Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7160

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
AMS 15/7309
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minister van Infrastructuur en Milieu heeft aan eiser, eigenaar van een horecapand in [plaats] , een schadevergoeding toegekend van € 76.562,50, vermeerderd met wettelijke rente, vanwege de permanente vermogensschade die eiser lijdt door het sterk afgenomen passantenverkeer als gevolg van het Tracébesluit en de herinrichting van de Coevorderweg. De rechtbank neemt het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak over, vernietigt het besluit van de minister en voorziet zelf in de zaak door aan eiser een schadevergoeding van € 515.709,- toe te kennen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/7
Gst. 2018/79 met annotatie van H.S. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/7309

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. C. Lagerweij-Duits,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder,

gemachtigde: mr. S.A. Scholten.

Procesverloop

Met het besluit van 15 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiser om nadeelcompensatie afgewezen.

Met het besluit van 6 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en aan eiser een schadevergoeding toegekend ter hoogte van € 76.562,50, vermeerderd met wettelijke rente.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [de persoon] .

De rechtbank heeft het onderzoek heropend. Daarna heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft op 7 april 2017 een deskundigenrapport uitgebracht. Beide partijen hebben gereageerd op het rapport van de StAB. In een nader rapport van 12 juli 2017 heeft de StAB gereageerd op de door partijen ingezonden reacties. Eiser heeft ook nog op dit nadere rapport gereageerd.

Beide partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nieuwe zitting gehoord te worden. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 2 oktober 2017 gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is sinds 3 februari 1992 eigenaar van het horecapand [naam bedrijf] ’ (het horecapand). Het horecapand is gelegen aan de [straat] in [plaats] . Het bestaat uit een restaurant met zalencentrum en een bedrijfswoning. Eiser verhuurde het horecapand tot 26 april 2010 aan [naam bedrijf] . Vanaf 17 mei 2010 tot en met 16 mei 2015 verhuurde eiser het horecapand aan GBL B.V.. Sinds 1 juni 2015 exploiteert eiser het horecapand zelf.

2. De [weg] was een provinciale weg van Ommen naar Hardenberg en van de N48 in het westen naar de N34 in het oosten. Met het besluit van 21 maart 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat op grond van de Tracéwet het tracé “Omleiding Ommen N34/N36” vastgesteld (het Tracébesluit). Het Tracébesluit is op 7 april 2006 gepubliceerd en daarmee in werking getreden. Het Tracébesluit voorzag in de aanleg van een omleidingsweg N34/N36 (de omleidingsweg) en enkele daarmee verband houdende infrastructurele voorzieningen. De omleidingsweg ligt ten noorden van de kern Ommen, sluit in het westen aan op de N48 en sluit in het oosten aan op de N36. De omleidingsweg is op 28 juni 2010 opengesteld voor verkeer. In verband met de aanleg van de omleidingsweg is de [weg] opnieuw ingericht: de weg is versmald en voorzien van drempels. Verder heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen bij besluit van 3 augustus 2011 het “Verkeersbesluit Herinrichting N34, gemeentelijke wegen” genomen, waarbij de maximumsnelheid op de [weg] is verlaagd. Ter hoogte van het horecapand is de maximumsnelheid verlaagd naar 30 km/uur. Door de omleiding en de herinrichting heeft de [weg] zijn functie als doorgaande route verloren.

3. In een brief van 28 december 2011 heeft eiser bij de gemeente Ommen een aanvraag om schadevergoeding ingediend voor de permanente schade die hij lijdt door het sterk afgenomen passantenverkeer als gevolg van het aanleggen van de rondweg (de permanente vermogensschade). Verder heeft eiser om vergoeding verzocht voor de schade die hij heeft geleden door het afsluiten van de [weg] tussen Ommen en Harderberg in de zomer van 2010 en voor de schade door het wederom afsluiten van de [weg] in de zomer van 2011 (de tijdelijke inkomensschade). De gemeente Ommen heeft de aanvraag van eiser doorgezonden naar Rijkswaterstaat.

4. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat sprake was van een herhaalde aanvraag.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiser zijn verzoek uitgebreid met een verzoek om vergoeding van schade die hij lijdt door blijvend lagere huuropbrengsten als gevolg van de verminderde bereikbaarheid van het horecapand (de permanente inkomensschade).

6. Verweerder heeft advies gevraagd aan de Deskundigencommissie Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (de commissie). De commissie heeft op 17 juli 2015 advies uitgebracht.

7. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft een schadevergoeding van € 76.562,50 toegekend aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente van 30 december 2011 tot en met 17 juli 2012 en vanaf 24 februari 2014 tot en met vier weken na de datum van het besluit. Verder heeft verweerder eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 472,-. Voor de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie van 17 juli 2015.

8. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit op de hierna te bespreken beroepsgronden.

9. In deze uitspraak bespreekt de rechtbank eerst de hoogte van de schadevergoeding (omvang van de schade, het normaal maatschappelijk risico, de wettelijke rente). Daarna komen de proceskosten in bezwaar, de redelijke termijn, het griffierecht en de proceskosten in beroep aan de orde. De standpunten van partijen en het oordeel van de rechtbank zullen steeds per onderdeel worden weergegeven.

De toepasselijke regelgeving

10.1

In de Tracéwet is bepaald dat verweerder op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent aan degene die als gevolg van een Tracébesluit schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins verzekerd is1.

10.2

In artikel 2 van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (de Beleidsregel) is een vergelijkbare bepaling opgenomen. Verder is in de Beleidsregel bepaald dat de minister een adviescommissie instelt2. De adviescommissie stelt een onderzoek in naar de vraag of de gestelde schade een gevolg is van de in het verzoek aangeduide schadeoorzaak, de omvang van de schade, de vraag of deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven en de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd3.

De hoogte van de schadevergoeding

Het advies van de commissie van 17 juli 2015

11.1

De commissie heeft in haar advies onder andere rekening gehouden met twee door eiser overgelegde rapporten van H.J.A. van Hoogmoed en S.G. van Hoogmoed van Van Hoogmoed Taxatie en Adviesbureau voor onroerende zaken B.V. (Van Hoogmoed) van 19 februari 2014, en van S.W.M. Witteveen van De Schakel Makelaars (De Schakel) van 20 september 2012. Daarnaast heeft de commissie een hoorzitting gehouden, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen.

11.2

De commissie is van mening dat eiser door het Tracébesluit en de herinrichting van de [weg] in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren. De commissie heeft aangegeven dat de permanente vermogensschade die eiser hierdoor lijdt, moet worden vastgesteld op basis van een vergelijking tussen de waarde van het horecapand vóór het in werking treden van het Tracébesluit en de waarde van het horecapand ná het in werking treden van het Tracébesluit. De peildatum voor wat betreft de permanente vermogensschade is volgens de commissie 7 april 2006, de datum waarop het Tracébesluit in werking is getreden. De waarde van een pand wordt in een geval als dit bepaald door kapitalisatie van de huurwaarde. De huurwaarde is in hoge mate afhankelijk van de omzet die met de exploitatie van het horecapand gegenereerd kan worden. De gegevens die eiser heeft overgelegd, bieden volgens de commissie onvoldoende houvast om de omzet te bepalen. Ook de in de huurovereenkomsten vastgestelde huursom vormt volgens de commissie geen reële afspiegeling van de waarde van het horecapand op de peildatum, omdat naar de mening van de commissie geen sprake was van een marktconforme huur. De commissie heeft daarom de waarde van het horecapand getaxeerd door de geobjectiveerde huurwaarde te kapitaliseren. Hierbij is gebruik gemaakt van een berekening van [commissielid] . Op grond hiervan heeft de commissie de waarde van het horecapand voorafgaande aan de peildatum getaxeerd op € 675.000,-. Volgens de commissie had het horecapand een gedateerde inrichting en uitstraling en was in verband hiermee een investering noodzakelijk. Deze investering zou volgens de commissie ook noodzakelijk zijn geweest als de bereikbaarheid van het horecapand niet gewijzigd zou zijn. De commissie heeft deze investering getaxeerd op € 200.000,-. De waarde van het horecapand op de peildatum na het plegen van deze investering bedraagt volgens de commissie dus € 875.000,- De commissie acht het aannemelijk dat de waarde van het horecapand is gedaald als gevolg van het Tracébesluit en de herinrichting van de [weg] . De commissie heeft het omzetverlies als gevolg van de gewijzigde bereikbaarheid, na aanpassing van de horecaformule aan de nieuwe omstandigheden, getaxeerd op 10-15%. De commissie heeft aangenomen dat de huurwaarde direct is gerelateerd aan de te verwachten omzet, zodat een relatieve afname van de omzet leidde tot een zelfde relatieve afname van de huurwaarde en daarmee tot een zelfde relatieve afname van de waarde van het horecapand. Alles in aanmerking nemende heeft de commissie de permanente vermogensschade vastgesteld op 12,5% van € 875.000,-, dus op € 109.375,-.

11.3

De permanente inkomensschade komt volgens de commissie niet voor vergoeding in aanmerking. Deze schade wordt volgens de commissie gecompenseerd wanneer de aan eiser toekomende vergoeding wordt gebaseerd op de hiervoor besproken waardevermindering van het horecapand. Deze waardevermindering is immers berekend door de te derven huur te kapitaliseren, aldus de commissie.

11.4

De tijdelijke inkomensschade komt volgens de commissie evenmin voor vergoeding in aanmerking. Deze tijdelijke inkomensschade komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover die uitgaat boven de schade als gevolg van de hinder door de omleidingsweg en de heringerichte [weg] . Een vergoeding voor deze schade moet immers geacht worden te zijn begrepen in de door de commissie getaxeerde permanente waardevermindering van het horecapand. De gederfde huuropbrengsten als gevolg van de werkzaamheden aan de [weg] zijn volgens de commissie niet hoger dan de permanente gederfde huuropbrengsten.

11.5

De commissie heeft daarnaast nog opgemerkt dat haar niet is gebleken dat vergoeding van het nadeel van eiser anderszins verzekerd is.

De beroepsgronden van eiser

12. Eiser voert aan dat het advies van de commissie onzorgvuldig tot stand is gekomen en op een aantal punten niet begrijpelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft de permanente waardevermindering van het horecapand te laag vastgesteld en deze waardevermindering is niet gebaseerd op objectieve en controleerbare gegevens. Verder voert eiser aan dat zijn verzoek om vergoeding van de permanente inkomensschade ten onrechte is afgewezen. Volgens eiser had verweerder eerst de permanente inkomensschade moeten vaststellen en pas daarna de permanente vermogensschade. Eiser voert ook aan dat verweerder ten onrechte geen vergoeding voor tijdelijke inkomensschade heeft toegekend wegens lagere huurinkomsten in verband met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden aan de [weg] en de daarmee verband houdende afsluitingen van deze weg. Tijdelijke hinder vormt volgens eiser een afzonderlijke schadepost en dient volgens hem los van de permanente waardevermindering van het horecapand te worden beoordeeld.

De reden waarom de rechtbank de StAB als deskundige heeft ingeschakeld

13.1

Zoals in overweging 11.2 is weergegeven, heeft de commissie in zijn advies vermeld dat de waarde van het horecapand vóór de peildatum is berekend door de geobjectiveerde huurwaarde te kapitaliseren. Volgens de commissie is dit inzichtelijk gemaakt in een overzicht van [commissielid] . Het bedoelde overzicht van [commissielid] is als bijlage bij het advies gevoegd.

13.2

De rechtbank vindt het overzicht van [commissielid] en de daarin opgenomen cijfers en berekeningen niet inzichtelijk. [commissielid] heeft de waarde van het horecapand berekend door het gemiddelde te nemen van de dekkingswaarde en de bedrijfseconomische waarde. De bedrijfseconomische waarde heeft [commissielid] berekend aan de hand van de huurwaardekapitalisatie-methode (de HWK-methode). De herkomst van de cijfers die [commissielid] daarvoor gebruikt, is voor de rechtbank echter onduidelijk. Verder is voor de rechtbank onduidelijk hoe [commissielid] de dekkingswaarde heeft vastgesteld. Het op de laatste bladzijde van zijn overzicht vermelde bedrag van de dekkingswaarde van € 661.962,97 is niet onderbouwd en correspondeert ook niet met de afzonderlijk berekende dekkingswaarde van € 612.935,39 in het overzicht. Niet alleen is de herkomst van de door [commissielid] gebruikte cijfers voor de rechtbank dus onduidelijk, ook de wijze van berekening vindt de rechtbank niet begrijpelijk en daarom onnavolgbaar. De rechtbank heeft daarom de StAB als deskundige ingeschakeld om haar van advies te dienen met betrekking tot de omvang van de schade. De rechtbank heeft de StAB niet gevraagd advies uit te brengen over het normaal maatschappelijk risico omdat dat een juridische kwestie is.

Het rapport van de StAB van 7 april 2017

14.1

In haar rapport van 7 april 2017 heeft de StAB met betrekking tot de vermogensschade het volgende aangegeven.

14.2

Er kunnen diverse kanttekeningen worden geplaatst bij de wijze waarop de commissie de HWK-methode heeft toegepast. In het overzicht van [commissielid] is niet uitgegaan van de waarde van het horecapand op de peildatum zoals die is vastgesteld op basis van de HWK-methode, maar is het gemiddelde genomen van de waarden zoals die zijn vastgesteld op basis van de dekkingswaarde en de bedrijfseconomische waarde. Inzicht in de dekkingswaarde en de bedrijfseconomische waarde is echter vooral van belang als de exploitatie van een bestaand horecabedrijf door een koper wordt voortgezet. Dat was in dit geval niet zo omdat eiser op de peildatum niet de exploitant was, maar de eigenaar/verhuurder. Van de exploitant [naam bedrijf] . zijn geen (betrouwbare) jaarrekeningen beschikbaar, terwijl deze gegevens wel noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de dekkingswaarde. De vaststelling van de dekkingswaarde in het overzicht van [commissielid] is niet inzichtelijk, althans is niet op de gebruikelijke wijze uitgevoerd. De berekening is kennelijk gebaseerd op de jaarlijkse huurwaarde, die verderop in het overzicht volgens de HWK-methode is vastgesteld. De dekkingswaarde is dan ook in feite de waarde die op basis van de HWK-methode is vastgesteld. Voor wat betreft de bedrijfseconomische huurwaarde is onduidelijk waarop de te realiseren horecaomzet is gebaseerd. Het overzicht van [commissielid] bevat verder een berekening van de huurwaarde voor het horecapand in de periode vlak voor de peildatum. Voor het bepalen van de huurwaarde per m2 voor de diverse onderdelen is echter niet verwezen naar referenties van vergelijkbare objecten waarop deze huurwaarde is gebaseerd. Verder geeft [commissielid] aan dat sprake is van ongebonden grond, maar kent hij daar ten onrechte geen waarde aan toe.

14.3

De waarde van het horecapand na de peildatum is niet volgens dezelfde methode bepaald als de waarde voor de peildatum, terwijl dat wel moet om een valide vergelijking te krijgen.

14.4

De commissie heeft de door [commissielid] vastgestelde waarde vóór de peildatum van € 675.000,- verhoogd met € 200.000,- voor investeringen die noodzakelijk zouden zijn. In het kader van het bepalen van schade wegens een planologische maatregel is het echter zeer ongebruikelijk de waarde van het in geding zijnde object in de oude situatie te verhogen met een investeringsbedrag.

14.5

Het percentage van de waardedaling (12,5%) in het advies van de commissie is te laag. Het aantal passerende motorvoertuigen op de [weg] is fors gedaald en de [weg] is getransformeerd in een erftoegangsweg. Aangezien het horecapand kan worden getypeerd als een wegrestaurant, mag worden verondersteld dat de forse daling van passerende motorvoertuigen ook een forse impact heeft op de te behalen omzet. Gezien het standpunt van de commissie over het belang van de locatie voor de omzet van een (weg)restaurant, is er voldoende grond om aan het percentage van 12,5 te twijfelen.

14.6

Gelet op de kanttekeningen die zijn te plaatsen bij de wijze waarop de HWK-methode is gehanteerd, de onderbouwing van de waarde in de oude situatie, het feit dat een investeringsbedrag in de waarde is verdisconteerd en de wijze waarop het percentage waarmee de omzet zou zijn gedaald is vastgesteld, is er voldoende reden om aan de door de commissie vastgestelde waardedaling te twijfelen. Hierbij komt dat de uitkomst van de taxaties van de commissie in belangrijke mate afwijken van de taxaties van Van Hoogmoed en De Schakel en van de taxatie die in het kader van de Wet WOZ is verricht.

14.7

De WOZ-taxatie is van belang, omdat de WOZ-taxatie is bijgesteld naar aanleiding van een bezwaar dat mede verwijst naar de gewijzigde verkeersomstandigheden. Bij de WOZ-taxatie is ook gebruik gemaakt van de HWK-methode, dus van referenties om de huurprijs per m2 te bepalen en een zo reëel mogelijke kapitalisatiefactor. Uit de door eiser overgelegde uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Ommen van 3 juli 2013, in combinatie met het bezwaarschrift, blijkt ook voldoende duidelijk dat de waarde van het bedrijfsgedeelte juist met name vanwege de gewijzigde verkeerssituatie door middel van een aangepaste huurwaarde per m2 en kapitalisatiefactor fors naar beneden is bijgesteld. Aangezien bij de oorspronkelijke taxatie kennelijk geen rekening was gehouden met de gewijzigde verkeerssituatie, krijgen de beide taxaties daarmee onbedoeld het karakter van taxaties om de schade vast te stellen.

14.8

Hoewel bij alle taxaties onvolkomenheden zijn te constateren, is het aangewezen om voor wat betreft de waarde vóór de peildatum aan te sluiten bij de taxatie van Van Hoogmoed (€ 1.100.000,-). Van Hoogmoed heeft bij de waardebepaling de zogenaamde BAR-methode gebruikt. Dat is in dit geval een geschikte methode, omdat op de peildatum sprake was van een object in verhuurde toestand. Bij de BAR-methode, waarbij BAR staat voor bruto aanvangsrendement, wordt rekening gehouden met bestaande huurovereenkomsten. De commissie heeft niet aan de hand van referentieobjecten onderbouwd waarom de huur op de peildatum in dit geval niet marktconform zou zijn geweest. Van Hoogmoed is uitgegaan van een geïndexeerde jaarhuur van € 100.000,- en heeft het BAR vastgesteld op 9%. Dit is een gerechtvaardigd percentage, omdat in de oude situatie vanwege de ligging aan een drukke doorgaande weg sprake was van een zeer courante locatie. Een BAR van 9% resulteert in een kapitalisatiefactor van 11, hetgeen vermenigvuldigd met de geïndexeerde jaarhuur resulteert in een waarde van € 1.100.000,- op de peildatum 7 april 2006. De waarde ná de peildatum wordt, vanwege diverse inschattingsproblemen, niet alleen op de taxatie van Van Hoogmoed gebaseerd, maar op een middeling van de verschillende voorhanden zijnde taxaties, namelijk de gecorrigeerde taxatie van [commissielid] (de waarde zonder investeringsbedrag met een schadepercentage van 12,5% (€ 590.625,-), Van Hoogmoed (€ 446.250,-) en de WOZ-taxatie van het horecapand met waardepeildatum 1 januari 2011 (€ 650.000,-). Het gemiddelde van deze taxaties is € 562.291,-. De waardevermindering bedraagt dan € 537.709,- (€ 1.100.000,- minus € 562.291,-). Het schadepercentage komt daarmee uit op 48,88, hetgeen niet onaannemelijk is, gelet op het percentage waarmee het aantal passanten volgens de prognose dan wel tellingen is gedaald (circa 88% respectievelijk circa 80%) en hetgeen in het verslag is opgemerkt over het bedrijfstype wegrestaurant en de relevante marktontwikkelingen, de jurisprudentie over wegrestaurants, het hybride karakter van het restaurant gezien de ligging in een toeristisch gebied en de inkomsten uit zaalverhuur, waarbij gesteld moet worden dat omzet uit zaalverhuur wat minder afhankelijk is van het aantal passanten.

14.9

Voor wat betreft de relatie tussen vermogensschade en inkomensschade heeft de StAB het volgende aangegeven. Als sprake is van vermogensschade in verband met de waardevermindering van een onroerende zaak en van inkomensschade, waarbij zowel de bron als degene die de schade lijdt dezelfde zijn, kan de ene vergoeding verdisconteerd zijn in de andere. Uit de jurisprudentie kan niet worden opgemaakt dat er een vaste volgorde is om de schade te bepalen in de zin dat eerst de inkomensschade moet worden bepaald en daarna de vermogensschade of andersom. In beginsel leiden lagere huuropbrengsten tot een lagere waarde van het horecapand, maar chronologisch gezien treedt de waardevermindering op per de peildatum, 7 april 2006, terwijl de inkomensderving feitelijk pas daarna plaatsvindt. Aangezien eiser op de peildatum van 7 april 2006 alleen de eigenaar van het horecapand was en niet de exploitant, dient bij de beoordeling van eventuele schade dan ook in eerste instantie te worden gekeken naar de waardevermindering die het horecapand kan hebben ondergaan. Bij de berekening van de inkomensschade worden uiteindelijk de te derven huuropbrengsten gekapitaliseerd. Dit verschilt dan ook niet fundamenteel met de wijze waarop de waardedaling van het horecapand wordt vastgesteld. De kans is mede daarom groot dat de permanente inkomensschade de vermogensschade niet zal overtreffen. Omdat tijdens de diverse werkzaamheden steeds de in de huurovereenkomsten afgesproken minimumhuursommen zijn betaald, is het ook niet aannemelijk dat de tijdelijke inkomensschade uitstijgt boven de permanente inkomensschade.

De reacties van partijen op het rapport van de StAB

15.1

Eiser heeft in zijn reactie van 11 mei 2017 meegedeeld dat hij zich kan verenigen met de door de StAB vastgestelde waardevermindering van € 537.709,-. Eiser plaatst één kanttekening bij het rapport van de StAB4. Bij zijn standpunt over de tijdelijke inkomensschade heeft de StAB volgens eiser geen rekening gehouden met het feit dat de rentevergoeding van 3% bij lange na niet de gederfde huurinkomsten dekt. De rentevergoeding dekt ook niet de betaalde rentes op leningen. Hij heeft een rekening-courant krediet moeten sluiten tegen 8% rente wegens liquiditeitstekorten. Daarnaast was hij wegens de vertraagde behandeling van het verzoek om schadevergoeding genoodzaakt een nieuwe hypotheek af te sluiten van € 340.000,-, waarbij wederom meer dan 3% rente moet worden betaald. Hij is bovendien genoodzaakt geweest om de exploitatie vanaf 1 juni 2015 weer zelf te doen. Dat houdt in dat hij vanaf deze datum de verminderde omzet direct vertaald ziet in een aanzienlijk lager resultaat, hetgeen circa € 80.000,- per jaar is. Na een toekenning van de door de StAB vastgestelde schadevergoeding van € 537.709,-, zou volgens eiser nog een restschuld van € 531.541,- resteren.

15.2

Verweerder heeft in een brief van 17 mei 2017 een reactie van de commissie van 16 mei 2017 ingezonden. In deze reactie heeft de commissie gesteld ervan overtuigd te zijn dat de door commissie getaxeerde waardevermindering de werkelijkheid dichter benadert dan de waardevermindering die in het verslag van de StAB wordt geadviseerd. De commissie heeft er daarbij op gewezen dat hij zijn oordeel heeft gebaseerd op de kennis en ervaring van [commissielid] en dat [commissielid] ervan overtuigd is dat de waarde van het object op de peildatum niet gevonden kan worden door kapitalisatie van de toen geldende huur, omdat dit leidt tot een niet reële uitkomst. Die overtuiging is inderdaad in hoge mate gebaseerd op de kennis, ervaring en intuïtie en kan daarom moeilijk worden onderbouwd. [commissielid] heeft daarom een berekening gemaakt op basis van normhuren per m2 en op basis daarvan de waarde bepaald. In die berekening zijn de gedateerde inrichting en uitstraling van het object verdisconteerd.

De commissie heeft verder een aantal argumenten genoemd waarom zij zich niet kan verenigen met het advies van de StAB. Ten eerste wijst de commissie erop dat de WOZ-taxatie niet bruikbaar is om de schade te taxeren. Uit de door eiser overgelegde uitspraak op bezwaar van 3 juli 2013 blijkt dat er voor de heffingsambtenaar van de gemeente Ommen destijds verschillende redenen zijn geweest om de WOZ-waarde in bezwaar aan te passen. Bovendien was de WOZ-waarde € 1.094.000,-, waarvan € 188.000,- betrekking had op de woning en is de WOZ-waarde na telefonisch overleg en in overeenstemming vastgesteld op € 650.000,-, waarvan € 80.000,- voor de woning. Daaruit volgt een waardevermindering van € 336.000,- wat ver afligt van de door de StAB geadviseerde schade van € 537.709,- Ten tweede heeft de commissie aangegeven dat het door de StAB genoemde schadepercentage van 48,88 onvoldoende is onderbouwd. In het StAB-advies is immers ook te lezen dat “kengetallen voor wegrestaurants en in het bijzonder kengetallen omtrent de relatie tussen aantallen passanten en omzetontwikkelingen ontbreken”. Inhoudelijke beschouwingen over deze relatie ontbreken in het StAB-advies. De commissie heeft er in dit verband op gewezen dat ook na de uitvoering van het Tracébesluit sprake zal zijn van een horecaobject dat goed bereikbaar is, beschikt over voldoende parkeergelegenheid en gelegen is in een aantrekkelijk en toeristisch gebied. De negatieve invloed van een drukke verkeersweg valt weg, wat de recreatief-toeristische waarde van het object ten goede zal komen. Deze omstandigheden maken dat de omvang van de waardevermindering veel beperkter zal zijn dan de invloed van de afname van het aantal verkeersbewegingen op de op de peildatum gevoerde exploitatie doet vermoeden. Een redelijk handelend ondernemer zal zijn exploitatie aanpassen aan de nieuwe situatie en zal een extra inspanning doen om de naamsbekendheid op peil te houden. Ten derde verwijst de StAB naar “hetgeen in het verslag is opgemerkt over het bedrijfstype wegrestaurant en de relevante marktontwikkelingen, de jurisprudentie over wegrestaurants, het hybride karakter van het restaurant gezien de ligging in een toeristisch gebied en de inkomsten uit zaalverhuur, waarbij gesteld moet worden dat dat omzet uit zaalverhuur wat minder afhankelijk is van het aantal passanten”. Een beargumenteerde relatie tussen deze overwegingen en de geadviseerde waardevermindering wordt echter niet gelegd, aldus de commissie. Verder is het volgens de commissie niet reëel om de waarde van het object direct na het in werking treden van het Tracébesluit gelijk te stellen aan het gemiddelde van de taxatie van Van Hoogmoed, de WOZ-taxatie en de taxatie van [commissielid] . De StAB toont zich immers in haar rapport ook kritisch ten opzichte van de taxatie van Van Hoogmoed. Aan die kritiek kan nog worden toegevoegd dat GBL B.V. na een aanloopfase al gauw veel meer huur is gaan betalen dan de door Van Hoogmoed genoemde huur van € 52.500,-, aldus de commissie.

Het nadere rapport van de StAB van 12 juli 2017

16.1

In reactie op de zienswijze van eiser van 11 mei 2017 heeft de StAB aangegeven dat in de berekening van eiser van de restschuld de waardevermindering van het object zoals die door Van Hoogmoed is vastgesteld, wordt opgeteld bij posten die betrekking hebben op verminderde huuropbrengsten, rentekosten en op kosten wegens tegenvallende exploitatie gedurende de twee jaren dat eiser zelf als exploitant optrad. Door het door Van Hoogmoed berekende schadebedrag mee te nemen in de berekening miskent eiser dat voorkomen moet worden dat vanwege dezelfde schadeoorzaak een dubbele vergoeding plaatsvindt. Daarbij is van belang dat de waarde van het object volgt uit de daaruit te genereren huurinkomsten. Het is in dat opzicht onlogisch om dan de eventuele gederfde huurinkomsten separaat te vergoeden, aldus de StAB. Verder heeft de StAB zijn eerdere redenering, zoals die in overweging 14.9 is weergegeven, herhaald.

16.2

In reactie op de zienswijze van de commissie van 16 mei 2017 heeft de StAB in eerste instantie verwezen naar haar advies van 7 april 2017, waarin zij diverse kanttekeningen heeft geplaatst bij de taxatie van de commissie en de onderbouwing daarvan door [commissielid] . Ook voor wat betreft de WOZ-taxatie heeft de StAB verwezen naar haar advies van 7 april 2017. Daaraan heeft de StAB toegevoegd dat uit de WOZ-beschikking en de onderbouwing daarvan voldoende duidelijk blijkt dat bij de vaststelling van de waarde van het bedrijfsgedeelte door middel van de HWK-methode opnieuw is beoordeeld welke bruto huurwaarden per vierkante meter rondom de WOZ-peildatum voor dergelijke objecten als die van eiser gehanteerd werden. Dit impliceert dat de gewijzigde situatie is beoordeeld. Dat de WOZ-beschikking na telefonisch overleg en in overeenstemming is vastgesteld, is geen reden om de bedragen uit de WOZ-taxaties zonder meer buiten beschouwing te laten.

Voor wat betreft het schadepercentage van 48,88 heeft de StAB aangegeven dat dit percentage voortvloeit uit de vergelijking van de oude waarde en de nieuwe waarde. Deze vergelijking is gemaakt omdat in het advies van 7 april 2017 ook is geconstateerd dat er voldoende redenen zijn om aan de door de commissie vastgestelde waardedaling te twijfelen. Verder heeft de StAB verwezen naar het advies van 7 april 2017, waarin de relatie tussen het percentage en de geadviseerde waardevermindering is beargumenteerd. Voor wat betreft het middelen van de taxatie van Van Hoogmoed, de WOZ-taxatie en de taxatie van [commissielid] heeft de StAB aangegeven dat hiermee is getracht met alle kanttekeningen en overwegingen die bij deze drie taxaties zijn genoemd, rekening te houden om tot een zo afgewogen mogelijke schatting van het schadebedrag te kunnen komen.

16.3

De StAB heeft geconcludeerd dat de reactie van verweerder alleen aanleiding geeft om het abusievelijk in het advies van 7 april 2017 gehanteerde percentage van 62,1% te corrigeren naar een percentage van 37% (waardededaling bij de WOZ-taxatie). Deze wijziging geeft geen aanleiding om de conclusies in het advies van 7 april 2017 te herzien of te wijzigen.

Het oordeel van de rechtbank over het advies van de StAB

17.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de StAB te beschouwen als een onafhankelijke deskundige en mag de bestuursrechter in beginsel op het door de StAB uitgebrachte deskundigenrapport afgaan. Dat is slechts anders, indien het deskundigenrapport onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd5.

17.2

De rechtbank is niet gebleken dat het rapport van de StAB onzorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming van de rechtbank ten grondslag zou mogen worden gelegd. De StAB heeft haar conclusies in het rapport van 7 april 2017 uitgebreid, inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd. Verder is de StAB in haar aanvullende rapport van 12 juli 2017 uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op de reacties van beide partijen. Op basis daarvan concludeert de StAB dat de reacties van partijen geen aanleiding geven om de conclusies in het rapport van 7 april 2017 te wijzigen of te herzien. De rechtbank neemt de conclusies van de StAB zoals die in het rapport van 7 april 2017 zijn opgenomen, daarom over. Aan de hand van die conclusies komt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

Het oordeel van de rechtbank over het advies van de commissie en het bestreden besluit

18.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om nadeelcompensatie uitgaan van de juistheid van een advies van een door hem benoemde deskundige, indien uit dat advies op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn. Dit is slechts anders als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren worden gebracht6.

18.2

Op grond van het rapport van de StAB en de daarin opgenomen conclusies, en ook op grond van hetgeen de rechtbank in overweging 13.2 heeft overwogen over het overzicht van [commissielid] , is de rechtbank van oordeel dat er concrete aanknopingspunten zijn - en ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ook aanwezig waren - voor twijfel aan de juistheid van het advies van de commissie. Verweerder heeft het advies dan ook niet ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Nu verweerder dat wel heeft gedaan, is het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft de hoogte van de toegekende schadevergoeding. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daarover als volgt.

18.3

Op grond van het rapport van de StAB en de daarin opgenomen conclusies is de rechtbank van oordeel dat dat geen sprake is van permanente inkomensschade en tijdelijke inkomensschade, maar alleen van permanente vermogensschade en dat deze schade € 537.709,- bedraagt.

18.4

In zijn reactie van 11 mei 2017 op het rapport van de StAB heeft eiser nog aangevoerd dat niet uit te sluiten is dat de omvang van de door de StAB vastgestelde schade ook belastingschade tot gevolg heeft. Op de peildatum vielen de inkomsten uit verhuur in box 3, evenals de opbrengst uit een eventuele verkoop. Sinds 2015 exploiteert hij het horecapand zelf en vallen de inkomsten uit het object in box 1.

18.5

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn verzoek om schadevergoeding niet ook om vergoeding van (eventuele) belastingschade heeft verzocht. Eventuele belastingschade valt daarom buiten de omvang van het geding.

Normaal maatschappelijk risico

19.1

Verweerder heeft op het door hem vastgestelde schadebedrag een korting van 30% toegepast wegens normaal maatschappelijk risico. De commissie heeft in zijn advies van 17 juli 2015 aangegeven dat op grond van artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bij indirecte planschade in ieder geval een bedrag gelijk aan 2% van de waarde van het object in de oude planologische situatie voor rekening van de verzoeker om schadevergoeding moet blijven. Op grond van artikel 3a van de Beleidsregel moet, als de tijdelijke omzetdaling uitgaat boven de drempelwaarde van 15% van de normomzet op jaarbasis, ter bepaling van het normaal ondernemersrisico een kortingspercentage worden gehanteerd ten aanzien van de geleden schade. Over de omvang van de korting bevat artikel 3a van de Beleidsregel geen aanwijzingen. Artikel 3a van de Beleidsregel is weliswaar niet rechtstreeks van toepassing, maar een oordeel over de omvang van het maatschappelijk risico zal in dit geval in een redelijke verhouding moeten staan tot het beleid dat verweerder in artikel 3a van de Beleidsregel heeft vastgelegd, aldus de commissie. In haar advies heeft de commissie aangegeven dat de reconstructie van de [weg] als een normale maatschappelijke ontwikkeling was te beschouwen. De [weg] was onderdeel van het hoofdwegennet en vervulde voorafgaand aan het Tracébesluit een dubbele functie: de weg fungeerde als vervangende schakel tussen de N36 en de N48, als noord-oost verbinding tussen Twente en Noord-Nederland, en daarnaast vervulde de weg een belangrijke functie voor het (regionale) verkeer in oost-west richting tussen Zwolle en Coevorden-Emmen. Mede door deze dubbele functie leverde de [weg] al jaren problemen op in de regio. De toename van het verkeer op de [weg] leidde ertoe dat het verkeer steeds vaker te maken kreeg met vertragingen. Het achterliggende probleem hiervan was dat de [weg] niet was ingericht om als schakel in het hoofdwegennet te fungeren. Het lag dus in de lijn der verwachting dat maatregelen zouden worden getroffen om de [weg] te ontlasten en de doorstroom op het hoofdwegennet te verbeteren, aldus de commissie. Alles overziende acht de commissie een aftrek van 30% van de schade wegens maatschappelijk risico reëel. Daarbij heeft de commissie aansluiting gezocht bij twee uitspraken van de Afdeling7. Ook in die uitspraken ging het om permanente schade als gevolg van een wegreconstructie en achtte de Afdeling een aftrek van 30% wegens normaal ondernemersrisico aanvaardbaar, aldus de commissie.

19.2

Eiser voert aan dat de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van hem behoort te blijven. De schade die hij lijdt, moet geheel worden vergoed, omdat hij onevenredig is getroffen, ten eerste door de aanleg van de omleidingsweg en ten tweede door de herinrichting van de [weg] . Subsidiair voert eiser aan dat de korting wegens maatschappelijk risico ten hoogste 1% moet bedragen. In zijn brief van 11 mei 2017 voert eiser aan dat in dit specifieke geval geen korting wegens maatschappelijk risico moet worden toegepast. Eiser wijst er in dit verband op dat het door de StAB vastgestelde bedrag van de schade vele malen hoger is dan het bedrag dat verweerder had vastgesteld. Alleen al daarom komt het door verweerder toegepaste kortingspercentage van 30% in een geheel ander daglicht te staan. De motivering van verweerder voor die korting is immers, althans mede, afgestemd op het schadebedrag van € 76.562,50. Een vele malen hogere schadeomvang lag in het kader van het normaal maatschappelijk risico absoluut niet in de lijn der verwachting. Verder verwijst eiser naar de buitengewoon abnormale gevolgen die de reconstructie voor hem heeft gehad: de gewijzigde verkeerssituatie heeft tot een aanzienlijke afname van het aantal passerende motorvoertuigen geleid, wat een forse impact op de omzet heeft gehad. De StAB is ook tot deze conclusie gekomen, aldus eiser. De StAB heeft verder aangegeven dat de omzetdaling van 12,5%, waarvan verweerder is uitgegaan, te laag is vastgesteld. Dat een reconstructie tot een omzetdaling van meer dan 12,5% zou leiden, lag absoluut niet in de lijn der verwachting. Dat de [weg] is getransformeerd in een erftoegangsweg, zoals de StAB heeft vastgesteld, lag evenmin in de lijn der verwachting, aldus eiser.

19.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet een verzoek om vergoeding van schade die wordt geleden door een Tracébesluit worden beoordeeld naar de maatstaven die gelden voor de beoordeling van planschade8. Gelet hierop is op het schadeverzoek van eiser artikel 6.2 van de Wro van toepassing. In het tweede lid van artikel 6.2 van de Wro is bepaald dat van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak, een gedeelte gelijk aan 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in ieder geval een korting van 2% als normaal maatschappelijk risico toegepast moet worden.

19.4

Het standpunt van verweerder dat het oordeel over de omvang van het maatschappelijk risico in een redelijke verhouding moet staan tot het beleid dat verweerder in artikel 3a van de Beleidsregel heeft vastgelegd, volgt de rechtbank niet. Artikel 3a van de Beleidsregel is alleen van toepassing op schade die het gevolg is van een tijdelijke omzetdaling (of een tijdelijke kostenstijging) als gevolg van infrastructurele werken. Nu het in dit geval gaat om permanente vermogensschade, ziet de rechtbank niet in waarom in dit geval aansluiting zou moeten worden gezocht bij artikel 3a van de Beleidsregel.

19.5

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden. De benadeelde had rekening kunnen houden met de planologische ontwikkeling als deze in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel9.

19.6

In haar advies van 17 juli 2015 heeft de commissie aangegeven dat de [weg] al jaren problemen opleverde in de regio: de weg was niet ingericht om als schakel in het hoofdwegennet te fungeren, de weg had een dubbele functie en door de toename van het verkeer op de [weg] kreeg het verkeer steeds vaker te maken met vertragingen. Eiser heeft dit niet bestreden. Gelet op de in het advies vermelde problemen op de [weg] vindt de rechtbank dat het Tracébesluit en de herinrichting van de [weg] in de lijn der verwachting lag. De rechtbank is echter ook van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van dit geval. Het horecapand is een wegrestaurant aan – en dus op zeer korte afstand van – de [weg] en is voor haar omzet in belangrijke mate afhankelijk van passerende voertuigen. Vast staat dat het aantal passerende voertuigen als gevolg van het Tracébesluit en de herinrichting van de [weg] fors is afgenomen. Eiser en verweerder verschillen van mening over de precieze afname van het aantal passerende voertuigen, maar gelet op de tellingen van Rijkswaterstaat waarvan verweerder uitgaat, gaat het in ieder geval om een afname van 15.000 motorvoertuigen per etmaal naar 3.900 motorvoertuigen per etmaal. Eiser heeft dan ook aanmerkelijk nadeel geleden door de ontwikkeling en is hierdoor onevenredig getroffen, wat blijkt uit de aanzienlijke waardevermindering van het horecapand als gevolg van de ontwikkeling. De waarde is immers vrijwel gehalveerd. Alle omstandigheden in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval moet worden volstaan met een korting van 2% wegens normaal maatschappelijk risico. Dit komt neer op een korting van € 22.000,- (2% van de waarde van het horecapand voorafgaande aan het Tracébesluit en de herinrichting van de [weg] , € 1.100.000,-).

Wettelijke rente

20.1

Verweerder heeft zich het in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat over het vastgestelde schadebedrag de wettelijke rente dient te worden vergoed van 30 december 2011 tot en met 17 juli 2012 en vanaf 24 februari 2014 tot en met de dag van betaling.

20.2

Eiser voert aan dat wettelijke rente over de gehele periode vanaf 30 december 2011 vergoed moet worden. In zijn laatste brief van 12 september 2017 verzoekt hij de rechtbank de wettelijke rente toe te kennen vanaf de peildatum en de hoogte van de wettelijke rente zelf te berekenen.

20.3

In artikel 11 van de Beleidsregel is bepaald dat een vergoeding van wettelijke rente deel kan uitmaken van de toe te kennen vergoeding. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek door verweerder.

20.4

De gemeente Ommen heeft het verzoek van eiser om schadevergoeding op

30 december 2011 ontvangen. Beide partijen zijn het erover eens dat deze datum tevens geldt als datum van ontvangst van het verzoek door verweerder en dat dus in beginsel wettelijke rente verschuldigd is vanaf 30 december 2011. De rechtbank ziet geen aanleiding om, in afwijking daarvan, de wettelijke rente toe te kennen vanaf de peildatum. Wettelijke rente is immers een vergoeding voor het te laat betalen van een verschuldigd bedrag. Pas door het indienen van het verzoek om schadevergoeding raakte verweerder ermee bekend dat hij mogelijk een bedrag aan eiser verschuldigd was.

20.5

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de periode van 17 juli 2011 tot 24 februari 2014 aan eiser moet worden toegerekend, omdat eiser na het indienen van zijn bezwaarschrift op 17 april 2011 pas op 24 februari 2014 de gronden van zijn bezwaar heeft ingediend. Volgens verweerder had eiser zijn gronden binnen drie maanden, dus uiterlijk op 17 juli 2011, kunnen aanvullen.

20.6

De rechtbank is het niet met verweerder eens. In het bezwaarschrift van 17 april 2012 heeft eiser aangevoerd dat geen sprake was van een herhaalde aanvraag. Hij reageerde hiermee op het – onjuiste – primaire besluit van verweerder, waarin het verzoek om schadevergoeding was afgewezen omdat sprake zou zijn van een herhaalde aanvraag. Aan het slot van het bezwaarschrift heeft eiser vermeld dat hij zich het recht voorbehoudt om de gronden van het bezwaar nog nader aan- en in te vullen. De gedingstukken geven geen enkel inzicht in de exacte gang van zaken nadat verweerder het bezwaarschrift had ontvangen. Op de zitting heeft verweerder verklaard dat na ontvangst van het bezwaarschrift al snel de conclusie werd getrokken dat een inhoudelijke beoordeling van het verzoek moest plaatsvinden. Dit zou volgens verweerder telefonisch aan eiser zijn meegedeeld. Verder zou korte tijd na het indienen van het bezwaarschrift telefonisch aan eiser zijn meegedeeld dat hij de gronden van het bezwaar moest aanvullen en dat hij een aantal gegevens moest overleggen die nodig waren voor de beoordeling van het verzoek en om een commissie in te stellen. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij nooit heeft gehoord dat hij gegevens moest indienen voordat een commissie ingesteld kon worden. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser niet schriftelijk in de gelegenheid heeft gesteld om binnen een bepaalde termijn zijn bezwaargronden aan te vullen en de voor de beoordeling van het verzoek noodzakelijke gegevens in te dienen. Of dit telefonisch is gebeurd, kan de rechtbank niet vaststellen. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat er geen notities zijn gemaakt van de desbetreffende telefoongesprekken, die overigens niet met eiser zelf, maar met zijn toenmalige gemachtigde zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de onduidelijkheid over de exacte gang van zaken voor risico van verweerder komt. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de periode van 17 juli 2011 tot 24 februari 2014 aan eiser moet worden toegerekend.

20.7

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en stelt de toe te kennen schadevergoeding vast op € 515.709,- (€ 537.709,- minus € 22.000,-) met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf 30 december 2011 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank ziet geen aanleiding het bedrag van de wettelijke rente zelf te berekenen, zoals eiser heeft verzocht.

Proceskosten in bezwaar

Vergoeding van de kosten voor de deskundigenrapporten van Van Hoogmoed en De Schakel

21.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor vergoeding van de kosten van door eiser ingeschakelde deskundigen het criterium is of eiser ervan mocht uitgaan dat deze deskundigen een relevante bijdrage zouden leveren aan de beantwoording van voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vragen. Verweerder vindt dat hiervan geen sprake is, omdat aan de afwijzing van de aanvraag geen beoordeling van de schade ten grondslag heeft gelegen en eiser kon weten dat bij honorering van zijn bezwaar alsnog een onafhankelijk advies zou worden gevraagd. Volgens verweerder komen de kosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

21.2

Eiser voert aan dat hij Van Hoogmoed en De Schakel pas heeft ingeschakeld nadat verweerder zijn aanvraag om schadevergoeding had afgewezen. De rapporten van Van Hoogmoed en De Schakel hebben een relevante bijdrage geleverd, omdat deze rapporten ertoe hebben geleid dat zijn schadeclaim in het bestreden besluit is toegewezen. Eiser vindt de stelling van verweerder dat hij kon weten dat bij honorering van zijn bezwaar alsnog een onafhankelijk advies zou worden gevraagd onbegrijpelijk, omdat het maar liefst ruim twee jaar heeft geduurd voordat verweerder de commissie inschakelde. Volgens eiser moeten de kosten volledig worden vergoed, mede gelet op het feit dat het een complexe zaak is.

21.3

In artikel 10 van de Beleidsregel is bepaald dat, indien bij de indiening en de behandeling van het verzoek zowel het inroepen van deskundigenbijstand als de kosten daarvan redelijk zijn te achten, deze kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

21.4

Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling komen kosten voor deskundigenbijstand in de regel niet voor vergoeding in aanmerking als ze zijn gemaakt in het kader van de aanvraag om schadevergoeding. Volgens de Afdeling kan de aanvrager weten dat het bestuursorgaan gehouden is advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige, zodat het niet redelijk is een eigen adviseur in te schakelen zonder dat advies af te wachten10. Dat deze uitspraak van de Afdeling betrekking had op een verzoek om planschade en niet op een verzoek om nadeelcompensatie, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet uit. Zoals de rechtbank al in overweging 19.3 heeft overwogen, moet een verzoek om vergoeding van schade die wordt geleden door een Tracébesluit worden beoordeeld naar de maatstaven die gelden voor de beoordeling van planschade. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor deskundigenkosten die in het kader van een verzoek om schadevergoeding in verband met een Tracébesluit zijn gemaakt.

21.5

In dit geval doet zich echter de situatie voor dat verweerder pas in de bezwaarfase advies heeft gevraagd aan de commissie, omdat hij zich in de aanvraagfase – ten onrechte – op het standpunt stelde dat sprake was van een herhaalde aanvraag. Formeel gezien is op de door eiser gevorderde kosten dan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) van toepassing. Hierbij geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling het criterium dat de deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking komen als degene die de deskundige heeft ingeschakeld er gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van die inschakeling ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. In dit geval vindt de rechtbank dat eiser niet kon verwachten dat het inroepen van de twee deskundigen Van Hoogmoed en De Schakel op dat moment een relevante bijdrage zou vormen voor het beantwoorden van de vraag of sprake was van een herhaalde aanvraag. Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van deze kosten daarom terecht afgewezen.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar

22.1

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen omdat daarin de aanvraag ten onrechte als een herhaalde aanvraag was aangemerkt. Daarnaast heeft verweerder een vergoeding voor de rechtsbijstandskosten in bezwaar toegekend van € 472,-, te weten voor het indienen van het bezwaarschrift. Volgens verweerder heeft er geen hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden, zodat daarvoor ook geen kosten worden vergoed.

22.2

Eiser voert aan dat de kosten voor het bijwonen van de hoorzitting van de commissie ten onrechte niet zijn vergoed. Verder voert eiser aan dat de kosten van rechtsbijstand volledig moeten worden vergoed. In zijn reactie op het rapport van de StAB van 11 mei 2017 heeft hij in dit verband een beroep gedaan op de hardheidsclausule in het Bpb. Volgens eiser is hij op uitzonderlijk hoge kosten gejaagd doordat verweerder tegen beter weten in bleef vasthouden aan het advies van de commissie.

22.3

Op grond van het Bpb komen de kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking11. In de bij het Bpb behorende bijlage is voor de kosten voor rechtsbijstand een forfaitair bedrag vermeld, dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit € 472,- per toegekend punt bedroeg. In bijzondere omstandigheden kan van het forfaitaire bedrag worden afgeweken12.

22.4

In de bij het Bpb behorende bijlage is bepaald dat 1 punt wordt toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting. In dit geval heeft in bezwaar geen hoorzitting als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb plaatsgevonden, maar heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de deskundigencommissie. Deze hoorzitting bij de deskundigencommissie zou normaal gesproken hebben plaatsgevonden in de aanvraagfase, maar gelet op de gang van zaken zoals die in overweging 20.5 is beschreven, heeft deze hoorzitting pas in bezwaar plaatsgevonden. Op de zitting heeft verweerder verklaard dat hij zich kan voorstellen dat onder deze omstandigheden ook 1 punt wordt toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting door de toenmalig gemachtigde van eiser. Mede gelet op dit standpunt van verweerder vindt de rechtbank het redelijk om in dit geval ook 1 punt toe te kennen voor het bijwonen van de hoorzitting bij de commissie. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding het bestreden besluit ook op dit punt te vernietigen.

22.5

De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten in bezwaar volledig te vergoeden. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb grond is indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden13. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat op voorhand duidelijk was dat het advies van de commissie geen stand zou houden. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 990,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting van de commissie, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

23.1

In zijn reactie op het rapport van de StAB van 11 mei 2017 heeft eiser de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

23.2

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De Afdeling heeft bepaald dat in die gevallen waarin het primaire besluit van vóór 1 februari 2014 dateert en geen sprake is van een punitieve sanctie, zoals ook in dit geval, de redelijke termijn pas is overschreden nadat de bezwaar- en beroepsprocedure meer dan drie jaar hebben geduurd. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar bedragen. Bij toepassing van deze termijnen geldt dat de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van eiser gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. Zo kan het inschakelen van een deskundige door een bestuursorgaan of de rechter er onder omstandigheden toe leiden dat overschrijding van de termijn die een procedure in beginsel ten hoogste drie jaar mag duren, gerechtvaardigd is14.

23.3

De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 18 april 2012, de dag waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 oktober 2017. De redelijke termijn is dus in beginsel overschreden. De bezwaarprocedure heeft van 18 april 2012 tot 6 oktober 2015 (datum bestreden besluit) geduurd. De beroepsprocedure heeft van 13 november 2015 (datum ontvangst beroepschrift) tot 4 oktober 2017 (datum uitspraak) geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus in zijn geheel te wijten aan verweerder. Verweerder heeft de termijn in beginsel met twee jaar en ruim vijf maanden overschreden. Uit hetgeen de rechtbank in overweging 20.6 heeft overwogen, volgt dat de overschrijding niet aan het processuele gedrag van eiser is te wijten. In bezwaar heeft verweerder de commissie als deskundige ingeschakeld. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan het inschakelen van een deskundige door een bestuursorgaan of de rechter er onder omstandigheden toe leiden dat overschrijding van de termijn die een procedure in beginsel ten hoogste mag duren gerechtvaardigd is. Daarbij speelt een rol of het inschakelen van een deskundige redelijk was en of daarmee niet onredelijk veel tijd gemoeid is geweest15. De commissie is op 19 mei 2014 ingeschakeld. Het advies van de commissie is van 17 juli 2015. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om voor het inschakelen van een deskundige een termijn van 0,5 jaar aan te houden. Dat betekent in dit geval dat de redelijke termijn door verweerder is overschreden met – afgerond – twee jaar.

23.4

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.000,- aan eiser als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

Griffierecht

24. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Proceskosten in beroep

25.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 1.324,62.

De proceskosten bestaan uit de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, verletkosten en reiskosten en worden als volgt gespecificeerd.

25.2

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het rapport van de StAB, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

25.3

Eiser heeft een bedrag van € 150,- aan verletkosten gevorderd in verband met het bijwonen van de zitting. Volgens het Bpb worden verletkosten vergoed naar een tarief dat is gelegen tussen € 7,- en € 81,- per uur16. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt het tarief van € 7,- aangehouden als het verzoek om vergoeding van de verletkosten niet is gespecificeerd17. Aangezien eiser zijn verzoek niet heeft onderbouwd met bewijsstukken, hanteert de rechtbank het tarief van € 7,- per uur. De zitting inclusief de reistijd duurde zes uur. De rechtbank stelt de vergoeding voor verletkosten daarom vast op € 42,- (6 uur x € 7,-).

25.4

Eiser heeft een bedrag van € 50,- als vergoeding voor zijn reiskosten gevorderd. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in de week waarin de zitting plaatsvond, in [plaats] werkzaam was. Op grond van het Bpb in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken 200318 worden de reiskosten vastgesteld op het tarief waarvan de hoogte gelijk is aan reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. De rechtbank stelt de reiskosten voor de reis van [plaats] naar de rechtbank en terug aan de hand van de algemeen beschikbare gegevens vast op € 45,12 (2 x € 22,56).

25.5.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de werkelijke proceskosten te vergoeden. Voor een motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar wat zij hierover in overweging 22.5 heeft overwogen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, bepaalt dat verweerder aan eiser een schadevergoeding van € 515.709,- betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.000,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.314,62.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, en mrs. M.C.M. Hamer en H.J. Schaberg, leden, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 22 van de Tracéwet

2 Artikel 15 van de Beleidsregel

3 Artikel 16 van de Beleidsregel

4 Eiser heeft in zijn reactie meer kanttekeningen geplaatst, maar de andere kanttekeningen hebben geen betrekking op het rapport van de StAB, althans niet rechtstreeks. De rechtbank zal later in deze uitspraak ingaan op de andere kanttekeningen die eiser in zijn reactie heeft genoemd.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2265

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3378

7 De uitspraak van 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6926 en de uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0707.

8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4394

9 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2487

10 Zie de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4690

11 Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb

12 Artikel 2, derde lid, van het Bpb

13 Zie het arrest van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802

14 Zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188

15 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:425

16 Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb

17 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511

18 Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003