Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7130

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
AMS 16/6734 en 17/166
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:618, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank zet een streep door de omgevingsvergunningen voor het slopen van de huidige Heineken Hoek en het bouwen van een nieuwe Heineken Hoek met hotel. Het algemeen bestuur was niet bevoegd de aanhouding van de sloopvergunning te beëindigen voordat de omgevingsvergunning voor de bouw onherroepelijk is. Deze bouwvergunning bevat zodanige gebreken dat het college zijn werk over moet doen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5187
JOM 2017/1028
OGR-Updates.nl 2017-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/6734 en 17/166

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 oktober 2017 in de zaken tussen

Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad (VVAB), te Amsterdam, eiseres

(advocaat: mr. J. Wijmans),

en

1. het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (het algemeen bestuur), (gemachtigde: mr. H.D. Hosper),

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(het college), (gemachtigde: mr. C.L. Brinks),

verweerders.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Caransa Groep B.V. (Caransa), te Amsterdam, vergunninghoudster

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Met het besluit van 11 april 2016 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur aan Caransa een omgevingsvergunning verleend voor het geheel slopen van het gebouw de Heineken Hoek (de sloopvergunning). Verder is met dit besluit de aanhouding van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen beëindigd.

Met het besluit van 14 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft het algemeen bestuur het bezwaar van de VVAB ongegrond verklaard.

Met het besluit van 29 november 2016 (het bestreden besluit II) heeft het college aan Caransa een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van het nieuwe gebouw de Heineken Hoek (de bouwvergunning).

De VVAB heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het algemeen bestuur en het college hebben verweerschriften ingediend.

Het beroep met zaaknummer 16/6734 tegen de sloopvergunning is door de enkelvoudige kamer behandeld op de zitting van 7 maart 2017. Namens de VVAB is daar verschenen

[naam 1] , bijgestaan door zijn advocaat. Het algemeen bestuur en Caransa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat het algemeen bestuur de beroepsgronden van de VVAB niet had ontvangen. De gronden zijn vervolgens doorgestuurd aan het algemeen bestuur. De rechtbank heeft verder bepaald dat het beroep tegen de sloopvergunning op een nader te bepalen datum zal worden behandeld samen met het beroep met zaaknummer 17/166 tegen de bouwvergunning door de meervoudige kamer van de rechtbank.

De zaken zijn daarna samen door de meervoudige kamer behandeld op de zitting van 11 juli 2017. Namens de VVAB zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun advocaat. Het algemeen bestuur en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Caransa heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Namens Caransa is verder verschenen [naam 3] , werkzaam bij de vastgoedafdeling van Heineken Nederland B.V.

Overwegingen

Leeswijzer

1. In deze uitspraak bespreekt de rechtbank de beroepen van de VVAB tegen de aan Caransa verleende sloop- en bouwvergunning. Na een algemene inleiding bespreekt de rechtbank eerst het beroep tegen de sloopvergunning. Het beroep tegen de bouwvergunning wordt daarna besproken.

2. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3. De zaken gaan over het gebouw de Heineken Hoek (Heineken Hoek) aan het Leidseplein 19/Kleine-Gartmanplantsoen 1-3 in Amsterdam. De Heineken Hoek is een orde 3 pand en ligt in een gebied dat is aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht en in de bufferzone van het UNESCO-werelderfgoed.1 Op de onderste verdiepingen van de Heineken Hoek zit een Grand Café. De bovenste verdiepingen van het pand worden gebruikt voor opslag.

4. Caransa wil op de plek van de Heineken Hoek een nieuwe Heineken Hoek bouwen en daarin een hotel met horecavoorzieningen vestigen. Om dit mogelijk te maken heeft Caransa op 1 juli 2015 een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van een nieuwe Heineken Hoek met de functies horeca en hotel en op 7 september 2015 een sloopvergunning voor het geheel slopen van de huidige Heineken Hoek.

De sloopvergunning

5. Het algemeen bestuur heeft op 19 november 2015 de beslissing op de aanvraag om de sloopvergunning aangehouden op grond van artikel 3.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De reden van de aanhouding is dat nog niet op de aanvraag om de bouwvergunning voor de nieuwe Heineken Hoek is beslist. Het algemeen bestuur heeft meegedeeld dat de aanhouding duurt totdat onherroepelijk op de aanvraag om de bouwvergunning is beslist.

6. Met het primaire besluit heeft het algemeen bestuur de aanhouding van de aanvraag beëindigd en aan Caransa de gevraagde sloopvergunning verleend. Ook is vergunning verleend voor het plaatsen van damwanden ten behoeve van het nieuwbouwproject ‘Heinekenhoek’ en het tijdelijk plaatsen van een bouwkeet en directieketen voor een periode van 18 maanden (tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden).

7. Met het bestreden besluit I heeft het algemeen bestuur het bezwaar van de VVAB ongegrond verklaard en het primaire besluit - onder aanvulling van de motivering - in stand gelaten. Voor de motivering van het besluit is verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 1 september 2016.

Aanhouding aanvraag sloopvergunning

8. De VVAB voert aan dat het algemeen bestuur in strijd met artikel 3.4, tweede lid, van de Wabo de aanhouding van de aanvraag om de sloopvergunning heeft beëindigd. Op de aanvraag om de bouwvergunning is namelijk nog niet onherroepelijk beslist.

9. De rechtbank volgt dit betoog en overweegt daartoe als volgt. Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag om een sloopvergunning is een bevoegdheid van het bestuursorgaan om af te wegen of een open gat in de bebouwing is gewenst.2 Het bestuursorgaan is dus niet verplicht om tot aanhouding over te gaan. Een beslissing om de sloopaanvraag voorlopig niet te behandelen zal vertraging voor de bouwwerkzaamheden opleveren. Om die reden zal het bestuursorgaan zorgvuldig moeten afwegen of dit middel moet worden ingezet. Het is dan ook redelijk te veronderstellen dat alleen wanneer het voor langere tijd creëren van een gat in het straatbeeld door het bestuursorgaan onaanvaardbaar wordt geacht, het in beginsel tot aanhouding over zal willen gaan. Blijkbaar heeft het algemeen bestuur ten aanzien van de Heineken Hoek geoordeeld dat op deze locatie een grote open ruimte in het straatbeeld –in afwachting van verlening van een bouwvergunning– onaanvaardbaar is. Uit artikel 3.4, tweede lid, van de Wabo volgt dan dat de aanhouding duurt totdat onherroepelijk op de aanvraag om de bouwvergunning is beslist. Immers, alleen wanneer die bouwvergunning onherroepelijk is, bestaat er zekerheid dat direct aansluitend aan de gehele sloop gestart kan worden met de bouwactiviteiten. Daarvan is in dit geval geen sprake. Voor het standpunt van het algemeen bestuur dat de aanhouding ook beëindigd kan worden in het geval een aanvraag om een bouwvergunning is ingediend, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de wettekst, in de totstandkoming daarvan, noch in de rechtspraak. Bovendien strookt dit standpunt niet met de hiervoor weergegeven gedachte achter de aanhouding. Met een ontvankelijke bouwaanvraag is immers nog niet zeker gesteld dat het aangevraagde bouwwerk uiteindelijk definitief vergund wordt. In geval van sloop blijft die onzekerheid voortduren en zou er al die tijd een gat in het straatbeeld zijn. De uitspraken waarnaar het algemeen bestuur verwijst zijn niet van belang, omdat in die zaken geen sprake was van aangehouden aanvragen.3 Het algemeen bestuur heeft in dit geval ten onrechte de aanhouding van de aanvraag beëindigd omdat er nog geen onherroepelijke bouwvergunning was verleend. Het algemeen bestuur was, gelet op het vorenstaande, niet bevoegd de aanhouding te beëindigen en de sloopvergunning te verlenen.

10. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit I wegens strijd met de wet. De rechtbank merkt daarbij op dat het beroep niet gericht is tegen het plaatsen van damwanden en bouw- en directieketen, maar dat deze onderdelen van het bestreden besluit I evenmin stand houden. Het slopen ziet namelijk mede op deze onderdelen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Dit heeft tot gevolg dat de beëindiging van de aanhouding daarmee ook is herroepen, zodat het aanhoudingsbesluit van 19 november 2015 herleeft. De rechtbank bepaalt verder dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I.

De kwaliteitstoets

11. De rechtbank ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om de beroepsgrond van de VVAB tegen het bestreden besluit I over de kwaliteitstoets alsnog ook te bespreken.

12. De VVAB voert aan dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) ten onrechte niet heeft geadviseerd over de sloopplannen. Volgens de VVAB is de kwaliteitstoets ten onrechte niet voorgelegd aan de CRK.

13. In het geval van een aanvraag tot sloop van een orde 3 pand worden een bouwhistorische verkenning en kwaliteitstoets uitgevoerd. De bouwhistorische verkenning is niet in geschil. De kwaliteitstoets wordt uitgevoerd om de waarde(n) van een pand te bepalen om zo te beoordelen of sloop mogelijk is. Namens het algemeen bestuur hebben [naam 4] en [naam 5] op 12 september 2012 een kwaliteitstoets uitgevoerd naar de Heineken Hoek. Uit hoofdstuk 3 van de Protocollen Bouwhistorische verkenning en Kwaliteitstoets (Protocollen) volgt dat elk voorstel voor sloop met de bouwhistorische verkenning en de kwaliteitstoets ter advisering wordt voorgelegd aan de CRK.4

14. Het algemeen bestuur heeft op de zitting van de rechtbank erkend dat dit ten onrechte niet is gebeurd. Dit gebrek in de totstandkoming van het besluit leidt in beginsel ook tot vernietiging van het bestreden besluit I. Het algemeen bestuur heeft dit gebrek in beroep hersteld door alsnog het advies van de CRK van 5 april 2017 over te leggen. De VVAB en Caransa hebben inhoudelijk op dit advies kunnen reageren. De rechtbank ziet daarom ruimte om het advies en de reacties daarop hier te bespreken, zodat het algemeen bestuur dit in een nieuw te nemen besluit op de sloopaanvraag kan betrekken.

15. De CRK heeft op 5 april 2017 advies uitgebracht over de sloopplannen van de Heineken Hoek en beoordeeld of sloop mogelijk is. De CRK ondersteunt de bevindingen uit de kwaliteitstoets dat de Heineken Hoek stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden bezit. De bouwhistorische en architectonische waarden zijn daarentegen nihil. Volgens de CRK is het kwaliteitsniveau van de genoemde waarden niet dermate hoog dat de Heineken Hoek in het beschermd stadsgezicht niet door nieuwbouw zou kunnen worden vervangen. De CRK concludeert dat de waarden die beschreven zijn in de kwaliteitstoets geen aanleiding geven om de Heineken Hoek te behouden en de mogelijkheid tot nieuwbouw uit te sluiten.

16. De VVAB voert aan dat de kwaliteitstoets in de weg staat aan vergunningverlening. Uit de toets komt naar voren dat het pand waarden bezit. De Heineken Hoek kan daarom niet gesloopt worden. De CRK is dan ook ten onrechte tot de conclusie gekomen dat dit wel kan.

17. Het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat de Heineken Hoek wel gesloopt kan worden. Van behoud kan worden afgezien, omdat de CRK heeft geconstateerd dat de waarden van het pand niet zodanig zijn dat sloop niet mogelijk is.

18. Het uitgangspunt bij orde 3 panden is behoud. De sloopvergunning wordt alleen verleend als uit de kwaliteitstoets en bouwhistorische verkenning naar voren komt dat het kwaliteitsniveau van alle genoemde waarden zodanig laag is dat het behoud van het bouwwerk niet te rechtvaardigen is.5 Het kwaliteitsniveau van de genoemde waarden bepaalt dan ook of van het uitgangspunt behoud kan worden afgeweken en of sloop/nieuwbouw mogelijk is. Dit betekent dus niet, zoals de VVAB stelt, dat een bouwwerk per definitie niet mag worden gesloopt als er bepaalde waarden zijn aangetroffen. De CRK heeft gemotiveerd geconcludeerd dat de aangetroffen waarden in de kwaliteitstoets geen aanleiding geven om de Heineken Hoek te behouden. Daarom kan het uitgangspunt worden verlaten. De CRK is terzake deskundig. Het algemeen bestuur mag in beginsel van het advies van de CRK uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. De VVAB heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd dat de conclusies van de CRK weerlegt. Verder is niet gebleken dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel dat dit andere gebreken vertoont.

19. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het algemeen bestuur kon concluderen dat het behoud van de Heineken Hoek niet te rechtvaardigen is. De kwaliteitstoets staat dus niet in de weg aan verlening van de sloopvergunning. Het algemeen bestuur mag zich bij een nieuw te nemen besluit dan ook baseren op dit advies.

Conclusie

20. Zoals in overweging 10 is overwogen, is het beroep tegen de sloopvergunning gegrond.

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het algemeen bestuur aan de VVAB het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

22. De rechtbank veroordeelt het algemeen bestuur in de door de VVAB gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde per punt van

€ 495,- en een wegingsfactor 1).

De bouwvergunning

23. Het ontwerpbesluit voor de bouwvergunning heeft van 8 juni 2016 tot en met 20 juli 2016 ter inzage gelegen. De VVAB heeft hiertegen een zienswijze ingediend.

24. Met het bestreden besluit II heeft het college aan Caransa de gevraagde bouwvergunning verleend voor het oprichten van het nieuwe gebouw ‘Heinekenhoek’ met in de kelder, op de begane grond en op de eerste verdieping behoud van de horecavoorziening en op de bovenliggende verdiepingen 36 hotelkamers met daarbij behorende entree op de begane grond en lobby op de eerste verdieping. Het college heeft de vergunning verleend voor bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan.6 De motivering hiervoor staat in de ruimtelijke onderbouwing bij dit besluit.

Verklaring van geen bedenkingen

25. De VVAB voert aan dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) is afgegeven door de gemeenteraad.

26. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit II heeft meegedeeld dat bij het verlenen van de bouwvergunning in afwijking van het bestemmingsplan geen vvgb is vereist op basis van de lijst van categorieën van gevallen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarbij ten onrechte verwezen naar het besluit van de stadsdeelraad van 21 februari 2012, omdat dit besluit door de wijziging van het bestuurlijk stelsel per 19 maart 2014 is vervallen. In beroep is alsnog duidelijk geworden dat het college zich op het standpunt stelt dat moet worden teruggevallen op het besluit van de gemeenteraad van 8 september 2010, zijnde de lijst van gevallen, bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Gelet op dit besluit is geen vvgb vereist als de aanvraag niet in strijd is met de Structuurvisie Amsterdam 2040 Economisch sterk en duurzaam (de Structuurvisie).

27. Het college heeft enkel gesteld dat er geen strijd is met de Structuurvisie en dat daarom geen vvgb is vereist. De VVAB heeft dit op de zitting gemotiveerd betwist en heeft betoogd dat de aanvraag op het onderdeel toerisme wat betreft de spreiding en de leefbaarheid en op het onderdeel hoogbouw in strijd is met de Structuurvisie. Ook hierop heeft het college slechts gereageerd met de stelling dat op deze onderdelen geen sprake is van strijd met de Structuurvisie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee niet afdoende draagkrachtig gemotiveerd dat er geen strijd is met de Structuurvisie en dat daarom geen vvgb is vereist. Omdat hierdoor onduidelijk is gebleven of alsnog een vvgb van de gemeenteraad is vereist, kan niet worden vastgesteld of het college (zelf) bevoegd was de bouwvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Op dit punt kleeft dus een gebrek aan de bouwvergunning. Gelet op dit motiveringsgebrek en mogelijk bevoegdheidsgebrek kan het bestreden besluit II evenmin in rechte standhouden, zodat de rechtbank dit besluit eveneens vernietigt. De rechtbank ziet, om proceseconomische redenen, aanleiding om hieronder de overige beroepsgronden van de VVAB te bespreken.

Welstand

28. De VVAB voert aan dat er geen deugdelijk welstandsoordeel aan het bestreden besluit II ten grondslag ligt. De CRK heeft namelijk ten onrechte niet de resultaten van de kwaliteitstoets bij haar advies betrokken.

29. De rechtbank stelt voorop dat bij welstandstoetsing als regel aan het advies van de welstandscommissie groot gewicht moet worden toegekend. Hoewel het college niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, mag hij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dit is alleen anders, indien het welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

30. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het welstandsadvies in de wijze van totstandkoming een zodanig gebrek vertoont dat het college dit niet in het bestreden besluit II aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. Anders dan de VVAB, is de rechtbank namelijk van oordeel dat de kwaliteitstoets geen rol speelt in het welstandsoordeel over de nieuwbouwplannen. Zoals de rechtbank in rechtsoverwegingen 13 en 18 heeft overwogen speelt deze toets een rol bij de sloopplannen. Aanknopingspunten dat de uitkomsten van de kwaliteitstoets ook bij het bouwplan voor de nieuwbouw betrokken moeten worden, zijn er niet. Het betoog van de VVAB dat uit pagina 4 onder c van de Protocollen volgt dat de aanvrager wordt verzocht uit te gaan van de aangetroffen (bouwhistorische) waarden, leidt niet tot een ander oordeel. Los van de omstandigheid dat deze formulering een grote mate van vrijblijvendheid impliceert, is deze waarde namelijk niet aangetroffen. Evenmin vormt de brief van ir. [naam ir] met het aanvullend advies van de CRK in het kader van de hoorzitting over de sloopvergunning aanleiding voor een ander oordeel. Hieruit volgt namelijk niet dat volgens de CRK de resultaten van de kwaliteitstoets meegenomen moeten worden in de beoordeling van het nieuwe bouwplan. Deze beroepsgrond van de VVAB slaagt dan ook niet.

Afwijking van het bestemmingsplan

31. Op de locatie geldt het bestemmingsplan Zuidelijke Binnenstad (het bestemmingsplan). Op de gronden rust de bestemming Horeca-1. Verder gelden er de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 3 en Waarde-Cultuurhistorie met de specifieke bouwaanduiding orde 3.

32. Niet in geschil is dat het oprichten van de Heineken Hoek in strijd is met de bouw- en gebruiksbepalingen van het geldende bestemmingsplan.7 Vast staat verder dat het college medewerking heeft verleend aan het afwijken van deze bepalingen. In geschil is de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen meewerken - voor zover het daartoe bevoegd was gelet op overweging 27 - aan het afwijken van het bestemmingsplan.

33. De beslissing om mee te werken aan het afwijken van het bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het college heeft daarbij beleidsvrijheid. De rechtbank moet de beslissing om af te wijken van het bestemmingsplan daarom terughoudend toetsen.8

34. De VVAB voert in de eerste plaats aan dat het bouwplan niet ruimtelijk en stedenbouwkundig inpasbaar is. Door het fors overschrijden van de bouw- en goothoogte met 23,12 en 18,76 meter en de hellingshoek van de kap gaat de historische gelaagdheid (de stedenbouwkundige structuur) van het Leidseplein en het Kleine-Gartmanplantsoen verloren. Het belang van het behoud hiervan heeft het college ten onrechte minder zwaar laten wegen dan het aansluiten van de bouwhoogte bij de naastgelegen panden (schaalvergroting).

35. Het college heeft in de ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd waarom hij afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat daarbij is stilgestaan bij de historische ontwikkeling van de locatie Leidseplein. Het plein heeft in de loop der jaren grote ruimtelijke en functionele veranderingen ondergaan waardoor het plein een duidelijke historische gelaagdheid kent. De bouwhoogte van de huidige Heineken Hoek sluit niet aan bij de huidige ruimtelijke situatie rondom het Leidseplein. Het vormt namelijk een uitzondering ten opzichte van de andere hoeken van het plein. Daarom is ervoor gekozen om de bouwhoogte en kapvorm en hellingshoek aan te laten sluiten bij de hoogten van het voormalige politiebureau aan het Leidseplein en de panden aan het Kleine-Gartmanplantsoen. Deze schaalvergroting is passend in stedenbouwkundige zin omdat het aansluit bij de schaalvergroting van het Leidseplein die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden. Het belang van het aansluiten bij het huidige gebruik en de huidige stedenbouwkundige ruimte van het Leidseplein weegt dus zwaarder dan het behoud van de oorspronkelijke hoogte en schaal van het gebouw.

36. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee voldoende gemotiveerd waarom het belang bij het zoeken van aansluiting bij enerzijds de (hoek)panden aan het Leidseplein en anderzijds de lagere bebouwing aan het Kleine-Gartmanplantsoen zwaarder weegt dan behoud van de huidige stedenbouwkundige structuur van het Leidseplein. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan te sluiten bij de hoogte en kapvorm van de buurpanden aan het Leidseplein en Kleine-Gartmanplantsoen en dus in beginsel medewerking heeft kunnen verlenen aan het afwijken van de bouwregels van het bestemmingsplan.

Het hotelbeleid

37. De VVAB voert ook aan dat de vestiging van een hotel in strijd is met het hotelbeleid. In dit verband voert de VVAB allereerst aan dat het hotelinitiatief alleen doorgang kan vinden als sprake is van een uniek hotelconcept. Daarvan is volgens de VVAB geen sprake.

38. De rechtbank stelt vast dat het college voor de afweging om mee te werken aan het afwijken van het bestemmingsplan voor een hotel beleid heeft ontwikkeld. Het gaat om het Hotelbeleid Binnenstad 2012-2015 (het hotelbeleid). Dit beleid is aangescherpt in de Nota grenzen aan het hotelbeleid (de nota). De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan in overeenstemming met zijn beleidsregels moet besluiten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

39. In het hotelbeleid is opgenomen dat het college alleen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van een bestemmingsplan als het gaat om een hotelinitiatief in de gebieden die in paragraaf 4.2 worden genoemd op de uitzonderingen in paragraaf 4.3 na. Het Leidseplein & omgeving is een van de uitzonderingen. In beginsel werkt het college niet mee aan hotelontwikkeling in dit gebied. Alleen voor hotelinitiatieven die naast de algemene beleidsregels ook voldoen aan de aanvullende voorwaarden, kan het college gebruik maken van zijn afwijkingsbevoegdheid. In de nota zijn aanvullende en aangescherpte beleidsregels geformuleerd aan de hand van de huidige situatie in de vijf gebieden in het Centrum en het beleid voor tophotels en unieke initiatieven. Volgens de nota wordt geen medewerking verleend aan nieuwe hotelconcepten behalve aan in de nota genoemde lopende initiatieven. In hoofdstuk 5 van de nota voor gebied Zuid staat geschreven dat gesprekken gaande zijn met de eigenaren van Kleine-Gartmanplantsoen 1-3 (Heineken Hoek). Het initiatief wordt getoetst aan het vigerende hotelbeleid.

40. Anders dan de VVAB, is de rechtbank met het college van oordeel dat met ‘het vigerende hotelbeleid’ het Hotelbeleid 2012-2015 wordt bedoeld en niet het criterium van het unieke hotelconcept. Uit het beleid volgt namelijk dat het initiatief moet worden aangemerkt als een lopend initiatief dat onder de uitzondering Leidseplein & omgeving valt. Dit betekent dat het initiatief moet voldoen aan de algemene en aanvullende regels van het hotelbeleid. Dat dit beleid volgens de VVAB niet te verenigen is met de belangen die ten grondslag liggen aan de nota, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het hotelbeleid buiten toepassing te laten.

41. De VVAB voert verder aan dat niet is voldaan aan de beleidsregels van het hotelbeleid. Zo heeft het college volgens de VVAB als eerste onvoldoende onderbouwd waarom geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat.

42. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de toets naar de druk die de nieuwe hotelfunctie op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving legt, beperkt is tot een verkeersonderzoek van [naam 6] van [naam onderzoeksbureau] van januari 2016 en een onderzoek naar geluidshinder veroorzaakt door technische installaties. De rechtbank stelt met de VVAB vast dat niet in de besluitvorming kenbaar is gemaakt of ook een onderzoek heeft plaatsgevonden naar andere aan hotels eigen vormen van overlast zoals zwerfvuil en grote aantallen bezoekers en naar de druk van de functies van de omliggende panden op het woon- en leefmilieu. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom onvoldoende gemotiveerd dat het hotelinitiatief niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat, zoals het op grond van het eigen beleid wordt geacht te doen. Het bestreden besluit II is op dit punt dus onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond van de VVAB slaagt daarom.

43. Volgens de VVAB is ook niet voldaan aan de beleidsregel over de parcellering & architectonische kwaliteit, omdat het college niet heeft onderbouwd dat voldaan is aan de eis dat de bebouwing dient te passen binnen de parcellering (indeling van percelen) van de te slopen panden.

44. In het bestreden besluit II is niet ingegaan op deze beleidsregel. Op de zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voldaan is aan dit criterium. Volgens het college is het doel van de regeling dat bij sloop/nieuwbouw de bestaande korrelgrootte van de bebouwing behouden blijft. De parcellering van de bestaande drie panden is vooral aan de binnenkant rudimentair herkenbaar. Dit betekent dat niet meer goed herkenbaar is dat sprake is van drie verschillende panden, waardoor het college de Heineken Hoek als één pand beschouwt. Daarom mag er bij sloop één groot nieuw gebouw terugkomen. Dit nieuwe gebouw past namelijk binnen de bestaande parcellering.

45. De rechtbank overweegt dat in de toelichting bij deze beleidsregel is opgenomen dat het afwijken van het bestemmingsplan voor een hotel niet tot gevolg mag hebben dat de karakteristiek van het stadsbeeld in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de stedenbouwkundige structuur in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de toelichting op zitting onvoldoende gemotiveerd waarom in het kader van het afwijken voor een hotel het nog steeds aanvaardbaar is dat de stedenbouwkundige structuur van de panden wordt aangetast. Het college heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat het hotelinitiatief de parcellering en architectonische kwaliteit van de bebouwing en het perceel niet aantast. Nu deze aanvullende ruimtelijke vereisten in het hotelbeleid zijn opgenomen, is het college gehouden - de voorwaarden in - dit beleid ook na te leven. Dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die afwijken van dit beleid rechtvaardigen is niet gesteld, noch anderszins gebleken. Het bestreden besluit II is dus ook op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond van de VVAB slaagt daarom ook.

46. Tot slot voert de VVAB aan dat ook niet is voldaan aan de aanvullende voorwaarde dat het initiatief de diversiteit van het bestaande hotelaanbod in het gebied Leidseplein & omgeving verbetert.

47. Het college heeft bij de hotelloods van de gemeente Amsterdam advies ingewonnen om te beoordelen of het initiatief voldoet aan deze voorwaarde. De hotelloods heeft een beschrijving van het initiatief en een document van de architecten over de herontwikkeling van de Heineken Hoek bestudeerd. De hotelloods heeft op 10 mei 2016 een advies uitgebracht. De conclusie van het advies is dat het hotel een positieve bijdrage levert aan de diversiteit van het hotelaanbod op- en rondom het Leidseplein en dat het met de beoogde viersterren classificatie kwalitatief hoogwaardig is. Volgens de hotelloods is het hotel niet meer van hetzelfde, maar voegt het iets nieuws toe aan de omgeving en de hotelmarkt. De VVAB heeft geen tegenrapport ingebracht. Met de stelling dat er in de omgeving van de Heineken Hoek meerdere viersterrenhotels liggen die jongeren als doelgroep hebben, is de conclusie van het advies onvoldoende weerlegd. De uitspraak waarnaar de VVAB verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak is niet relevant, omdat in die uitspraak sprake was van een andere casus.9 Het college heeft dan ook kunnen concluderen dat is voldaan aan de aanvullende voorwaarde van de diversiteit. Deze beroepsgrond van de VVAB slaagt dus niet.

Conclusie

48. Uit de overwegingen 27, 42 en 45 volgt dat het beroep van de VVAB tegen de bouwvergunning gegrond is. De rechtbank vernietigt om die reden het bestreden besluit II. Omdat nog onduidelijk is of het college bevoegd was het bestreden besluit II te nemen en of het initiatief voldoet aan de eisen van het hotelbeleid, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat het college moet stilstaan bij de vraag of sprake is van strijd met de Structuurvisie op de genoemde onderdelen toerisme en hoogbouw en in het verlengde daarvan of een vvgb is vereist. Verder zal het college nader moeten motiveren waarom op de punten van het woon- en leefklimaat en de eis van de parcellering aan het hotelbeleid is voldaan.

49. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college aan de VVAB het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

50. De rechtbank veroordeelt het college in de door de VVAB gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 742,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat de zaken samen op de zitting van

11 juli 2017 zijn behandeld, kent de rechtbank voor het verschijnen op de zitting 0,5 punt toe.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond, herroept dit besluit en bepaalt dat deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep tegen de sloopvergunning in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep tegen de bouwvergunning;

  • -

    draagt het algemeen bestuur op het betaalde griffierecht van € 334,- aan de VVAB te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 333,- aan de VVAB te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het algemeen bestuur in de proceskosten van de VVAB tot een bedrag van € 1.237,50;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van de VVAB tot een bedrag van

€ 742,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.W. Vriethoff en

mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. C.M. Fleuren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage - Juridisch kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

g. het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald,

h. het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan: (…)

3º. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 2.16

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, kan de omgevingsvergunning worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 2.27

1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Artikel 3.4

1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, kan het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht de beslissing aanhouden, indien voor een bouwwerk dat zal worden gebouwd in plaats van het te slopen bouwwerk, een omgevingsvergunning is aangevraagd, maar op die aanvraag nog niet is beslist.

2. In een geval als bedoeld in het eerste lid duurt de aanhouding totdat onherroepelijk op de aanvraag om de omgevingsvergunning is beslist.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.5

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

2. (…)

3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

De planregels

Artikel 21 - Horeca 1

Artikel 21.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden zijn bestemd, voor zover van belang, voor horeca 2 (discotheken en sociëteiten) en horeca 3 (cafés en eetcafés) en 4 (restaurants, lunchrooms, koffiehuizen en ijssalons).

Artikel 21.2.5 Maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen orde 1, 2 en 3

a. De goothoogte van gebouwen die op de verbeelding zijn aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding - orde 1’ of ‘specifieke bouwaanduiding - orde 2’ of ‘specifieke bouwaanduiding - orde 3’ bedraagt ten hoogste de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande goothoogte.

b. De bouwhoogte van gebouwen die op de verbeelding zijn aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding - orde 1’ of ‘specifieke bouwaanduiding - orde 2’ of ‘specifieke bouwaanduiding - orde 3’ bedraagt ten hoogste de ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande bouwhoogte.

21.2.8 Dakbeëindiging

a. De bovenste bouwlaag van een gebouw dient vanaf de goot binnen een hellingshoek van ten hoogste 60 graden, gemeten vanaf de zijgevels of van de voor- en achtergevel, te worden gebouwd.

Artikel 21.4.7 Maximale goot- en bouwhoogte orde 3

Het dagelijks bestuur is bevoegd om bij omgevingsvergunning af te wijken van deze hoogten tot een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 11 en 13 meter.

21.7.2 Horeca 5 (hotel)

Het dagelijks bestuur is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening de bestemming ‘Horeca-1’ te wijzigen in die zin dat gebruik als horeca 5 (hotel) wordt toegestaan.

Van de wijzigingsbevoegdheid kan gebruik worden gemaakt indien en nadat, met inachtneming van het geldende hotelbeleid, een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwvestiging of uitbreiding van horeca 5 (hotel) onherroepelijk is verleend en uitgevoerd.

Artikel 36 Dubbelbestemming Waarde-cultuurhistorie

Artikel 36.3 Omgevingsvergunning voor sloop in beschermd stadsgezicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het dagelijks bestuur, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub h van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.

Het dagelijks bestuur neemt bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning het volgende in acht:

(…)

b. Bouwwerken die met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – orde 3’ op de verbeelding zijn aangegeven zijn bouwwerken van vóór 1970, die wat schaal en detaillering betreft passen in de gevelwand, maar geen architectonische of stedenbouwkundige meerwaarde hebben. In geval van een aanvraag tot sloop van een bouwwerk met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – orde 3’ wordt namens het dagelijks bestuur een bouwhistorische verkenning en een kwaliteitstoets uitgevoerd. Getoetst wordt de mate van bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden. Uitgangspunt is behoud. De vergunning tot sloop wordt slechts verleend indien uit de toets en de verkenning naar voren komt dat het kwaliteitsniveau van alle genoemde waarden zodanig laag is dat behoud van het bouwwerk niet te rechtvaardigen is.

1 Het pand bestaat uit drie samengevoegde orde 3 panden.

2 Artikel 3.4, eerste lid, van de Wabo.

3 Uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 december 2004, ECLI:NL:RBZLY:2004:AR7258 en uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 januari 2004, ECLI:NL:RBHAA:2004:AO2328.

4 De protocollen zijn op 5 oktober 2010 vastgesteld.

5 Dit volgt uit artikel 36.3, aanhef en onder b, van de planregels, hoofdstuk 3 van de Protocollen en uit de Welstandsnota ‘De schoonheid van Amsterdam 2013’.

6 Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo.

7 Zo is het vestigen van een hotel en het bouwen met een afwijkende goot- en bouwhoogte in strijd met het bestemmingsplan.

8 Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4771.

9 Uitspraak van deze rechtbank van 24 mei 2017 over het Soho House, ECLI:NL:RBAMS:2017:3727.