Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7132

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
13/680150-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige vrouw is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar omdat zij heeft geprobeerd haar zoontje door vergiftiging met een verboden rattengif te doden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680150-16 (Promis)

Datum uitspraak: 3 oktober 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van wat verdachte en haar raadsman mr. M.C. Jonge Vos naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

primair:

zij op of omstreeks 22 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] , Aldicarb, in elk geval een middel en/of stof bevattende Aldicarb, in elk geval één of meer (giftig(e)) middel(en) en/of stof(fen) heeft toegediend en/of laten eten en/of laten drinken;

subsidiair:

zij op of omstreeks 22 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan haar kind, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet Aldicarb, in elk geval een middel en/of stof bevattende Aldicarb, in elk geval één of meer (giftige) middel(en) en/of stof(fen) toe te dienen en/of te laten eten en/of te laten drinken;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 22 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] , Aldicarb, in elk geval een middel en/of stof bevattende Aldicarb, in elk geval één of meer (giftige) middel(en) en/of stof(fen) heeft toegediend en/of laten eten en/of laten drinken.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten poging tot doodslag, zoals beschreven in rubriek 5. De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte dit strafbare feit heeft begaan op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen (bijlage 1 bij dit vonnis). De rechtbank zal haar beslissing hieronder motiveren en daarbij de standpunten van de officier van justitie en de raadsman betrekken.

Feiten en omstandigheden

Op 22 mei 2016 komt er een 112-melding binnen bij de Ambulance meldkamer van de regio Amsterdam. De melder, naar later blijkt verdachte, zegt dat zij denkt dat zij en haar zoon iets verkeerds hebben gegeten. Zij zegt dat ze heel veel aan het overgeven zijn, dat haar zoon ( [slachtoffer] ) van vier jaar er slecht aan toe is, en dat zij zelf ook erg ziek is. Ambulances worden naar de woning aan het [adres 1] te [plaats] gestuurd, waar verdachte op dat moment met haar zoon verblijft.

In de woning treffen ambulancemedewerkers verdachte aan, liggend in de hal, en haar zoon [slachtoffer] , op de bank in de woonkamer. Beiden zijn niet aanspreekbaar, zijn hevig aan het overgeven en aan de diarree en worden naar het ziekenhuis vervoerd, waar zij op de intensive care worden opgenomen. Omdat op basis van verklaringen van getuigen de verdenking ontstaat dat verdachte zichzelf en haar zoon het leven heeft willen benemen, is verdachte vervolgens in het ziekenhuis aangehouden.

Bij toxicologisch onderzoek wordt in het bloed en de urine van [slachtoffer] aldicarb sulfoxide en aldicarb sulfon aangetoond. Beide zijn omzettingsproducten van Aldicarb, een zeer giftig bestrijdingsmiddel dat bij inname overlijden als gevolg kan hebben. Het middel is sinds 2003 in Nederland niet meer toegelaten, en behoort tot de meest giftige groep van pesticiden. Ook in het bloed en de urine van verdachte worden deze stoffen aangetroffen.

Bij sporenonderzoek in de woning wordt in een keukenkast een potje met zwarte korrels aangetroffen waarvan later bij toxicologisch onderzoek is vastgesteld dat deze korrels eveneens Aldicarb bevatten. Op de onderkant van het potje bleek later een vingerafdruk van verdachte te zitten.

Bewijsmotivering

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd haar zoon [slachtoffer] van het leven te beroven, door hem de stof Aldicarb toe te dienen.

Op 21 mei 2016 waren er ’s avonds drie vrienden bij verdachte op bezoek, te weten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (vader van [slachtoffer] ). Zij waren bezorgd omdat zij signalen kregen dat het niet goed ging met verdachte, en waren naar haar toe gekomen om te bespreken hoe zij haar konden helpen.

[naam 1] was die avond bij verdachte om eten voor haar en [slachtoffer] te koken, toen de hoofdbewoonster van de woning verdachte vertelde dat zij binnen een maand de woning moest verlaten. [naam 1] zag dat verdachte door deze mededeling ‘depressief raakte’(in de woorden van de getuige). Na het eten hoorde [naam 1] dat verdachte een vriendin ( [naam 2] ) belde en haar vertelde haar dat ze er een eind aan wilde maken. Drie maanden eerder had verdachte ook al eens tegen [naam 1] gezegd dat ze zichzelf wat aan wilde doen omdat het haar niet lukte haar problemen, onder andere met het verkrijgen van een woning, op te lossen.

Dit was voor [naam 2] reden om samen met [naam 3] ook naar de woning van verdachte te komen. Het gesprek verliep echter niet goed en er ontstond ruzie. Een aanbod van [naam 1] om te blijven slapen werd door verdachte afgewezen, en ook toen [naam 2] en [naam 3] voorstelden om [slachtoffer] mee te nemen zodat verdachte wat tot rust kan komen, wilde verdachte daar niet van weten. Om 23:00 uur heeft verdachte de bezoekers de woning uit gestuurd.

’s Nachts om 01:35 uur belde verdachte met [naam 1] en zei tegen haar dat zij ging rusten met haar zoon en dat zij belde om afscheid te nemen. [naam 1] lichtte onmiddellijk [naam 2] inl. Alle drie zijn ze zo snel mogelijk naar de woning van verdachte gegaan. Daar was ambulancepersoneel bezig om zich om de doodzieke [slachtoffer] en verdachte te bekommeren.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zichzelf het leven wilde benemen, en dat zij dit wilde doen door gif in te nemen. Zoals hiervoor reeds is vermeld is daadwerkelijk een giftige stof, waarvan later werd vastgesteld dat het Aldicarb was, in het bloed en de urine van verdachte aangetroffen. Verdachte nam dit gif dus in, in de veronderstelling dat dit de dood tot gevolg zou hebben.

Ditzelfde gif is ook in het bloed en de urine van [slachtoffer] aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat dit alleen kan zijn gebeurd doordat verdachte hem de Aldicarb opzettelijk heeft toegediend. In de woning waren op dat moment geen andere personen aanwezig.

Uit de verklaringen van de getuigen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] leidt de rechtbank af dat verdachte ook opzet had op de dood van [slachtoffer] . [naam 1] heeft verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij ging rusten met haar zoon en dat zij belde om afscheid te nemen. [naam 2] heeft verklaard dat zij van [naam 1] heeft gehoord dat verdachte dit tegen haar heeft gezegd en [naam 2] heeft verklaard dat verdachte drie maanden daarvoor ook tegen haar ( [naam 2] ) heeft gezegd ‘iets verkeerds te willen doen met zichzelf en haar zoon’. [naam 3] heeft verklaard dat verdachte in het ziekenhuis tegen hem heeft gezegd dat [slachtoffer] zoveel had meegemaakt dat ze samen moesten. Bij haar oordeel dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte nooit openheid van zaken heeft gegeven over welke stof zij precies had ingenomen. Niet aan de telefoon toen zij 112 belde, en ook later in het ziekenhuis niet. Dit had, indien zij niet de opzet op de dood van [slachtoffer] had gehad, uiteraard wel zeer voor de hand gelegen. [slachtoffer] vertoonde immers dezelfde ziekteverschijnselen als verdachte. Bij de 112 melding heeft verdachte echter alleen gezegd dat ze dacht dat zij en haar zoon iets verkeerds hadden gegeten. Dat is een mededeling die opvallend slecht geschikt is om de spoedeisendheid van de situatie aan te geven. De rechtbank acht vrijwel onvoorstelbaar dat een ouder, die zojuist ontdekt dat haar kind een mogelijk dodelijk gif heeft ingenomen terwijl dat niet haar bedoeling was, op een zo schijnbaar nonchalante, vage en bedekte manier aandacht voor dat specifieke gegeven zou vragen bij de hulpdiensten. Wél voorstelbaar acht de rechtbank dit gedrag in het geval de verdachte eerst de keuze heeft gemaakt haar zoon te vergiftigen en vervolgens, kennelijk nog tijdens het bellen met 112, slechts schoorvoetend bezig is die keuze in twijfel te trekken. Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard, niet op de gedachte te zijn gekomen dat [slachtoffer] hetzelfde middel als zijzelf had binnengekregen en dat dit mogelijk belangrijke informatie zou zijn voor de behandelend artsen. De rechtbank gelooft dit niet.

De raadsman heeft bij wijze van alternatief scenario aangevoerd dat [slachtoffer] de Aldicarb zelf zou hebben ingenomen, hetzij door te drinken uit het glas waarin verdachte de Aldicarb zou hebben opgelost, hetzij door korreltjes die op de grond zouden zijn gevallen op te eten. Verdachte ontkent [slachtoffer] de Aldicarb te hebben toegediend. [slachtoffer] lag in bed, zo heeft verdachte op de zitting verklaard. Zij stelt direct na het innemen van de Aldicarb ziek te zijn geworden en naar de wc te zijn gegaan. Toen ij terugkwam zat [slachtoffer] ineens in de woonkamer en vertoonde hij dezelfde verschijnselen als zij, te weten veel overgeven en diarree.

De rechtbank acht de door de raadsman en verdachte geschetste alternatieve scenario’s zeer onaannemelijk, met name gezien de leeftijd van [slachtoffer] en het tijdstip waarop de vergiftiging heeft plaatsgevonden.. In de lezing van verdachte zou de vierjarige [slachtoffer] immers midden in de nacht, terwijl hij, zo blijkt uit de getuigenverklaringen, tot laat was opgebleven, spontaan uit bed moeten zijn gekomen en naar de woonkamer zijn gegaan, om vervolgens uit een willekeurig glas in de woonkamer te gaan drinken dan wel korreltjes van de grond te gaan eten – en dat heel toevallig precies op het moment dat verdachte net het gif had ingenomen. Daar komt bij dat verdachte van het begin af aan tegenstrijdig en niet consistent heeft verklaard over wat er die nacht is voorgevallen. Zo heeft zij eerst verklaard zwart poeder vanaf een papiertje te hebben ingenomen met haar mond drinkend bij de kraan in de badkamer (dus zonder glas). Vervolgens heeft zij verklaard dat ze zwart poeder van een tissue heeft gehaald die op het balkon lag, en het poeder in een glas met water heeft gemengd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij een wit poederachtig chemisch spul had ingenomen. Het innemen van een potentieel dodelijk gif is, naar de rechtbank zich voorstelt, een heftige gebeurtenis waarvan niet erg aannemelijk is dat iemand zich later niet meer kan herinneren of dat nu met de hand (zonder glas) bij de kraan in de badkamer gebeurde, of toch met een glas in de woonkamer. Daarbij benadrukt de rechtbank dat van enig gebrek aan haar geheugen niets is gebleken en dat verdachte zelf ook niet heeft verklaard dat zij het zich niet scherp kon herinneren.

Het dossier biedt voor de verschillende, onaannemelijke lezingen van verdachte verder ook geen enkel aanknopingspunt. Zo is de woning tweemaal doorzocht, en bij geen van die doorzoekingen is een papiertje, tissue of glas gevonden met Aldicarb of een giftig wit poeder. Ook op de foto’s in het dossier van de lage tafel in de woonkamer waar verdachte heeft verklaard het glas te hebben achtergelaten, is geen glas zichtbaar (p. 145 foto 20 en p. 149 foto 25 en 26).

De rechtbank volgt de raadsman daarom niet in zijn betoog.

Geen voorbedachte raad

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van poging moord.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte het potje Aldicarb heeft aangeschaft met het vooropgezette plan om daarmee haar zoon te vergiftigen. Dat verdachte in het verleden ook over zelfmoord heeft gesproken en daarbij tevens heeft gezegd ‘iets verkeerds te willen doen met haar zoon’ acht de rechtbank onvoldoende om voorbedachte raad vast te kunnen stellen. Het kan daarbij bijvoorbeeld ook zijn gegaan om het slechts spelen met een gedachte of om een op dat moment nog niet daadwerkelijk gemeende schreeuw om aandacht. De rechtbank is er evenmin van overtuigd dat verdachte vanaf het begin van de avond, toen [naam hoofdbewoonster] haar vertelde dat zij de woning binnenkort moest verlaten, het plan heeft beraamd om zichzelf en haar zoon te vergiftigen. De rechtbank acht het eerder aannemelijk dat door deze mededeling gedurende de avond de stress bij verdachte steeds meer is opgelopen en dat zij uiteindelijk in een ogenblikkelijke hevige gemoedsopwelling heeft besloten zichzelf en [slachtoffer] van het leven te beroven. Dit vindt bevestiging in de verklaring van verdachte op de zitting en de verklaring van getuige [naam 1] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair:

op 22 mei 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] , een stof bevattende Aldicarb, heeft toegediend.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Vrijwillige terugtred

De raadsman heeft, meer subsidiair, aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verdachte een beroep op artikel 46b Sr (vrijwillige terugtred) toekomt, en dat zij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Toen verdachte zag dat [slachtoffer] ziek werd, heeft zij nog voordat zij haar vriendin [naam 1] belde, met het alarmnummer 112 gebeld zodat hulpdiensten direct hulp konden bieden. Zij heeft uit zichzelf dit besluit genomen, aldus de raadsman.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is er door het toedienen van de Aldicarb aan [slachtoffer] sprake van een voltooide poging tot doodslag door verdachte.

Volgens vaste jurisprudentie is voor het aannemen van vrijwillige terugtred bij een voltooide poging een zodanig optreden van verdachte vereist, dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. Met andere woorden, bij een voltooide poging tot doodslag dient de verdachte er alles aan te doen om te voorkomen dat het slachtoffer daadwerkelijk doodgaat. Alleen dan heeft een beroep op vrijwillige terugtred kans van slagen.

Het beroep op vrijwillig terugtred slaagt in deze zaak niet.

De rechtbank is van oordeel dat de manier waarop verdachte de hulp heeft ingeroepen, niet adequaat was en niet wijst op een oprechte wens om de gevolgen van haar handelen ongedaan te maken. Hoewel [slachtoffer] na toediening van de Aldicarb, het middel waaraan verdachte zelf hoopte te zullen overlijden, dezelfde verschijnselen vertoonde als zijzelf, en [slachtoffer] dus in dat moment ook in de beleving van verdachte in acuut levensgevaar moet hebben verkeerd, heeft verdachte bij het bellen met het 112 alarmnummer (niet heel lang) na het toedienen van de Aldicarb, slechts volstaan met de mededeling dat ze dacht dat [slachtoffer] iets verkeerds gegeten had. Zij heeft toen en ook nadien in het ziekenhuis niet aan de artsen verteld dát [slachtoffer] gif had binnengekregen, niet welk gif dit was geweest en bijvoorbeeld ook niet waar het potje stond waar het gif in zat. Dit bemoeilijkte het medisch handelen van de artsen. Door toedoen van verdachte wisten de artsen onnodig lang niet welk gif verdachte had ingenomen. Kortom, verdachte heeft er niet alles aan gedaan om te voorkomen dat [slachtoffer] dood zou gaan.

Van vrijwillige terugtred is dan ook geen sprake.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor poging tot moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, alsmede tot een voorwaardelijke maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS met voorwaarden), onder de voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om verdachte geen straf op te leggen die hoger is dan het voorarrest. Hij heeft betoogd dat bestraffing in een geval als dit eigenlijk geen enkel redelijk doel kan dienen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om geen TBS met voorwaarden op te leggen omdat de psycholoog, psychiater en de reclassering dit niet hebben geadviseerd en zij ook niet op zitting zijn gehoord. Mocht de rechtbank een hogere straf opleggen dan het voorarrest of TBS met voorwaarden, dan verzoekt de raadsman om aanhouding (de rechtbank begrijpt: heropening) van de zaak om deskundigen om advies te vragen over de gevolgen die een dergelijke straf zou hebben voor verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van vier jaar. De rechtbank zal dit toelichten.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft geprobeerd haar vier jaar oude zoon door vergiftiging om het leven te brengen. Uit wanhoop over de uitzichtloze situatie waarin zij zich bevond en de vele problemen waarvoor zij zich zag gesteld, heeft verdachte gemeend op deze wijze daaraan een einde te moeten maken. Zij heeft haar zoon (en zichzelf) het zeer giftige middel Aldicarb toegediend; een middel waar in Uganda onder andere ratten mee worden vergiftigd.

Verdachte is ernstig tekort geschoten in haar zorgplicht als ouder. Zij heeft haar zoontje bovendien veel pijn en leed bezorgd die nacht en de dagen daarna. Het is gelukkig niet de verwachting dat [slachtoffer] er lichamelijk gezien nadelige gevolgen aan zal overhouden. Het kan echter haast niet anders dan dat de omstandigheid dat zijn moeder geprobeerd heeft hem te vergiftigen en te doden, door hem op latere leeftijd als een traumatische gebeurtenis zal worden ervaren.

Uit een uittreksel van de justitiële documentatie van 25 augustus 2017 blijkt dat verdachte niet eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld. Het strafblad van verdachte geeft dus geen aanleiding om extra straf op te leggen.

Omtrent de persoon van verdachte is door M. de Groot (psycholoog), N. Duits (psychiater) en D.A. de Ruiter (forensisch milieuonderzoeker) een triple rapportage opgemaakt. De psycholoog en de psychiater komen tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid.

Verdachte heeft een vermijdend-afhankelijke, ontoereikende coping met psychosociale omstandigheden. Ze heeft beperkte emotionele vaardigheden en beperkte opvoedingsvaardigheden. Verdachte stelt zichzelf op de voorgrond, en kan moeilijk haar eigen of andermans gevoelens beschrijven en onderscheiden. Daarbij legt verdachte makkelijk verantwoordelijkheden buiten zichzelf en doet ze een sterk beroep op anderen, waarbij ze ook sterk verwijtend en boos op die anderen kan worden. Verdachte neemt geen morele en emotionele verantwoordelijkheid voor wat er met haar zoon [slachtoffer] is gebeurd.

Hoewel de deskundigen vanwege de ontkenning door verdachte van het ten laste gelegde, geen advies kunnen geven over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, stelt de rechtbank op grond van de bevindingen van de psycholoog wel vast dat verdachte als gevolg van de zwakbegaafdheid minder dan een gemiddeld mens in staat moet worden geacht de gevolgen van haar daden te overzien, en zeker in stressvolle situaties minder goed in staat zal zijn de juiste keuzes te maken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte om die reden ten aanzien van het bewezenverklaarde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Dit is een strafverlagende omstandigheid.

De kans op herhaling is voor de deskundigen, door de ontkenning van verdachte, moeilijk te beoordelen. Onder soortgelijke omstandigheden wordt de kans op herhaling echter hoog ingeschat. De rechtbank is dat met de deskundigen eens. In dat verband is het zorgelijk te noemen dat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden door buiten medeweten van bureau Jeugdzorg/Jeugdbescherming Amsterdam toch contact met haar zoon [slachtoffer] te hebben. De rechtbank acht het bovendien heel zorgelijk dat verdachte op dit moment zwanger is van een tweeling. Deze zwangerschap heeft zij in eerste instantie zelfs verborgen gehouden voor de reclassering.

De reclassering heeft in haar rapport van 13 september 2017 en op de zitting geadviseerd het reclasseringstoezicht met bijbehorende voorwaarden zoals dat nu geldt in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis, voort te zetten, maar dan in het kader van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank is van oordeel dat voortzetting van het huidige reclasseringstoezicht met bijhorende voorwaarden onvoldoende bescherming biedt voor [slachtoffer] en/of de tweeling. Verdachte is ook niet bereid zich aan alle voorwaarden te houden. Verdachte heeft op de zitting verklaard in de toekomst zelf voor haar zoon [slachtoffer] en de tweeling te willen zorgen. Verdachte heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven niet te willen voldoen aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarde met betrekking tot een verplicht verblijf bij Stichting Exodus, omdat je daar niet met kinderen mag verblijven.

[slachtoffer] verblijft op dit moment bij een pleeggezin. Ook loopt er een onderzoek van de kinderbescherming naar de mogelijkheden van uithuisplaatsing van de tweeling na de geboorte. Of de tweeling na geboorte direct uit huis zal worden geplaatst, staat dus nog niet vast. De rechtbank kan daar in ieder geval niet vanuit gaan. Dit betekent dat het risico bestaat dat verdachte na de geboorte van de tweeling met de tweeling elders gaat wonen, zoals haar wens is, en zij zich dus onttrekt aan het toezicht. Er speelt nog een ander probleem ten aanzien van reclasseringstoezicht en bijbehorende hulp en begeleiding. Op dit moment is onduidelijk of verdachte haar verblijfsvergunning zal behouden. Bij verlies van haar verblijfsvergunning komt zij mogelijk niet langer in aanmerking voor alle noodzakelijke hulp en begeleiding. Ook maakt de dreiging van het verlies van haar verblijfsvergunning en de dreiging van uitzetting uit Nederland verdachte extra kwetsbaar. De rechtbank acht de kans aanwezig dat verdachte samen met haar kinderen probeert te vluchten. Gelet op dit alles volgt de rechtbank het advies van de reclassering niet op.

De rechtbank acht TBS met voorwaarden, zoals door de officier van justitie verzocht, om dezelfde redenen evenmin passend. Een TBS met voorwaarden is aangewezen als het recidivegevaar naar verwachting afdoende afgewend kan worden door het stellen van gedragskundige voorwaarden aan het gedrag. Gezien het gebrek aan inzicht en motivatie van verdachte is de rechtbank van oordeel dat ook deze maatregel onvoldoende bescherming biedt voor [slachtoffer] en/of de tweeling. Bovendien voldoet verdachte niet aan de bij deze maatregel verplichte instemming met alle voorwaarden.

De raadsman heeft nog aangevoerd, dat niet is in te zien welk doel een bestraffing in deze zaak zou kunnen dienen, kennelijk erop doelend dat iemand die toch al zelfmoord wil plegen zich niets gelegen zal laten liggen aan de afschrikwekkende werking van het strafrecht. Daar kan het volgende over worden gezegd. Om te beginnen heeft de straf in dit geval het directe doel om te voorkomen dat verdachte opnieuw zal proberen haar kinderen iets aan te doen. Zoals hiervoor weergegeven acht de rechtbank het daarvoor noodzakelijk dat verdachte voorlopig wordt opgesloten, omdat op dit moment de veiligheid van haar kinderen niet op een andere manier voldoende is gegarandeerd. Maar ook dient de straf het doel om de norm te bevestigen dat wij (mensen, ouders) onze kinderen niet doden, ook niet in een moment van grote geestelijke nood. Het moet volstrekt duidelijk zijn dat ook van iemand die zich bevindt in de zeer trieste situatie waarin verdachte verkeerde, wordt verwacht dat ze hulp zoekt - al is het niet voor zichzelf, dan in ieder geval voor het kind – en dat het besluit om het kind mee te nemen in de dood nooit gerespecteerd of gemakkelijk vergeven kan worden. Dit is een zo fundamentele en zwaarwegende norm dat bestraffing van de overtreding ervan niet achterwege kan worden gelaten met een schouderophalen, omdat iemand nu eenmaal in een (gevoeld) uitzichtloze situatie verkeerde.

De rechtbank acht het gelet op alle voornoemde omstandigheden passend en noodzakelijk om aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van vier jaar. Deze straf doet recht aan de ernst van het feit en biedt tevens voldoende bescherming aan de kinderen van verdachte.

De rechtbank legt hiermee aan verdachte een veel langere gevangenisstraf op dan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft voor die situatie om heropening van het onderzoek ter terechtzitting verzocht. De rechtbank wijst dit verzoek van de raadsman af. De rechtbank ziet in het dossier en met name in voormelde rapportages van de deskundigen geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte niet in staat of geschikt zou zijn tot het ondergaan van een langdurige gevangenisstraf. Dat een langdurige gevangenisstraf grote gevolgen voor verdachte heeft, is de rechtbank verder volstrekt duidelijk.

Beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis

Ter bescherming van de kinderen van verdachte, in het bijzonder de (op dit moment nog ongeboren) tweeling, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven zodat verdachte vast komt te zitten.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk schriftelijk vastgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 oktober 2017.