Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7037

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
Parketnummer: 13.751.490-17 RK nummer: 17/3706
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ (weigeringsgrond inzake verstekvonnissen): valt een beslissing tot herroeping van de opschorting van de straf onder de reikwijdte van deze bepaling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SEW 2017, afl. 11, p. 474

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.490-17

RK nummer: 17/3706

Datum uitspraak: 28 september 2017

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 mei 2017 door de Staatsanwaltschaft Stuttgart (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

niet ingeschreven in de Basisregistratie personen, maar verblijvende op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex te [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

1.1

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 augustus 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem.

1.2

De rechtbank heeft op die zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

1.3

Bij tussenuitspraak van 22 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6054) heeft de rechtbank het onderzoek heropend om partijen in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de mogelijke relevantie van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017 (C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas) en C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek)) voor de toetsing aan artikel 12 OLW van de beslissingen tot herroeping van de opschorting van de straffen (Widerruf der Strafaussetzung zur Bewährung).

1.4

De raadsman en de officier van justitie hebben per e-mail een standpunt ingenomen.

1.5

De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 31 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de officier van justitie en de opgeëiste persoon. De waarnemer van de raadsman, mr. J. Ebbink, advocaat te Haarlem, is als gevolg van een misverstand niet verschenen. Na telefonisch overleg met mr. Ebbink en met instemming van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet buiten aanwezigheid van mr. Ebbink.

1.6

Bij tussenuitspraak van 4 september 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6672) heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat zij heeft besloten om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

1.7

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om per e-mail op de conceptvraag te reageren.

1.8

Op de openbare zitting van 20 september 2017 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun standpunt over de concept vraag mondeling toe te lichten. Partijen hebben meegedeeld van die mogelijkheid geen gebruik te willen maken.

1.9

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op de openbare zitting van 28 september 2017 en heeft op diezelfde datum deze tussenuitspraak gewezen.

2 Relevante feiten en omstandigheden

2.1

De opgeëiste persoon heeft de Duitse nationaliteit.

2.2

Aan het EAB, dat op in totaal 9 strafbare feiten ziet, liggen twee onherroepelijke vonnissen ten grondslag:

- a) het vonnis van 4 maart 2009 van het Amtsgericht Böblingen waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden;

- b) het vonnis van 10 november 2010 van het Amtsgericht Stuttgart-Bad Cannstatt waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden.

2.3

Volgens onderdeel d) van het EAB is de opgeëiste persoon in persoon verschenen op het proces dat tot deze vonnissen heeft geleid.

2.4

In zaak a) is:

- bij beslissing van 4 januari 2010 van het Amtsgericht Böblingen de tenuitvoerlegging van de straf opgeschort (Strafaussetzung zur Bewährung);

- bij beslissing van 18 april 2013 van het Amtsgericht Stuttgart-Bad Cannstatt die opschorting herroepen (Widerruf der Strafaussetzung zur Bewährung) en de tenuitvoerlegging van (het strafrestant van) de vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden bevolen, omdat de betrokkene heeft volhard in het niet naleven van de voorwaarden en in het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van zijn reclasseringsambtenaar en aan het toezicht van het gerecht.

De beslissing van 18 april 2013 is onherroepelijk.

2.5

In zaak b) is:

- bij beslissing van 31 mei 2011 van het Amtsgericht Stuttgart-Bad Cannstatt de tenuitvoerlegging van de straf opgeschort (Strafrestaussetzung zur Bewährung);

- bij beslissing van 4 april 2013 van het Amtsgericht Stuttgart-Bad Cannstatt die opschorting herroepen (Widerruf der Strafrestaussetzung zur Bewährung) en de tenuitvoerlegging van (het strafrestant van) de vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden bevolen, omdat de betrokkene heeft volhard in het niet naleven van de voorwaarden en in het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van zijn reclasseringsambtenaar en aan het toezicht van het gerecht.

De beslissing van 4 april 2013 is onherroepelijk.

2.6

Van de in zaak a) opgelegde vrijheidsstraf moet de opgeëiste persoon nog 338 dagen ondergaan en van de in zaak b) opgelegde vrijheidsstraf nog 340 dagen.

2.7

Uit hetgeen het EAB vermeldt over de beslissingen van 4 april 2014 en 18 april 2013 (hierna: de herroepingsbeslissingen) leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot die beslissingen heeft geleid.

2.8

Over dat proces vermeldt het EAB nog dat de beslissingen ‘öffentlich’ zijn ‘zugestellt’ aan de opgeëiste persoon en dat hem daarom tegen die beslissingen ‘nachträglich rechtliches Gehör zu gewähren’ zal zijn, maar dat zulks de ‘Vollstreckbarkeit’ niet rechtstreeks beïnvloedt.

2.9

De opgeëiste persoon heeft bevestigd dat hij niet is verschenen op het proces dat tot de herroepingsbeslissingen heeft geleid en heeft verklaard dat, als hij van de datum en plaats van dat proces zou hebben geweten, hij zou zijn verschenen om – zo begrijpt de rechtbank de opgeëiste persoon – de Duitse rechter te overreden af te zien van herroeping.

2.10

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de Duitse rechter de Strafaussetzung onder meer moet herroepen, als de veroordeelde volhardt in het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van de reclasseringsambtenaar en/of volhardt in het niet naleven van de gestelde voorwaarden. De Duitse rechter moet daarentegen afzien van herroeping van de Strafaussetzung, als kort gezegd het stellen van nadere voorwaarden of het verlengen van de proeftijd volstaat (§ 57 Strafgesetzbuch).1

2.11

Uit de herroepingsbeslissingen blijkt dat het Amtsgericht Stuttgart-Bad Cannstatt heeft geconstateerd dat het stellen van nadere voorwaarden of het verlengen van de proeftijd niet volstaat en dat de herroeping in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel is.

2.12

De rechtbank concludeert dan ook dat de Duitse rechter bij het nemen van een herroepingsbeslissing beschikt over een beoordelingsmarge, die hem in elk geval in staat stelt de situatie of de persoon van de betrokkene in aanmerking te nemen.

3 Wettelijk kader

3.1

Bij artikel 2 van Kaderbesluit 2009/299/JBZ is artikel 5, punt 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ geschrapt en is in Kaderbesluit 2002/584/JBZ artikel 4 bis ingevoegd. Het eerste lid van deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen

1. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

(…).

3.2

Artikel 12 OLW geeft uitvoering aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Artikel 12 OLW bevat een dwingende weigeringsgrond.

4 Prejudiciële vraag

4.1

In het arrest Zdziaszek heeft het Hof van Justitie onderscheid gemaakt tussen maatregelen die de maat van de opgelegde straf wijzigen en maatregelen inzake de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In dit verband heeft het Hof van Justitie erop gewezen dat artikel 6, eerste lid, EVRM volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet van toepassing is op maatregelen inzake de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, ‘met name die betreffende de voorlopige invrijheidsstelling’ (Zdziaszek, punt 85).

4.2

De herroepingsbeslissingen hebben de maat van de opgelegde vrijheidsstraffen niet gewijzigd. De opgeëiste persoon moet die vrijheidsstraffen immers ondergaan zoals deze zijn opgelegd, met aftrek van de tijd die hij daarvan al heeft uitgezeten.

4.3

Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen kwesties betreffende de tenuitvoerlegging van straffen niet onder het bepalen van de gegrondheid van een vervolging als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM (zie bijv. EHRM (Grote Kamer) 17 september 2009, 74912/01 (Enea/Italië), § 97; EHRM 23 oktober 2012, 498/10 (Ciok/Polen), § 38).

4.4

Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het begrip ‘veroordeling’ als bedoeld in artikel 7, eerste lid, EVRM, dat samenhangt met het begrip ‘bepaling van de gegrondheid van een veroordeling’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Onder een dergelijke ‘veroordeling’ vallen evenmin zaken die de tenuitvoerlegging van straffen betreffen (zie bijv. EHRM 10 juli 2003, 43522/98 (Grava/Italië), § 51; EHRM 23 oktober 2012, 1997/11 (Giza/Polen), § 36).

4.5

In het arrest Boulois/Luxemburg (EHRM (Grote Kamer) 3 april 2012, 37575/04), waarnaar het Hof in punt 85 van het arrest Zdziaszek heeft verwezen, en in de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaraan dit hof in § 87 van het arrest Boulois/Luxemburg heeft gerefereerd, is sprake van gedetineerden die een procedure voeren over verlof om de gevangenis tijdelijk te verlaten, over opheffing van het voorarrest, over de plaatsing in een extra beveiligde inrichting respectievelijk over het verlenen van amnestie.

4.6

De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens heeft – in zaken die meer gelijkenis met het geval van de opgeëiste persoon vertonen dan met de casus in het arrest Boulois/Luxemburg – geoordeeld dat een procedure over de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of over de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling niet onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM valt. Bij een dergelijke herroeping worden namelijk niet de burgerlijke rechten en verplichtingen van de betrokkene vastgesteld noch wordt daarbij de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging bepaald (ECRM 5 oktober 1967, 2428/65 (X./Duitsland); ECRM 6 december 1977, 7648/76 (X./Zwitserland); ECRM 9 mei 1994, 19774/92 (Sampson/Cyprus)).

4.7

De rechtbank neemt dan ook aan dat artikel 6, eerste lid, EVRM niet van toepassing is op de herroepingsbeslissingen.

4.8

Daarmee is echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet ‘clair’ of ‘éclairé’ dat deze beslissingen evenmin onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen.

4.9

Dergelijke beslissingen waren immers niet aan de orde in de zaak die heeft geleid tot het arrest Zdziaszek.

4.10

Daarbij komt dat art. 47, tweede alinea, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) weliswaar correspondeert met artikel 6, eerste lid, EVRM – zodat de inhoud en reikwijdte van eerstgenoemde bepaling dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend –, maar dat het Unierecht een ruimere bescherming kan bieden dan uit artikel 6, eerste lid, EVRM volgt (artikel 52, derde lid, Handvest). In dit verband wijst de rechtbank erop dat artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ volgens het Hof van Justitie een ‘hoog beschermingsniveau’ beoogt te waarborgen (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37; HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas), punt 58).

4.11

In het verlengde hiervan zou men kunnen betogen dat een beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging vanwege de gevolgen daarvan van evenveel betekenis kan zijn voor de betrokkene als een ‘verzamelvonnis’ waarbij de duur van opgelegde straffen opnieuw wordt vastgesteld, zodat de betrokkene daarom zijn verdedigingsrechten zou moeten kunnen uitoefenen in een procedure die tot een herroepingsbeslissing kan leiden en waarin de rechter bij het nemen van die beslissing over een beoordelingsmarge beschikt (vgl. Zdziaszek, punt 88).

4.12

Hoewel punt 85 van het arrest Zdziaszek een sterke aanwijzing bevat voor het oordeel dat de herroepingsbeslissingen niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, ziet de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in die overweging toch onvoldoende basis om zelfstandig de conclusie te trekken dat deze bepaling inderdaad toepassing mist.

4.13

Het is de rechtbank bekend dat het Ierse Supreme Court op 22 juni 2017 een prejudiciële vraag heeft gesteld over de toepasselijkheid van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ op een beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf (C-376/17, Lipinski). Voor zover de rechtbank bekend, wordt deze prejudiciële verwijzing niet behandeld via de spoedprocedure.

4.14

Het doet zich in de Nederlandse overleveringspraktijk met grote regelmaat voor dat een EAB melding maakt van een herroepingsbeslissing. Gelet op de duur die met een gewone prejudiciële procedure is gemoeid, is het aanhouden van de behandeling van de onderhavige zaak en vergelijkbare zaken in afwachting van de beantwoording van de Ierse prejudiciële vraag niet wenselijk.

4.15

Nu de opgeëiste persoon zich in overleveringsdetentie bevindt, zal de rechtbank zelf een prejudiciële vraag voorleggen aan het Hof van Justitie en daarbij om toepassing van de spoedprocedure verzoeken.

4.16

Het antwoord op de – na te noemen – vraag is rechtstreeks van belang voor de door de rechtbank te nemen beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB. Als de herroepingsbeslissingen niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, dan moet de rechtbank de overlevering toestaan. Als die beslissingen wel onder die bepaling vallen, dan zal de rechtbank ten aanzien van beide beslissingen – onder toepassing van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – moeten nagaan of aan één van de in punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde voorwaarden is voldaan.

4.17

De vraag die de rechtbank aan het Hof van Justitie zal voorleggen, luidt als volgt:

Indien de opgeëiste persoon onherroepelijk in een in zijn aanwezigheid gevoerde procedure schuldig is bevonden en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging onder voorwaarden is opgeschort, is de latere procedure waarin de rechter buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon de herroeping van die opschorting gelast wegens het niet naleven van voorwaarden en het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van een reclasseringsambtenaar een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

5 Verzoek om toepassing van de spoedprocedure

5.1

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.

5.2

De prejudiciële vragen hebben betrekking op de uitleg van een kaderbesluit dat valt onder de gebieden als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU.

5.3

De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de definitieve beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van het EAB. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vraag niet heeft beantwoord. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

6 Beslissing

HEROPENT het onderzoek ter zitting.

VERZOEKT het Hof van Justitie de volgende vraag te beantwoorden:

Indien de opgeëiste persoon onherroepelijk in een in zijn aanwezigheid gevoerde procedure schuldig is bevonden en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging onder voorwaarden is opgeschort, is de latere procedure waarin de rechter buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon de herroeping van die opschorting gelast wegens het niet naleven van voorwaarden en het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van een reclasseringsambtenaar een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

SCHORST daartoe het onderzoek voor onbepaalde tijd.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon – met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman – tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 september 2017.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 § 56f Widerruf der Strafaussetzung (1) Das Gericht widerruft die Strafaussetzung, wenn die verurteilte Person (…) 2. gegen Weisungen gröblich oder beharrlich verstößt oder sich der Aufsicht und Leitung der Bewährungshelferin oder des Bewährungshelfers beharrlich entzieht und dadurch Anlaß zu der Besorgnis gibt, daß sie erneut Straftaten begehen wird, oder 3. gegen Auflagen gröblich oder beharrlich verstößt. (2) Das Gericht sieht jedoch von dem Widerruf ab, wenn es ausreicht, 1. weitere Auflagen oder Weisungen zu erteilen, insbesondere die verurteilte Person einer Bewährungshelferin oder einem Bewährungshelfer zu unterstellen, oder 2. die Bewährungs- oder Unterstellungszeit zu verlängern. In den Fällen der Nummer 2 darf die Bewährungszeit nicht um mehr als die Hälfte der zunächst bestimmten Bewährungszeit verlängert werden. (…)