Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7156

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
AWB 16/6814
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1484, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen toevoeging afgegeven in proces Wilders II

Het OM had geadviseerd om de behartiging van de vorderingen van de benadeelde partijen onder te brengen bij twee gespecialiseerde, toegevoegde advocaten. Slachtofferhulp trok zich terug uit het proces Wilders II. De vordering benadeelde partij kan niet los worden gezien van het complexe proces Wilders II. Een individuele burger-slachtoffer die zich wil voegen als benadeelde partij in een strafproces als dit, kan gemakkelijk ‘vermalen’ raken. De positie van het slachtoffer in het strafproces is de afgelopen jaren versterkt, mede door implementatie van Richtlijn 2012/29 EU. Al deze factoren in onderling verband en samenhang bezien brengen de rechtbank tot het oordeel dat de Raad ten onrechte heeft geweigerd de gevraagde toevoeging af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2017 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser 1

en

mr. [de persoon 1], te Amsterdam, eiser 2

gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. T. de Boer),

en

Centraal Kantoor van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Smits)

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser 1 om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 19 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiser 1 ongegrond en van eiser 2 niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 29 maart 2016 heeft eiser 1 een aanvraag om een toevoeging ingediend voor rechtsbijstand door eiser 2 bij een vordering als benadeelde partij in het strafproces dat bekend staat onder de naam “ [naam proces] ”.

2.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit, dat in bezwaar is gehandhaafd, geweigerd de gevraagde toevoeging te verlenen. Volgens verweerder is onvoldoende gebleken dat sprake is van daadwerkelijke materiële dan wel immateriële schade op grond waarvan een toevoeging moet worden verstrekt. Daarnaast betreft het een belang waarvan de behartiging redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling. Eiser 1 kan zelf onderbouwen op welke wijze hij schade heeft geleden door de uitspraken van [de heer] .

Indien hij hiertoe niet zelfstandig in staat zou zijn, kan hij zich voor rechtsbijstand en advies wenden tot maatschappelijk werk, slachtofferhulp of de diverse stichtingen waar andere benadeelden zich toe hebben gewend. Dat de rechtbank die het [naam proces] behandelde, heeft bepaald dat de vorderingen benadeelde partij alleen schriftelijk kunnen worden ingediend, maakt dit niet anders. Dit geldt ook voor het feit dat er veel publieke aandacht en media-aandacht voor het strafproces is en dat het strafproces zelf complex is. Dit maakt immers geen verschil voor de aard of omvang van de vordering waar het om gaat en voor de vraag of deze vordering complex is, aldus verweerder.

2.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit verder het bezwaar van eiser 2, zijnde de rechtsbijstandverlener van eiser 1 tijdens het [naam proces] , niet-ontvankelijk verklaard. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de rechtsbijstandverlener bij een beslissing op een verzoek om afgifte van een toevoeging geen direct belang, aldus verweerder.

2.3

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het bezwaar van eiser 1 ten onrechte ongegrond is verklaard en dat het bezwaar van eiser 2 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens eisers had de toevoeging moeten worden verleend.

Ten aanzien van het beroep van eiser 1

3. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft gemotiveerd dat het vermelden van [de persoon 2] als geadresseerde van het bestreden besluit een kennelijke verschrijving betreft. Hoewel het vermelden van een verkeerde naam op een besluit zonder meer is aan te merken als slordig, is de rechtbank niet gebleken dat eiser 1 hierdoor daadwerkelijk is benadeeld. De rechtbank volstaat daarom met de enkele constatering dat het hier gaat om een slordigheidsfout en zal er verder geen gevolgen aan verbinden. De hierover aangevoerde beroepsgrond kan daarom niet slagen.

4.1

Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb bepaalt dat Rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

4.2

Verweerders werkinstructie Z110 ‘Vordering benadeelde partij in strafproces’ bepaalt, voor zover hier relevant, dat een toevoeging kan worden verstrekt als het gaat om een complexe vordering/schade of het Bureau Slachtofferhulp geen hulp kan verlenen.

4.3

Uit het dossier blijkt dat Slachtofferhulp Nederland aanvankelijk rechtsbijstand heeft verleend aan een aantal benadeelde partijen, waaronder eiser I, in het [naam proces] , maar dat zij die rechtsbijstand vervolgens heeft neergelegd. Bij e-mail van 6 oktober 2016 heeft mevrouw mr. Judith Cortel – juridisch adviseur van Slachtofferhulp Nederland –
hierover aan eiser 2 het volgende laten weten: “Wij kunnen onder andere de vordering toelichten en eventueel een schriftelijke slachtofferverklaring voorlezen. Dit is echter een zeer uitzonderlijke zaak en het verlenen van bijstand tijdens deze zitting is te complex voor ons. U gaf aan dat uw kantoor deze twee cliënten zou kunnen overnemen, waarvoor hartelijk dank.”

Ter zitting is desgevraagd nader toegelicht dat Slachtofferhulp Nederland het te complex en tijdrovend vond om vorderingen van benadeelde partijen in dit proces te behartigen. Ter zitting is vast komen te staan dat Slachtofferhulp Nederland geen werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de vordering van eiser I.

4.4

Op grond van de hiervoor weergegeven e-mail van mr. Judith Cortel en de toelichting daarbij ter zitting door partijen is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de in de werkinstructie neergelegde, tweede, voorwaarde van toevoegingverlening, te weten dat het Bureau Slachtofferhulp geen rechtsbijstand kan verlenen.

4.5

Van een “een complexe vordering/schade”, zoals beschreven in verweerders werkinstructie, is niet uitsluitend sprake bij een juridisch complexe vordering of juridisch complexe schade. De complexiteit van een vordering kan immers ook worden bepaald door andere factoren. Daarnaast kan, anders dan verweerder veronderstelt, de aard van een vordering niet geheel los worden gezien van de aard van het proces in het kader waarvan die vordering is of wordt gedaan, nu de aard van de vordering mede door dat proces wordt bepaald. De uitlatingen van de verdachte in het proces vormen de gestelde bron van de schade die ten grondslag ligt aan de vordering van de benadeelde partij. De slachtoffers in het proces voegen zich als benadeelde partijen in dat proces. De behandeling van de vordering benadeelde partij maakt onderdeel uit van het proces. Kortom, de vordering en het proces zijn onderling op vele manieren met elkaar verbonden en het komt de rechtbank daarom voor dat het niet geheel zuiver is om proces en vordering los van elkaar te beoordelen als complex of niet complex.

4.6

De vordering waarvoor onderhavige toevoeging is aangevraagd, betreft een vordering benadeelde partij in eerste aanleg, in een groot strafproces. Dit strafproces is gericht tegen een [naam functie] en diens uitlatingen hebben, onder meer door de grote media-aandacht hieromtrent, tot beroering en onrust in de samenleving geleid. Er zijn meer dan 6000 aangiftes tegen [de heer] ingediend, er zijn 61 vorderingen benadeelde partij ingediend, het strafproces heeft meerdere zittingsdagen in beslag genomen en de zittingen hebben plaatsgevonden in het extra beveiligde Justitieel Complex Schiphol. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie in zijn brief van 4 januari 2016 meegedeeld dat “het van groot belang [is] dat de benadeelde partijen door één of twee raadslieden worden vertegenwoordigd. Wanneer dat niet gebeurt, is het waarschijnlijk dat het OM vanuit zuiver praktische overwegingen zal moeten vragen de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de te grote belasting voor het strafproces.” Al deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat het [naam proces] een complex strafproces was en dat de vordering niet los kan worden gezien daarvan. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan de in de werkinstructie neergelegde, eerste, voorwaarde van toevoegingverlening, te weten dat het moet gaan om een complexe vordering.

4.7

Nu aan beide voorwaarden van de werkinstructie is voldaan, was verweerder bevoegd om een toevoeging te verlenen. Hoewel de voorwaarden enuntiatief (of/of) geformuleerd zijn, heeft verweerder ter zitting betoogd dat bij de beoordeling van een aanvraag om een toevoeging naar beide voorwaarden wordt gekeken. Daarom heeft de rechtbank ervoor gekozen om ook naar beide voorwaarden te kijken en te beoordelen of aan beide voorwaarden is voldaan in deze zaak.

4.8

Gelet op het bepaalde in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb rijst vervolgens de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat – ondanks het hiervoor overwogene – de behartiging van het belang van eiser 1 redelijkerwijze aan eiser 1 zelf kon worden overgelaten. In dat geval is verweerder immers gerechtigd om een toevoeging toch te weigeren. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Alle hierboven genoemde kenmerken van het [naam proces] , in onderlinge samenhang bezien, zijn daarvoor redengevend. Daarnaast is hiervoor ook redengevend dat eiser I, net als de andere benadeelde partijen in het [naam proces] , als individuele burger gemakkelijk ‘vermalen’ kan raken in een strafproces met een wat betreft het aantal aangiftes en vorderingen van benadeelde partijen uitzonderlijk grote omvang als het [naam proces] . De positie van individuele burgers-slachtoffers in het strafproces is met de implementatie van de Europese Richtlijn 2012/29/EU1 in de nationale wetgeving aanzienlijk versterkt. Ook dat mag bij de beoordeling van de vraag of in een zaak als deze een toevoeging moet worden afgegeven niet uit het oog worden verloren.

4.9

Op grond van het hiervoor weergegeven specifieke en uitzonderijke samenstel van omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de weigering om aan eiser 1 een toevoeging te verlenen, de toets in rechte niet kan doorstaan. De weigering is in strijd met de werkinstructie en in strijd met artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb. Dit betekent dat verweerders besluit voor zover dat betrekking heeft op eiser 1 niet in stand kan blijven.

5. Reeds op grond van het voorgaande is het beroep gegrond. De overige door eiser 1 aangevoerde beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking.

Ten aanzien van het beroep van eiser 2

6. Ten aanzien van het beroep van eiser 2 overweegt de rechtbank dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling de rechtsbijstandverlener bij een beslissing op een verzoek om afgifte van een toevoeging geen direct belang heeft. Verweerder heeft het bezwaar van eiser 2 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard en de hiertegen gerichte beroepsgrond treft geen doel. Dit deel van het bestreden besluit blijft dan ook in stand.

Afdoening

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en in strijd met de werkinstructie is genomen. Het beroep van eiser 1 is gegrond. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht beslecht de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien, door te bepalen dat aan eiser 1 alsnog de gevraagde toevoeging wordt verleend. De rechtbank heeft hierbij ook betrokken dat eiser I de rechtbank heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien en de rechtbank het van belang acht partijen zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de voorgelegde vraag.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoed.

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover het bezwaar van eiser 1 ongegrond is verklaard;

  • -

    laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de aanvraag van eiser 1 wordt ingewilligd en dat daarom aan eiser 1 een toevoeging wordt verleend;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.980,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Knikkink, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2017.

de griffier
is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen

de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.