Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:707

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
C/13/621176 / KG ZA 16-1542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Kort geding. Executiegeschil. Samenlevingsovereenkomst is niet (buitengerechtelijk) ontbonden. De (grosse van de) notariële akte levert een executoriale titel op voor de vordering tot betaling van alimentatie. Geen reden om de executie te schorsen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/621176 / KG ZA 16-1542 AB/MN

Vonnis in kort geding van 8 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 6 januari 2017,

advocaat mr. M.K. de Menthon Bake te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.C. Burger te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 25 januari 2017 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. [eiser] heeft producties in het geding gebracht. [gedaagde] heeft producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren partijen met hun raadslieden aanwezig.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben twee (thans nog) minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

Op 26 april 2013 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

Gezamenlijk ouderlijk gezag

2.1.

(…) Partijen zullen zo spoedig mogelijk na ondertekening van deze overeenkomst bevorderen dat [eiser] mede wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. [gedaagde] zal hiertoe tezamen met deze overeenkomst ondertekenen het formulier ‘Verzoek tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over een minderjarige’(bijlage 1), aan [eiser] overhandigen (…). Ten aanzien van de eventuele andere kinderen die uit de relatie van partijen zullen worden geboren, zal [gedaagde] zo spoedig mogelijk na de bevalling bevorderen dat [eiser] mede wordt belast met het ouderlijk gezag over dat kind.
(…)

8. Partneralimentatie

(…)

8.3.

De behoefte van [gedaagde] aan een onderhoudsbijdrage stellen partijen vast op honderdduizend euro (€ 100.000,00) bruto per jaar minus de redelijkerwijs door [gedaagde], al dan niet via een bedrijf, te genieten eigen inkomsten. Partijen stellen vast dat [gedaagde] in redelijkheid eigen inkomsten kan genieten van minimaal:
- tweeduizend vijfhonderd euro (€ 2.500,00) bruto per maand, althans dertigduizend euro (€ 30.000,-) bruto per jaar, in het eerste jaar na beëindiging van de samenwoning;

- drieduizend euro (€ 3.000,-) bruto per maand, althans zesendertigduizend euro (€ 36.000,00) bruto per jaar, in het tweede jaar na beëindiging van de samenwoning;

- drieduizend vijfhonderd euro (€ 3.500,00) bruto per maand, althans tweeënveertigduizend euro (€ 42.000,00), bruto per jaar, in het derde jaar na beëindiging van de samenwoning;

- vierduizend euro (€ 4.000,00) bruto per maand, althans achtenveertigduizend euro (€ 48.000,00) per jaar, in het vierde en de daarop volgende jaren na beëindiging van de samenwoning.

In de, eventueel, resterende aanvullende behoefte van [gedaagde] zal [eiser] voorzien door de werkelijke inkomsten van [gedaagde] aan te vullen tot genoemde honderdduizend euro (€ 100.000,00) bruto. De aanvulling zal maximaal bedragen het verschil tussen de genoemde honderdduizend euro (€ 100.000,00) bruto en de hierboven vermelde redelijkerwijs te genieten eigen inkomsten van [gedaagde], ongeacht of de genoemde verdiencapaciteit van [gedaagde] daadwerkelijk wordt gerealiseerd. (…)

2.3.

Bij e-mailbericht van 18 juni 2015 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat hij de samenlevingsovereenkomst ontbindt, omdat [gedaagde] het formulier ‘Verzoek tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over een minderjarige’ ten behoeve van hun dochter [minderjarige 2] niet ondertekend aan hem heeft teruggestuurd.

2.4.

Nog in juni 2015 hebben partijen hun relatie beëindigd. Op 5 juli 2015 heeft [gedaagde] de woning met de twee kinderen verlaten.

2.5.

In e-mailcorrespondentie van 9 tot 17 juli 2015 hebben partijen tijdelijke afspraken gemaakt voor de duur van één jaar over de alimentatie en een omgangsregeling voor de kinderen .

2.6.

Sinds augustus 2015 zijn beide partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun twee kinderen.

2.7.

Bij e-mailbericht van 14 juli 2016 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om de in de samenlevingsovereenkomst neergelegde afspraken over de partner- en kinderalimentatie per 1 augustus 2016 na te komen.

2.8.

Op 23 december 2016 heeft [gedaagde] (de grosse van) de notariële akte van 26 april 2013 (de samenlevingsovereenkomst) laten betekenen aan [eiser]. [eiser] is aangezegd om binnen twee dagen een bedrag van € 19.581,18 te betalen aan achterstallige alimentatie (over de periode van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2017) en aan nog te vervallen partner- en kinderalimentatie en een onderhoudsbijdrage voor de hond(en) vanaf 1 januari 2017. Tevens heeft [gedaagde], op basis van deze notariële akte, executoriaal beslag laten leggen op het vermogen van [eiser].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - [gedaagde] te veroordelen om de genomen executiemaatregelen jegens hem te staken, gestaakt te houden en ongedaan te maken, alsmede de jegens hem gelegde executoriale beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert [eiser] om [gedaagde] in de proceskosten en nakosten van deze procedure te veroordelen, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat hij de samenlevingsovereenkomst op 18 juni 2015 heeft ontbonden zodat [gedaagde] geen aanspraak (meer) kan maken op de financiële bijdragen zoals vermeld in de artikelen 8 tot en met 10 van die overeenkomst. Bovendien heeft [eiser] tot en met december 2016 uitvoering gegeven aan de op 17 juli 2015 tussen partijen gemaakte afspraken en heeft [gedaagde] geen aanleiding om te veronderstellen dat hij vanaf januari 2017 niet langer zal voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen. Het executeren van de samenlevingsovereenkomst is dan ook onrechtmatig en moet worden gestaakt. Daarnaast stelt [eiser] dat de grosse van de samenlevingsovereenkomst voor wat betreft de partneralimentatie geen executoriale titel is in de zin van artikel 430, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De akte vermeldt immers niet de grootte van het verschuldigde bedrag en ook niet de manier waarop dit bedrag kan worden vastgesteld. De “eventueel, resterende aanvullende behoefte” van [gedaagde] is niet bepaalbaar. Bovendien staan de door [gedaagde] in een jaar te genieten inkomsten niet vast. Dit betekent dat [gedaagde] niet bevoegd is om op grond van de grosse van de samenlevingsovereenkomst executiemaatregelen jegens [eiser] te treffen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst de vraag of [eiser] bevoegd was om de samenlevingsovereenkomst op 18 juni 2015 (buitengerechtelijk) te ontbinden.

4.2.

Volgens artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van zijn verplichtingen de schuldeiser de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Volgens artikel 6:82 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

4.3.

Vast staat dat [gedaagde] de in artikel 2.1 van de samenlevingsovereenkomst neergelegde verplichting om - kort gezegd - zo spoedig mogelijk na de bevalling ervoor te zorgen dat [eiser] mede werd belast met het ouderlijk gezag over hun dochter [minderjarige 2], niet is nagekomen. [eiser] heeft haar bij e-mailbericht van 16 juni 2015 in gebreke gesteld en heeft verzocht om uiterlijk de volgende dag (17 juni 2015) het formulier ‘Verzoek tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over een minderjarige’ ten behoeve van hun dochter [minderjarige 2] te ondertekenen en samen met een kopie van haar legitimatiebewijs aan hem terug te sturen. [gedaagde] heeft niet op 17 juni 2015 aan dit verzoek voldaan.

4.4.

Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat zij altijd van plan is geweest om [eiser] ook het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] te geven, maar dat de relatieproblemen inmiddels zo hoog waren opgelopen dat zij de voorwaarde heeft gesteld dat zij daar eerst aan zouden werken - door met een derde te praten - voordat het gezag zou worden geregeld. Uiteindelijk is het partijen niet gelukt hun problemen op te lossen en is hun relatie in juni 2015 beëindigd. Kort na deze breuk -te weten op 6 augustus 2015- heeft [gedaagde] geregeld dat [eiser] mede werd belast met het gezag over [minderjarige 2].

4.5.

Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat de bodemrechter van oordeel zal zijn dat deze (geringe) tekortkoming de ontbinding van de gehele samenlevingsovereenkomst rechtvaardigt (met als gevolg dat [eiser] niet meer aan zijn alimentatieverplichtingen zou hoeven te voldoen).
Nu de samenlevingsovereenkomst niet is ontbonden, kan [gedaagde] aanspraak maken op de financiële bijdragen zoals vermeld in (de artikelen 8 tot en met 10 van) die overeenkomst.

4.6.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de (grosse van de) notariële akte van 26 april 2013 -te weten de samenlevingsovereenkomst- kan dienen als executoriale titel in de zin van artikel 430 van Rv voor wat betreft de vordering tot betaling van de partneralimentatie.

4.7.

Aan de grosse van een authentieke akte komt slechts executoriale kracht toe met betrekking tot op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen, alsmede met betrekking tot toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. In het geval de akte wel betrekking heeft op één of meer vorderingen, die aan de genoemde vereisten voldoen, maar niet de grootte van het verschuldigde bedrag vermeldt, is de grosse van de akte niettemin voor tenuitvoerlegging vatbaar, wanneer deze de weg aangeeft langs welke op voor de schuldenaar bindende wijze de grootte van het verschuldigde bedrag kan worden vastgesteld, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs van de schuldenaar (Hoge Raad van 26 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0646 en Hoge Raad van 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889).

4.8.

[gedaagde] vordert betaling van achterstallige alimentatie vanaf 1 augustus 2016 tot 1 januari 2017 alsmede betaling van alimentatie vanaf 1 januari 2017. De grootte van deze vordering wordt vastgesteld door de afgesproken onderhoudsbehoefte van [gedaagde] van € 100.000,- per jaar te verminderen met de daadwerkelijke inkomsten van [gedaagde], maar in elk geval met € 36.000,- tijdens het tweede jaar, met € 42.000,- tijdens het derde jaar en met € 48.000,- tijdens het vierde jaar na beëindiging van de samenwoning. Deze bedragen worden (met ingang van 1 januari 2014) vermeerderd met een jaarlijkse indexering naar analogie van het bepaalde in artikel 1:402a BW. Daarbij ligt het op de weg van [gedaagde] om (steeds) gespecificeerd en met bewijsstukken gestaafd aan te tonen wat haar daadwerkelijke inkomsten zijn.

4.9.

Niet is gebleken dat [gedaagde] gedurende de periode van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2017 inkomsten uit arbeid ontving, zodat aannemelijk is dat zij in elk geval tot 1 januari 2017 een inkomen had van minder dan € 36.000,- per jaar (nog te vermeerderen met de jaarlijkse indexering). Verder staat vast dat [gedaagde] vanaf 9 januari 2017 inkomsten uit arbeid ten bedrage van € 36.000,- bruto per jaar ontvangt. Van overige inkomsten vanaf 1 januari 2017 is onvoldoende gebleken. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] inkomsten ontvangt uit de verhuur van twee appartementen aan de [adres], maar [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat de verhuuropbrengst nagenoeg geheel opgaat aan onderhouds- en/of verbouwingswerkzaamheden, waardoor zij die inkomsten niet kan gebruiken voor haar levensonderhoud. Ook is niet zeker of [gedaagde] daadwerkelijk recht heeft op kindgebonden budget, zoals door [eiser] is gesteld. Het vergt een nader onderzoek naar de feiten om dit vast te kunnen stellen, waartoe deze kort gedingprocedure zich niet leent. Al met al is dan ook vooralsnog voldoende aannemelijk dat [gedaagde] ook in 2017 niet boven de in de samenlevingsovereenkomst bepaalde grens zal uitkomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat die grens vanaf juni 2017 van € 36.000,- naar € 42.000,- per jaar gaat, nog te vermeerderen met de jaarlijkse indexering. Mochten de inkomsten van [gedaagde] in de toekomst noemenswaardig toenemen, dan is het aan haar om aan te tonen dat en in hoeverre zij niettemin recht heeft op de overeengekomen aanvulling.

4.10.

Gelet op het voorgaande, zijn de (grootte van de) vorderingen tot betaling van achterstallige en toekomstige partneralimentatie vooralsnog voldoende bepaalbaar aan de hand van de omschrijving in de samenlevingsovereenkomst. De grosse van deze notariële akte levert dan ook voorshands een geldige executoriale titel op voor de uit die akte voortvloeiende vorderingen van [gedaagde] op [eiser] tot betaling van partneralimentatie.

4.11.

Tenslotte de vraag of de executie van de notariële akte van 26 april 2013 moet worden geschorst. Daarbij wordt opgemerkt dat de tenuitvoerlegging van een executoriale titel als deze slechts kan worden geschorst, indien de executant- mede gelet op de belangen aan de zijde van geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan (en derhalve sprake is van misbruik van bevoegdheid). Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren akte klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze akte voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.12.

Niet is gebleken dat [gedaagde] niet een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om de samenlevingsovereenkomst te executeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat zij uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst vanaf augustus 2016 een aanzienlijke vordering tot betaling van achterstallige alimentatie op [eiser] heeft, die [eiser] tot nu toe niet vrijwillig heeft voldaan. Dat [eiser] conform de op 17 juli 2015 gemaakte afspraken wel steeds alimentatie aan [gedaagde] heeft betaald, maakt niet dat zij in redelijkheid geen gebruik zou mogen maken van haar recht van executie voor wat betreft de resterende en toekomstige partneralimentatie. Dat sprake zou zijn van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag of van een noodtoestand in de onder 4.11 genoemde zin is niet gebleken. De vordering tot staking en/of ongedaanmaking van de executiemaatregelen en tot opheffing van de executoriale beslag(en) wordt dan ook afgewezen.

4.13.

Omdat [eiser] en [gedaagde] ex-partners zijn, worden de proceskosten verrekend zoals hierna is vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

verrekent de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.J. Niersman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.1

1 type: MN coll: mb