Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
NL17.2988
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) mocht een Azerbeidzjaan asiel weigeren. De man uit Azerbeidzjaan wordt – naar eigen zeggen – gezocht door de autoriteiten vanwege zijn broer, die een hoge functie bij een oppositiepartij bekleedde en politiek asiel kreeg in de VS in 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.2988

V-nummer: 281.987.5258

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1989, burger van Azerbeidzjan, eiser

(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

In het besluit van 18 mei 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen. Op 12 juni 2017 heeft de rechtbank eisers beroepschrift ontvangen. Op 5 juli 2017 heeft eiser gronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was M.A.A. Priem, tolk Turks, op de zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Inleiding

1.1

Eiser heeft op 6 november 2015 de voorliggende asielaanvraag ingediend. Hij heeft in dat kader het volgende aangevoerd.

Eiser is etnisch Turk en moslim. Hij woonde in de stad [plaats] bij zijn grootouders. Eisers ouders wonen in [plaats] . Ook heeft eiser een zus, die afwisselend in [plaats] en [plaats] woont. Eisers broer [broer] woont sinds 2005 in de Verenigde Staten (VS). Hij is daar toegelaten als politiek vluchteling omdat hij problemen had met de Azerbeidzjaanse autoriteiten. [broer] was destijds namelijk coördinator/vicevoorzitter van de organisatie/oppositiepartij Yeni Fikir. [broer] vriend [naam ] was uitvoerder. Ook die heeft verblijf in de VS gekregen. Als gevolg van [broer] politieke activiteiten is eisers vader in functie gedegradeerd. Ook eiser heeft problemen gekregen. Tussen 2006 en 2008 werd hij herhaaldelijk geweigerd door Azerbeidzjaanse universiteiten. Om die reden heeft hij van 2011 tot 2015 gestudeerd in het Turkse deel van Cyprus. Tijdens zijn studie werd eiser zelf politiek actief, namelijk vanaf 2012. Hij plaatste zijn mening op sociale media en betuigde zijn steun aan [broer] en [naam ] . Omdat hij eerst minderjarig was en vervolgens niet aanwezig was in Azerbeidzjaan – op de zomerperiode na – is hij tot aan augustus 2015 nooit verhoord door de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Na afronding van zijn studie is eiser teruggekeerd naar Azerbeidzjaan. Hij is toen bij aankomst op het vliegveld op 2 augustus 2015 voor een half uur of drie kwartier verhoord door de geheime dienst. Daarna is hij op 7 of 8 augustus 2015 in [plaats] , en op 25 augustus 2015 in [plaats] , door de politie verhoord. De laatste keer dat hij door de politie is verhoord was op 10 of 11 oktober 2015 in een Bandotel (martelkamer) in Baku . Hij is toen 2,5 uur verhoord, maar niet mishandeld. Wel is hij voor een nacht gevangen gehouden. De volgende dag is hij vrijgelaten. Eiser denkt dat dit komt omdat in die periode de verkiezingen gaande waren en de autoriteiten daarom geen problemen wilde maken. Hij heeft een visum aangevraagd voor Nederland en heeft op 2 november 2015 Azerbeidzjaan verlaten via het vliegveld in Baku . Hij is bij zijn vertrek gecontroleerd. Daarbij is zijn paspoort gekopieerd, maar kon hij – ondanks dat eiser ook drie keer is gedagvaard – zonder problemen het land verlaten. Op 3 november 2015 is eiser in Nederland aangekomen.

1.2

In het bestreden besluit heeft verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (element 1) geloofwaardig geacht. De negatieve belangstelling van de autoriteiten in de periode 2003 tot 2 augustus 2015 (element 2) heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht. De ondervragingen en problemen na eisers terugkeer in Azerbeidzjan heeft verweerder ook ongeloofwaardig geacht (element 3). Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gronden die op basis van het Vluchtelingenverdrag of op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden tot een asielvergunning zouden moeten leiden.

Beoordeling

2.1

Eiser vindt dat verweerder de elementen 2 en 3, dus zowel de negatieve belangstelling van de Azerbeidzjaanse autoriteiten van 2003 tot 2 augustus 2015 als de problemen vanaf 2 oktober 2015 geloofwaardig had moeten achten. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat zijn broer [broer] tegenstander is van de Azerbeidzjaanse autoriteiten. De Azerbeidzjaanse autoriteiten willen [broer] met zijn activiteiten laten stoppen door eiser problemen te bezorgen. Ook willen de Azerbeidzjaanse autoriteiten [broer] als staatsvijand neerzetten en om dat voor elkaar te krijgen, moet eiser belastende verklaringen over [broer] afleggen. Ook willen zij eiser als staatsvijand neerzetten omdat ook hij politiek actief was door zijn mening te uiten op sociale media.

2.2.1

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verklaard dat hij in de periode 2003 tot 2 augustus 2015 niet door de autoriteiten is ondervraagd. Hij hoefde ook niet in militaire dienst en hij kreeg in 2010 een paspoort. Ook kon hij zonder problemen in Cyprus studeren tussen 2011 en 2015. Verder is gebleken dat eiser tijdens de zomermaanden zonder problemen heen en weer reisde tussen Cyprus en Azerbeidzjan en in de jaren 2012, 2013 en 2014 steeds ruim drie maanden zonder problemen in Azerbeidzjan verbleef. Dat eiser bedreigingen ontving via sociale media omdat hij daar zijn mening gaf, heeft hij niet onderbouwd. Het geplaatste bericht op Instagram dat eiser in beroep heeft overgelegd, doet daar niet aan af. De naam komt niet overeen met die van eiser en het dateert van 2017 terwijl eiser heeft verklaard dat hij sinds 2012 al politiek actief was en bedreigingen ontving. Gelet op het voorgaande mocht verweerder dan ook stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser van 2003 tot 2 augustus 2015 in de negatieve belangstelling van de Azerbeidzjaanse autoriteiten heeft gestaan.

2.2.2

Ook heeft verweerder mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser vanaf 2 oktober 2015 problemen heeft ondervonden van de Azerbeidzjaanse autoriteiten. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser heeft verklaard dat de ondervraging op 10 of 11 oktober 2015 de reden was dat hij een visum heeft aangevraagd om Azerbeidzjan te verlaten, terwijl uit EUVIS blijkt dat eiser al vóór de ondervraging tot twee keer toe een visum heeft aangevraagd bij de Franse ambassade in Baku (16 september en 5 oktober 2015). Eisers stelling dat hij het visum waarmee hij Nederland is ingereisd en de andere visa heeft aangevraagd vanwege alle ondervragingen en niet alleen die van 10 of 11 oktober 2015, volgt de rechtbank niet. Dat verklaart namelijk niet waarom eiser Azerbeidzjan pas op 2 november 2015 heeft verlaten, terwijl het voor Nederland gebruikte visum al geldig was vanaf 14 oktober 2015. Verder is eiser ook nog eens gecontroleerd bij zijn uitreis en hij heeft daarbij geen problemen ondervonden. Eisers stelling dat zijn paspoort is gekopieerd, terwijl dat normaalgesproken niet wordt gedaan, heeft hij niet onderbouwd. Eiser heeft ook verklaard dat hij wordt verdacht van het overtreden van artikel 281, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, waar een gevangenisstraf van vijf tot acht jaar voor staat. Gelet hierop kan eisers stelling dat hij geen problemen heeft ondervonden bij de uitreis omdat hij één dag na de verkiezingen is uitgereisd, hem dan ook niet baten.

2.3.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder al in het voornemen heeft tegengeworpen dat eiser de familieband met zijn broer [broer] niet heeft onderbouwd. Om de familieband alsnog te onderbouwen heeft eiser in beroep een viertal documenten in kopie overgelegd: een brief van het UNHCR van 27 april 2008, een brief van de ambassade van de VS van 7 augustus 2008, waarin aan [broer] een vluchtelingenstatus is verleend, de geboorteakte van [broer] van [geboortedatum] en het VS-paspoort van [broer] van 2 september 2014. Eisers stelling dat hij hiermee de familieband voldoende aannemelijk gemaakt, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld betreffen het kopieën. Gelet op de datum van het voornemen (1 maart 2017) lag het op eisers weg om (eerder) originelen te verkrijgen. Nog los van het voorgaande heeft verweerder – gelet op 2.2.1 en 2.2.2 – niet ten onrechte op de zitting gesteld dat zelfs als de familieband wordt aangenomen, het niet aannemelijk is dat eiser problemen heeft ondervonden die verband houden met [broer] .

2.3.2

Eiser heeft ten behoeve van zijn asielaanvraag nog andere documenten overgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder de brief van 14 september 2015 en de dagvaardingen van 8 en 12 oktober 2015 heeft voorgelegd aan het Bureau Documenten voor onderzoek naar de echtheid, maar dat was niet mogelijk wegens gebrek aan referentiemateriaal. Anders dan eiser stelt, was verweerder op basis van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 juli 2010 inzake N. tegen Zweden (23505/09) niet gehouden om voor referentiemateriaal te zorgen of een individueel onderzoek te laten uitvoeren. Op basis van eisers verklaringen is het immers al niet aannemelijk dat hij problemen heeft ondervonden van de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Bovendien heeft verweerder ook de geloofwaardigheid van de voornoemde stukken beoordeeld. In dat kader heeft verweerder terecht gesteld dat eiser wat betreft de dagvaarding van 8 oktober 2015 heeft verklaard dat daarin stond dat hij het land was ontvlucht, terwijl dat niet in die dagvaarding staat. Overigens staat het ook niet in de twee andere documenten. Eiser had bovendien zelf onderzoek, een contra-expertise, kunnen laten doen naar de documenten.

2.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte de elementen 2 en 3 ongeloofwaardig geacht.

Conclusie

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, in aanwezigheid van mr. C.B.M. Steeghs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: CSt

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.