerk: VIII K 734/11.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog een straf van 2 jaar en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 van de OLW moet worden geweigerd. De Poolse autoriteiten hebben niet aangetoond dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting in hoger beroep waarbij het vonnis van eerste aanleg in stand is gelaten. De verklaring van de Poolse autoriteiten is in overeenstemming met wat de opgeëiste persoon daarover heeft verklaard. Er is slechts een brief verzonden. De opgeëiste persoon heeft een forse straf opgelegd gekregen terwijl hij, in strijd met het EVRM bovendien geen (kosteloze) advocaat heeft toegewezen gekregen. Zelf kon de opgeëiste persoon geen advocaat betalen en hij was er niet van op de hoogte dat hij recht had op gratis rechtsbijstand. Polen heeft evenmin een verzetgarantie gegeven.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg aanwezig is geweest en dat hij zelf in appel is gegaan. Hij was niet aanwezig bij het hoger beroep en volgens de Poolse autoriteiten is hij in persoon gedagvaard. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij niet naar de zitting is gegaan omdat hij bang was om in de gevangenis te komen. Hij heeft via de per post verzonden oproeping geweten van de zitting in hoger beroep, maar heeft bewust afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW is dus niet aan de orde. De vraag of hij is bijgestaan door een raadsman is hierbij niet meer van belang.

De rechtbank overweegt dat onderdeel d) van het EAB meldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

Gelet op de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld, heeft de officier van justitie op 11 augustus 2017 en 23 augustus 2017 nadere vragen aan de Poolse autoriteiten gesteld.

Uit de antwoorden van 18 augustus 2017 en 25 augustus 2017 van de Poolse autoriteiten is gebleken dat inderdaad hoger beroep is ingesteld en dat het Court of Appeal op 29 juni 2012 het vonnis van 30 oktober 2011 in stand heeft gelaten. Daarbij is vermeld dat de opgeëiste persoon in hoger beroep niet in persoon is verschenen maar dat hij op 20 mei 2012 persoonlijk op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum en van de omstandigheid dat dat er een beslissing genomen kon worden als hij niet zou verschijnen.

Aangezien de opgeëiste persoon in eerste aanleg is in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 30 oktober 2011 heeft geleid, hoeft de rechtbank op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 10 augustus 2017 (C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628) in dit geval alleen na te gaan of het in hoger beroep gewezen vonnis van 29 juni 2012 de toets aan artikel 12 van de OLW kan doorstaan.

Vaststaat dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot deze beslissing heeft geleid.

Met de officier van justitie is de rechtbank evenwel van oordeel dat uit de aanvullende gegevens blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting (onderdeel a van artikel 12 van de OLW), nu in de aanvullende gegevens van 25 augustus 2017 is vermeld dat de opgeëiste persoon “personally received the notice sent by post about the date of the hearing scheduled for May 29, 2012”.

De rechtbank gaat er derhalve, gelet op het vertrouwensbeginsel, vanuit dat de opgeëiste persoon de oproeping persoonlijk heeft ontvangen. Op basis van de aanvullende gegevens heeft de rechtbank dus de ‘vereiste zekerheid (…) verworven over de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens de relevante procedure’. De enkele niet onderbouwde stelling van de raadsman dat de opgeëiste persoon geen rechtsbijstand heeft kunnen krijgen, acht de rechtbank onvoldoende om tot schending van enig beginsel te kunnen concluderen. Ook op dit punt is het vertrouwensbeginsel leidend.

Gelet op het voorgaande is de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW niet aan de orde en verwerpt de rechtbank het verweer.

4 Strafbaarheid, feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

medeplegen van mishandeling

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Radom ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 september 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.