Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7065

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
13/845199-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EVOA-zaak. Uitvoer van een container met afval naar Egypte. Strafmaat: geldboete van 1.500 euro, waarvan de helft voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2017/123 met annotatie van T. van der Meulen

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/845199-15

Datum uitspraak: 27 september 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 september 2017.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kubicz en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. P.G.M. Lodder naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij

primair

al dan niet opzettelijk in strijd met het uitvoerverbod van artikel 36 EVOA een mengsel van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen wilde overbrengen naar Egypte, een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is;

subsidiair

A. al dan niet opzettelijk in strijd met het uitvoerverbod van artikel 36 EVOA gevaarlijke afvalstoffen wilde overbrengen naar Egypte, een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is,

en/of

al dan niet opzettelijk afvalstoffen wilde overbrengen naar Egypte, een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, zonder kennisgeving en/of toestemming van de betrokken autoriteiten.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 14 maart 2014 trof de Belastingdienst/Douane Rotterdam-Haven een container voorzien van het nummer [containernummer] aan bij het bedrijf [bedrijf 1] waarin onder andere dertig diepvriezers stonden met bestemming Egypte.

Deze diepvriezers waren gevuld met nieuwe en tweedehands goederen, voornamelijk elektrische en elektronische apparatuur. Verdachte stond geregistreerd als exporteur. Bij controle werd gezien dat er meer goederen aanwezig waren in de container dan de aangegeven hoeveelheid van 30 colli. De container werd vervolgens verzegeld en binnen gezet bij [bedrijf 1] . Op 17 maart 2014 zijn de goederen ter controle uit de container gehaald en in een goederenloods van [bedrijf 1] neergezet.

De Belastingdienst/Douane controleerde deze goederen op 31 maart 2014. Op 29 april 2014 werd een tweede controle uitgevoerd, waarbij de Belastingdienst, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en verdachte aanwezig waren. Omdat er weinig tijd en ruimte was, was het niet mogelijk om een volledige controle uit te voeren. De goederen zijn in een verzegelde vrachtauto overgebracht naar het bedrijf [bedrijf 2] in Heteren om daar op een later moment gecontroleerd te worden. Op 20 november 2014 is geconstateerd dat de trailer met goederen niet meer bij [bedrijf 2] stond en dat dus ook de verdere controle van de goederen niet meer mogelijk was. De trailer bleek op 30 juni 2014 opgehaald te zijn bij [bedrijf 2] .

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt het primair ten laste gelegde feit bewezen. Op basis van de controles van de Belastingdienst/Douane en ILT kan vastgesteld worden dat de gebruikte goederen in de container aangemerkt moeten worden als een mengsel van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit niet is bewezen. Verdachte moet daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken. Daarvoor heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats kan niet worden vastgesteld dat verdachte het ten laste gelegde op 14 maart 2014 heeft begaan, zoals ten laste is gelegd. De eigenlijke controle door ILT vond namelijk pas plaats op 29 april 2014. Daarnaast voert de raadsman aan dat geen sprake is van afvalstoffen, omdat het gaat om goederen met een economische waarde, die functioneerden en die bestemd waren om in Egypte (her)gebruikt te worden. De goederen in de container zijn beschadigd geraakt door de hardhandige wijze waarop de controlerende instanties met de inhoud van de container zijn omgegaan. Als die instanties met dezelfde voorzichtigheid met de inhoud waren omgegaan, zoals verdachte dat in zijn bedrijven in Nederland en Egypte doet, dan zouden die goederen niet zijn beschadigd.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Pleegdatum

Voor het antwoord op de vraag wanneer verdachte het feit beging, is niet van belang op welke datum ILT de inhoud van de container controleerde. Het gaat erom wanneer verdachte voornemens of doende was om die container naar Egypte over te brengen. Uit het dossier blijkt dat daarvan sprake was op 14 maart 2014. Op die dag is de aangifte uitvoer voor de container aangevraagd en de geladen container is op die dag ook aangetroffen door de Belastingdienst/Douane. Dit betekent dat vastgesteld kan worden dat verdachte het feit beging op 14 maart 2014.

4.4.2.

Afvalstoffen?

Verdachte wordt verweten dat hij in strijd met de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA)1 gevaarlijke afvalstoffen wilde overbrengen naar Egypte. Voor het antwoord op de vraag of verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt, moet eerst gekeken worden of in de container van verdachte goederen zaten die als ‘afvalstof’ moeten worden aangemerkt.

EVOA verstaat onder een afvalstof ‘elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen’.2 Het maakt voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afvalstof dus niet uit of de betreffende voorwerpen nog goed functioneren of niet. Ook is niet van belang of een voorwerp nog een economische waarde vertegenwoordigt. Daarmee omvat het begrip ‘afvalstof’ meer dan in het normale spraakgebruik onder het begrip ‘afval’ wordt verstaan. Het gaat er alleen om of de oorspronkelijke eigenaar de voorwerpen nog wil of mag hebben.

Een gedeelte van de in de container aangetroffen voorwerpen betreft gebruikte voorwerpen.
Dit betreft in elk geval alle voorwerpen die niet in een originele verpakking zaten. Het gaat dan onder andere om (een deel van) de koel/vriesapparaten, e‑readers/tablets, televisietoestellen en de strijkijzers. De oorspronkelijke gebruikers van deze voorwerpen hebben deze voorwerpen weggedaan en zich op die manier daarvan ontdaan. Daarom worden deze gebruikte voorwerpen als afvalstof aangemerkt.

Het andere gedeelte van de in de container aangetroffen goederen betreft defecte voorwerpen. Tijdens een controle is vastgesteld dat twee strijkijzers uit een originele verpakking niet functioneerden. Een aantal van de e-readers/tablets was voorzien van een document waaruit blijkt dat de e-reader/tablet niet of niet goed functioneerde. Defecte voorwerpen worden aangemerkt als afvalstof als de houder zich daarvan heeft ontdaan.

Ook een ongebruikt en goed functionerend voorwerp kan een afvalstof zijn, wanneer sprake is van afgedankte voorwerpen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer een bedrijf een voorwerp niet meer binnen de normale bedrijfsvoering te koop aanbiedt aan consumenten, maar tegen dumpprijzen aan een opkoper verkoopt, bijvoorbeeld omdat sprake is van een verouderd model. Daarmee heeft de verkoper zich ontdaan van het voorwerp en dan is dat voorwerp als afvalstof aan te merken. Verdachte verklaarde op zitting dat hij bij bedrijven zoals BCC voorwerpen opkocht die die bedrijven (om bedrijfseconomische redenen) niet meer wilden verkopen. Verdachte betaalde daar naar eigen zeggen (geschat) 25-50% van de oorspronkelijke verkoopwaarde voor. Dat maakt dat de (ongebruikte) voorwerpen die verdachte op deze manier opkocht, ook aangemerkt worden als afvalstof.

De conclusie is dan dat een groot deel van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen als afvalstof zijn te kwalificeren. Het gaat dan in het bijzonder om de strijkijzers, koel/vriesapparaten, televisietoestellen en e-readers/tablets. Ten aanzien van de frituurpannen en ventilatoren kan de rechtbank alleen vaststellen dat deze in een originele verpakking en in nieuwe staat waren. Uit het dossier blijkt niet dat deze goederen als afvalstof kunnen worden aangemerkt. Het enkele feit dat ze onderdeel uitmaken van de inhoud van de container is daartoe onvoldoende. Daarom kan het ten laste gelegde ten aanzien van deze voorwerpen niet worden bewezen.

Het is echter niet zo dat een voorwerp dat eenmaal afvalstof is geworden, altijd een afvalstof blijft. In de EVOA is ook bepaald wanneer geen sprake meer is van een afvalstof.
Daarvan is sprake als een afvalstof een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan en voldoet aan specifieke criteria.3

In deze zaak gaat het om elektrische en elektronische apparaten. De regels waar die apparaten aan moeten voldoen om geen afvalstof meer te zijn, zijn uiteengezet in een aanvullende Kaderrichtlijn.4

Een eerste categorie regels heeft betrekking op het testen van de apparaten. In elk geval moet getest worden of de belangrijkste functies werken en de uitkomsten van de testen moeten geregistreerd worden. Op het apparaat of de verpakking van het apparaat moet een etiket geplakt zijn waaruit onder meer moet blijken door welk bedrijf het apparaat getest is, welke testen zijn uitgevoerd en wat het resultaat was van die testen. Daarnaast moet de houder van het apparaat beschikken over een bewijs dat het apparaat is getest.

In deze zaak is niet gebleken dat aan deze regels is voldaan. De enkele verklaring van verdachte dat een medewerker van zijn bedrijf heeft getest of de apparaten werkten, is onvoldoende, nog daargelaten dat die testen niet door een onafhankelijk bedrijf zijn uitgevoerd.

Een tweede categorie regels heeft betrekking op de wijze van beschermen tijdens het vervoer. De apparaten moeten passend beschermd zijn tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.

Ook aan die regels is niet voldaan. De apparaten in de koel/vriesapparaten waren daar onverpakt in gestort. Dat de apparaten tussen lege telefoonhoesjes lagen, zoals verdachte verklaarde, kan niet worden aangemerkt als een passende verpakking. De stelling van verdachte dat er bij zijn bedrijven in Nederland en Egypte voorzichtig wordt omgegaan met de vervoerde apparaten, maakt ook niet dat de apparaten voldoende beschermd zijn. Als dat al zo is, dan heeft verdachte tijdens het vervoer van de goederen geen invloed op de wijze hoe ermee omgegaan wordt.

Om ervoor te zorgen dat de apparaten functionerend in Egypte aankomen, dient verdachte in elk geval voldoende bescherming te bieden bij een normaal transport van containers. Een buffer van telefoonhoesjes is niet als zodanig aan te merken.

Het voorgaande brengt mee dat sprake is van voorwerpen waarvan de oorspronkelijke eigenaar zich heeft ontdaan en die ten tijde van het transport nog niet zodanig nuttig waren toegepast dat zij niet meer aan te merken zijn als afvalstof. In de eerste plaats alleen al omdat onvoldoende is gedocumenteerd dat sprake is van goed functionerende apparaten, maar ook omdat de apparaten tijdens het transport veelal onvoldoende beschermd waren. Daarmee staat vast dat de container die verdachte naar Egypte wilde overbrengen afvalstoffen in de zin van EVOA bevatte.

Uit het dossier blijkt verder – en daartegen is ook geen verweer gevoerd – dat als sprake is van afvalstoffen, het dan gaat om een mengsel van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van afvalstoffen, is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

op 14 maart 2014 te Rotterdam opzettelijk een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 f van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (nr. 1013/2006),

immers was hij in strijd met het uitvoerverbod van art. 36 van genoemde verordening voornemens en doende een container ([containernummer]) inhoudende een mengsel van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen die niet onder één enkele code van bijlage V vallen, te weten een hoeveelheid gebruikte en afgedankte en defecte elektrische en elektronische apparaten, waaronder strijkijzers, 30 koel/vriesapparaten, (in plastic verpakte) televisietoestellen en e‑readers/tablets, bestemd voor nuttige toepassing in een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was, en welke afvalstoffen deels (onder code 16 02 13* en A 1180) in lijst V van genoemde Verordening als gevaarlijk waren opgenomen, over te brengen naar Egypte, een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 25 dagen, waarvan een gedeelte, groot € 750,00, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

9.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte was voornemens om een mengsel van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen over te brengen naar Egypte. Daarmee handelde verdachte in strijd met EVOA.
De voorschriften van EVOA zijn opgesteld om te waarborgen dat het milieu en de gezondheid van de mens op een hoog niveau worden beschermd.

Ook als het klopt dat het Egyptische bedrijf van verdachte zorgvuldig omgaat met de goederen die verdachte vanuit Nederland naar Egypte wilde sturen, dan nog is het niet controleerbaar welke weg de goederen verder in Egypte afleggen. In Afrika worden afvalstoffen veelal op een gevaarlijke en onverantwoorde manier verwerkt en ter bescherming van mens en milieu dient dat zoveel als mogelijk voorkomen te worden.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder is veroordeeld voor een milieudelict. Wel is verdachte sinds de pleegdatum meerdere keren tot forse straffen veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten, zodat de regeling van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke geldboete passend en geboden en de rechtbank zal die straf dan ook aan verdachte opleggen. Het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf moet verdachte duidelijk maken dat het overtreden van milieuvoorschriften niet onbestraft blijft. Het voorwaardelijk strafdeel moet ervoor zorgen dat verdachte zich in toekomst houdt aan de milieuvoorschriften en zich zo nodig laat voorlichten over de inhoud en de betekenis van de geldende regelgeving.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op (de) artikel(en)

14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1a (oud), 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten;

  • -

    10.60 van de Wet milieubeheer; en

  • -

    2 en 36 van de Europese verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EG-verordening nr. 1013/2006).

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair bewezen verklaarde

- overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 (vijfentwintig) dagen.

Beveelt dat een gedeelte, groot € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), van deze geldboete, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 15 (vijftien) dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tenlastelegging [verdachte]

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 14 maart 2014, althans in of omstreeks de maand maart 2014, te Rotterdam en/of te Utrecht, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 f van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (nr. 1013/2006),

immers was/waren hij en/of zijn mededader(s) in strijd met het uitvoerverbod van art. 36 van genoemde verordening voornemens en/of doende

een container ([containernummer]) inhoudende een mengsel van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen die niet onder één enkele code van bijlage V vallen, te weten een hoeveelheid gebruikte en/of afgedankte en/of defecte elektrische en/of elektronische apparaten, waaronder frituurpannen en/of ventilatoren en/of strijkijzers en/of (ongeveer) 30 koel/vriesapparaten en/of (in plastic verpakte) televisietoestellen en/of e-readers/tablets

bestemd voor nuttige toepassing in een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was, en welke afvalstoffen deels (onder code 16 02 13* en A 1180) in lijst V van genoemde Verordening als gevaarlijk waren opgenomen

over te brengen naar Egypte, althans naar een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was;

Subsidiair

dat hij op of omstreeks 14 maart 2014, althans in of omstreeks de maand maart 2014, te Rotterdam en/of te Utrecht, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk

A.

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 f van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (nr. 1013/2006),

immers was/waren hij en/of zijn mededader(s) in strijd met het uitvoerverbod van art. 36 van genoemde verordening voornemens en/of doende een container ([containernummer]) waarvan de inhoud (onder meer) bestond uit afvalstof(fen), te weten een aantal afgedankte en/of gebruikte en/of defecte elektrische en/of elektronische apparaten waaronder koel/vriesapparaten en/of (in plastic verpakte) televisietoestellen en/of e-readers/ tablets

bestemd voor nuttige toepassing in een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was, en welke afvalstoffen (onder code 16 02 13* en/of A 1180) in lijst V van genoemde Verordening als gevaarlijk waren opgenomen

over te brengen naar Egypte, althans naar een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was;

en/of

B.

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 a en b van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (nr. 1013/2006),

immers was/waren hij en/of zijn mededader(s) voornemens en/of doende een container ([containernummer]) waarvan de inhoud (onder meer) bestond uit afvalstof(fen), te weten afgedankte en/of gebruikte en/of defecte elektrische en/of elektronische apparaten waaronder frituurpannen en/of strijkijzers

over te brengen naar Egypte, althans naar een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing was,

terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening.

1 Verordening 1013/2006.

2 Artikel 2, onder 1, EVOA, in samenhang met artikel 3, onder 1, artikel 41 en bijlage V van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (richtlijn 2008/98/EG).

3 Artikel 6 EVOA.

4 Kaderrichtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (richtlijn 2012/19/EU).