Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
C/13/615520 / HA ZA 16-964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Verstekvonnis onrechtmatig uitgelokt. Beperkte rechtsmacht m.b.t. internetpublicatie. Partijen woonachtig buiten EEX. Artikel 6 sub e Rv. Nederlandse rechter alleen rechtsmacht t.a.v. schade in Nederland geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/615520 / HA ZA 16-964

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

thans wonende te [woonplaats] (Spanje) , voorheen te [vorige woonplaats] (Israël) ,

2. [eiser 2],

thans wonende te [woonplaats] (Spanje) , voorheen te [vorige woonplaats] (Israël) ,

beiden domicilie kiezende bij hun advocaat,

eisers in conventie,

gedaagden in het verzet,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.G.J. van Groenendaal te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

thans wonende te [plaats] , voorheen te [vorige woonplaats] (Panama) ,

domicilie kiezende bij zijn advocaat,

gedaagde in conventie,

eiser in het verzet,

eiser in reconventie,

advocaat mr. Ch. Samkalden te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] worden genoemd. [eisers] zal afzonderlijk ook worden aangeduid met [eiser 1] en [eiser 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de oorspronkelijke dagvaarding van 23 december 2015 met producties,

  • -

    het onder zaaknummer / rolnummer C/13/605325 / HA ZA 16-333 op 11 mei 2016 gewezen verstekvonnis van deze rechtbank,

  • -

    de verzetdagvaarding van 9 september 2016, tevens houdende de incidentele conclusie tot schorsing van de tenuitvoerlegging, tevens houdende de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv, tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging en in het incident ex artikel 843a Rv, tevens houdende de incidentele vordering ex artikel 224 Rv, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 224 Rv,

  • -

    de brief van 5 januari 2017 van de zijde van [gedaagde] met bijlagen,

  • -

    de akte vermindering van eis in het incident van de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    het vonnis in het incident van 11 januari 2017,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de akte aanvulling grondslag tevens vermeerdering van eis in reconventie tevens akte overlegging producties,

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 8 februari 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 juli 2017 met de daarin vermelde stukken,

- de brieven van 19 juli en 25 juli 2017 van de zijde van [gedaagde] met op- en aanmerkingen over het proces-verbaal,

- de brief van 21 juli 2017 van de zijde van [eisers] met op- en aanmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een journalist, die enige tijd woonachtig is geweest te Panama op [plaats] . Thans woont hij in [plaats] . Hij publiceert onder meer verhalen over corruptie en fraudezaken op door hem beheerde websites (waaronder [internetsite 1] en [internetsite 2] ).

2.2.

[eiser 1] bezit de Nederlandse en [eiser 2] de Engelse en Israëlische nationaliteit. Zij zijn een echtpaar dat onder meer woonachtig is geweest te Israël en momenteel in Spanje verblijft.

2.3.

[gedaagde] heeft op de website [internetsite 2] (hierna: [internetsite 2] ) vanaf 2010 verschillende publicaties geplaatst over [eisers] en het project [naam onderneming 1] in Panama waarbij [eisers] betrokken was. Het project was erop gericht om met geld van investeerders hardhout aan te planten op gronden in Panama waar in het verleden regenwoud was gekapt. Deze gronden waren in gebruik voor landbouw en veeteelt. Het doel van het project was het oogsten van het hardhout van snelgroeiende boomsoorten en het (her)planten van het regenwoud. De onderneming [naam onderneming 1] is later verder gegaan onder de naam [naam onderneming 2] . De resultaten van het project zijn tegengevallen en het project is in 2014 geëindigd.

2.4.

Op 23 december 2015 heeft [eisers] (toen wonende te Israël ) [gedaagde] gedagvaard voor de zitting van 30 maart 2016 van deze rechtbank. De dagvaarding is (wegens de onbekende woon- over verblijfplaats van [gedaagde] ) openbaar betekend.

2.5.

Op 11 mei 2016 heeft deze rechtbank een bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis gewezen (hierna: het verstekvonnis). Het dictum van het verstekvonnis luidt als volgt:

“(….) De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers,

3.2.

verklaart voor recht dat gedaagde gehouden is alle schade die uit zijn onrechtmatig handelen voortvloeit te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.3.

beveelt gedaagde wereldwijd iedere openbaarmaking of verspreiding van de in de dagvaarding van 23 december 2015, waarvan een kopie aan dit vonnis is gehecht, beschreven publicaties binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden, en gelijktijdig te verzoeken de publicaties uit de index van de zoekmachines Google, Bing en Yahoo te verwijderen en kopieën in de cache van de zoekmachines te verwijderen alsmede van alle (geautomatiseerde) kanalen waar de publicaties van gedaagde zijn overgenomen of geheel of gedeeltelijk zijn te raadplegen zoals social media accounts of RSS-feeds, onder overlegging van een kopie van al deze verzoeken aan de advocaat van eisers,

3.4.

verbiedt gedaagde nieuwe of soortgelijke beschuldigingen jegens eisers op enige manier openbaar te maken, met name indien deze betrekking hebben op [naam onderneming 1] / [naam onderneming 2] , vermeende oplichting, fraude of andere strafbare feiten of dubieuze (handels)praktijken met betrekking tot de zakelijke ondernemingen van eisers of ondernemingen waarbij zij thans betrokken zijn,

3.5.

verbiedt gedaagde inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van eisers door openbaarmaking van hun portretten of andere persoonsgegevens via internet of anderszins,

3.6.

veroordeelt gedaagde om aan eisers een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 3.3., 3.4. en 3.5. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

3.7.

veroordeelt gedaagde om aan eisers te betalen een bedrag van € 20.000,00,

3.8.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 1.437,42,

3.9.

veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.10.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 3.3. tot en met 3.9. uitvoerbaar bij voorraad,

3.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.6.

Op 26 mei 2016 heeft [eisers] het verstekvonnis openbaar doen betekenen.

2.7.

[eisers] heeft zich met het verstekvonnis gewend tot de IJslandse host van [internetsite 2] .Bij e-mail van 15 augustus 2016 heeft [gedaagde] van deze host een Engelse samenvatting van het verstekvonnis ontvangen, met het bericht dat de website die dag op zwart werd gezet.

2.8.

Bij exploot van 16 november 2016, betekend bij het Openbaar Ministerie en ten kantore van de advocaten van [gedaagde] , is aan [gedaagde] het bevel gedaan binnen twee dagen de volgens [eisers] op grond van het verstekvonnis verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 100.000,00 aan hem te voldoen.

2.9.

[gedaagde] heeft in detentie verbleven vanaf 15 november 2016 tot 23 december 2016 in Panama wegens een veroordeling voor laster en smaad (onder andere) in verband met enkele artikelen die hij op zijn website schreef over de Canadese zakenman [naam 1] . Op aangifte van [eisers] is [gedaagde] in Panama ook veroordeeld wegens ‘misdrijven tegen de persoonlijke eer’.

2.10.

[gedaagde] heeft bij dagvaarding van 23 november 2016 in kort geding gevorderd dat de rechtbank de executie van het verstekvonnis schorst en geschorst houdt totdat in de onderhavige verzetprocedure definitief uitspraak is gedaan. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 15 december 2016 - onder meer - de executie van het verstekvonnis geschorst totdat in de onderhavige zaak door de bodemrechter een eindbeslissing is genomen.

2.11.

Naar aanleiding van voornoemd vonnis van 15 december 2016 heeft [gedaagde] zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis in deze procedure ingetrokken. Zijn overige incidentele vorderingen ex artikel 843a Rv en 224 Rv, zijn bij vonnis in het incident van 11 januari 2017 afgewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[gedaagde] vordert in het verzet, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat het verstekvonnis wordt vernietigd, dat de rechtbank zich (gedeeltelijk) onbevoegd verklaart en dat de overige vorderingen van [eisers] worden afgewezen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

3.2.

[eisers] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert - na wijziging van eis -:

A. te verklaren voor recht dat [eisers] jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door, onder verwijzing naar [gedaagde] veroordeling en/of het vonnis waarvan hij de onhoudbaarheid kende althans behoorde te kennen, publicaties van [gedaagde] of gebaseerd op [gedaagde] berichtgeving van het internet te laten verwijderen;

B. [eisers] te veroordelen de door [gedaagde] geleden schade te vergoeden, begroot op € 6.000,00 materiële schade en € 7.500,00 immateriële schade, dan wel een bedrag nader op te maken bij staat, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2016, dan wel vanaf 14 dagen na betekening van onderhavig vonnis;

C. [eisers] te gebieden binnen 14 dagen aan alle websites, publicisten en hosts die door hem met een verwijzing naar [gedaagde] veroordeling zijn aangeschreven, een nieuwe brief te doen toekomen met de volgende tekst, duidelijk leesbaar en zonder verder commentaar, onder gelijktijdige verzending van een afschrift van die brieven aan de advocaten van [gedaagde] :

“On [xxx] I have requested you to take offline a website/publication referring to [eiser 1] and/or [eiser 2] and/or [gedaagde] and or [naam onderneming 1] . My claim that [gedaagde] has been convicted for his publications relating to the aforementioned, was unjustified. On [xxx] the Court of Amsterdam has ruled that these publications were not illegitimate. A copy of the judgment may be obtained through Mr. [gedaagde] ’s lawyers at info@prakkendoliveira.nl”.

Dan wel een door de rechtbank vast te stellen tekst;

E. [eisers] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5.

[eisers] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Nietige dagvaarding?

4.1.

Het verzoek van [gedaagde] in zijn verzetdagvaarding om de (oorspronkelijke) dagvaarding van [eisers] nietig te verklaren hangt samen met zijn incidentele vordering om de executie van het verstekvonnis te schorsen, welke vordering later door [gedaagde] is ingetrokken. Nu bovendien [gedaagde] in deze procedure is verschenen is een eventuele nietigheid van de dagvaarding van [eisers] wegens zijn niet verschijnen in de verstekprocedure, thans niet meer aan de orde. Wel kan een en ander een rol spelen bij de beoordeling van de reconventionele vordering van [gedaagde] , waarover hierna meer.

Rechtsmacht?

4.2.

[gedaagde] heeft – in zijn verzetdagvaarding – aangevoerd dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van vorderingen kennis te nemen die betrekking hebben op niet in Nederland geleden schade en evenmin bevoegd is wereldwijde ge- en verboden toe te wijzen. Dit betekent dat allereerst beoordeeld dient te worden of de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen, rechtsmacht had. Zo niet, dan moet het verstekvonnis worden vernietigd en worden beoordeeld of de rechter in deze verzetprocedure rechtsmacht heeft om te oordelen over de vordering in verzet.

De rechtsmacht in de verstekprocedure

4.3.

Ten tijde van het uitbrengen van de oorspronkelijke dagvaarding had geen van partijen woonplaats in Nederland. [eisers] waren toen woonachtig in Israël . [gedaagde] had geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, hij verbleef in Panama . Dat betekent dat de rechtsmacht beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 6 aanhef en sub e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op grond van dit artikel heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Naar vaste rechtspraak zien de woorden ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ zowel op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis. Aldus heeft de eisende partij de keuze of hij de verweerder oproept voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden dan wel voor de rechter van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt. Geschiedt, zoals in het onderhavige geval, de beweerde schending van een persoonlijkheidsrecht door middel van op internet geplaatste content, dan kan het slachtoffer een vordering tot volledige schadevergoeding instellen bij de rechter van de staat waar de uitgever is gevestigd dan wel bij de rechter van de staat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt; de rechter van de plaats waar de informatie toegankelijk is (geweest), kan slechts kennis nemen van een vordering tot vergoeding van de in die staat geleden schade (HvJ EU 25 oktober 2011, C-509/09 en C-161/10).

4.4.

Hier gaat het om internetuitingen van [gedaagde] die buiten Nederland openbaar zijn gemaakt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen betekent dit dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter beperkt is tot de schade die is ontstaan in Nederland en tot ge-of verboden met betrekking tot het Nederlandse grondgebied.

4.5.

Voor zover [eisers] zich erop beroept dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over alle vorderingen volledig te oordelen omdat [eisers] het centrum van zijn belangen in Nederland heeft, gaat dat niet op. Niet kan worden vastgesteld dat [eisers] , die aanvankelijk in Israël woonde en nu in Spanje en naar eigen zeggen overal werkzaam is, ( [eiser 1] – in het proces-verbaal ten onrechte aangeduid als [eiser 2] – verklaarde ter comparitie vijfentwintig jaar in het buitenland woonachtig te zijn en werkzaam te zijn als adviseur voor verschillende ondernemingen, hoofdzakelijk gevestigd in Israël , Duitsland , Engeland en Nederland , waarbij hij niet vanuit een kantoor werkt, maar daar waar het uitkomt en dat hij beschikt over bankrekeningen in voornoemde landen en in Spanje ) het centrum van zijn belangen in Nederland heeft. Dat hij hier familie heeft en (een) onroerende zaak/zaken, is daartoe onvoldoende.

4.6.

Het voorgaande betekent dat de verstekrechter slechts bevoegd was ten aanzien van de door [eisers] gestelde schade die zich in Nederland heeft voorgedaan en tot ge- of verboden aangaande het Nederlandse grondgebied. De rechter heeft zich in het dictum van het verstekvonnis echter niet beperkt tot voornoemd Nederlands grondgebied. Daarom kan het verstekvonnis niet in stand blijven en zal de vordering van [eisers] opnieuw worden beoordeeld.

De rechtsmacht in verzet

4.7.

Resteert de vraag of de rechtbank in het verzet bevoegd is. Op grond van artikel 147 Rv wordt de instantie door het verzet heropend. De verzetdagvaarding geldt daarbij als conclusie van antwoord. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft niet opnieuw beoordeeld wordt. Dus ook in het verzet geldt dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zich beperkt tot de schade die is ontstaan in Nederland en tot ge- of verboden met betrekking tot het Nederlandse grondgebied.

Welk recht is van toepassing?

4.8.

Geen van partijen heeft zich op het standpunt gesteld dat ander recht van toepassing zou zijn dan dat van Nederland. Beide partijen hebben zich op Nederlandse wetsartikelen beroepen. Hieruit leidt de rechtbank een impliciete rechtskeuze voor de toepasselijkheid van Nederlands recht af.

in conventie

Schade?

4.9.

Als een van de meest verstrekkende verweren heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eisers] geen reputatieschade in Nederland heeft geleden. Zijn website [internetsite 2] werd vooral gelezen in (Latijns-) Amerika .

4.10.

Dat [internetsite 2] vooral werd gelezen in (Latijns-) Amerika is door [eisers] niet betwist. [eisers] heeft niet gemotiveerd gesteld dat hij reputatie- of vermogensschade in Nederland heeft geleden. De enkele in algemene bewoordingen gestelde omstandigheid dat [eisers] , die al vijfentwintig jaar in het buitenland woont, werkzaamheden verricht voor verschillende ondernemingen in verschillende landen waaronder Nederland en dat hij in Nederland familie heeft wonen en hier (een) onroerende zaak/zaken heeft is daartoe onvoldoende. Eventuele reputatieschade van de door [eisers] gedreven onderneming – wat daar verder ook van zij – kan hieraan door [eisers] in het kader van de onderhavige vordering niet ten grondslag worden gelegd nu dat niet zijn eigen schade betreft. Dit betekent dat onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat sprake is van in Nederland door [eisers] geleden schade, zodat de rechtbank niet toekomt aan een (verdere) inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eisers] tot schadevergoeding. Resteren de vorderingen tot een publicatieverbod, gebod tot verzoek om verwijdering uit zoekmachines, verbod van uitlatingen in de toekomst en verbod van publicatie van foto’s of persoonlijke gegevens van [eisers] Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank ten aanzien van deze vorderingen alleen rechtsmacht met betrekking tot het Nederlandse grondgebied. De verjaringstermijn van deze vorderingen is 20 jaar (artikel 3:306 en 3:314 van het Burgerlijk Wetboek) en de publicaties dateren van 2010 en later, zodat de vorderingen niet zijn verjaard. Aan een beoordeelding of deze vorderingen naar Nederlands recht (wereldwijd) onrechtmatig zijn komt de rechtbank echter niet toe. Nu in dit geding immers niet is gebleken dat sprake is van in Nederland geleden schade heeft de gestelde aantasting van de eer en goede naam van [eisers] in Nederland geen schadelijke gevolgen, zodat hij geen belang heeft bij toewijzing van de gevorderde ge- en verboden voor het Nederlandse grondgebied. Ook deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.11.

Het voorgaande betekent dat het verstekvonnis niet in stand kan blijven en de rechtbank opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eisers] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding, waaronder de nakosten, die zullen worden begroot als hierna volgt. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 885,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt x tarief € 452,00)

Totaal € 1.789,00

in reconventie

4.12.

Ingevolge artikel 7 lid 2 Rv komt de Nederlandse rechter in reconventie rechtsmacht toe indien hij rechtsmacht heeft in conventie, tenzij tussen de vordering in conventie en in reconventie onvoldoende samenhang bestaat. Deze uitzondering doet zich in dit geval niet voor, zodat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de reconventie. Ook in reconventie beperkt de rechtsmacht zich dan tot de schade die is ontstaan in Nederland en tot ge- of verboden met betrekking tot het Nederlandse grondgebied.

4.13.

[gedaagde] betoogt dat [eisers] de oorspronkelijke dagvaarding ten onrechte openbaar heeft betekend en doen publiceren in de Staatscourant. [eisers] was ten tijde van het uitbrengen van de oorspronkelijke dagvaarding in het bezit van een emailadres van [gedaagde] en heeft via dat mailadres veelvuldig met [gedaagde] gecommuniceerd hetgeen ook blijkt uit productie 3 zijdens [gedaagde] . Bovendien zijn de contactgegevens van [gedaagde] te vinden op zijn website [internetsite 1] (waarop zijn mail, telefoonnummer, webformulier, facebook- en twitter-account zijn opgenomen) en op de website [internetsite 2] (met webformulier, mailadres en twitter-link). Zelfs de advocaat van [eisers] , mr. Van Groenendaal, heeft [gedaagde] direct via zijn e-mail benaderd door een e-mail van 12 juni 2015 (overgelegd als productie 4 door [gedaagde] ). [eisers] heeft [gedaagde] niet gevraagd om een adres ter betekening van de (inleidende) dagvaarding in deze procedure. Evenmin heeft [eisers] [gedaagde] per mail de openbaar betekende dagvaarding toegestuurd. [eisers] wist dat [gedaagde] in Panama woonachtig was, hetgeen ook blijkt uit de door [eisers] in Panama tegen [gedaagde] ingediende strafklacht en de daarop volgende strafrechtelijke procedure. [eisers] was in persoon aanwezig tijdens de zittingen in Panama . Aldus heeft [eisers] volgens [gedaagde] onvoldoende gedaan om hem te traceren en heeft hij ten onrechte een verstekvonnis uitgelokt en aldus onrechtmatig jegens [gedaagde] gehandeld. Voorts heeft [eisers] onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde] door op basis van dat verstekvonnis derde partijen te benaderen met de suggestie dat de onrechtmatigheid van de publicaties van [gedaagde] door de Nederlandse rechter is beoordeeld. Hierdoor heeft [eiser 1] zonder deugdelijke grondslag bewerkstelligd dat de website [internetsite 2] door de host offline is gehaald.

4.14.

Tegen hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd omtrent de betekening van de dagvaarding is door [eisers] slechts aangevoerd dat hij veel tijd heeft verloren door te trachten de dagvaarding te betekenen aan het valse adres van [gedaagde] in Schotland. Wat daar verder ook van zij, [eisers] heeft niet gereageerd op de stelling van [gedaagde] dat [eisers] hem niet om zijn adres heeft gevraagd. Dat had hij wel moeten en kunnen doen. [eisers] heeft immers geen enkel verweer gevoerd tegen hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd omtrent zijn vindbaarheid (zie 4.13) zodat de rechtbank als vaststaand feit zal aannemen dat [eisers] ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding de beschikking had over contactgegevens van [gedaagde] . Het had dan ook tevens op de weg gelegen van [eisers] om [gedaagde] op enigerlei wijze op de hoogte te stellen van de door [eisers] tegen [gedaagde] uitgebrachte dagvaarding. Voor [eisers] was voorzienbaar dat [gedaagde] zich wilde verweren tegen zijn vorderingen, dat [gedaagde] bij een openbare betekening niet op de hoogte zou zijn van de dagvaarding en dat dan bij verstek de vorderingen van [eisers] toegewezen zouden worden. Het nalaten van [eisers] acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig. Dit betekent dat [eisers] op onrechtmatige wijze een verstekvonnis heeft uitgelokt.

4.15.

Evenmin is betwist dat [eisers] op basis van het verstekvonnis derden heeft aangeschreven om berichtgeving van [gedaagde] van internet te laten verwijderen. Nu het verstekvonnis onrechtmatig is uitgelokt, is ook het laten verwijderen van de publicaties van [gedaagde] door [eisers] op basis van dit verstekvonnis onrechtmatig jegens [gedaagde] . Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht – kort gezegd – dat [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld door onder verwijzing naar het verstekvonnis publicaties van [gedaagde] van het internet te laten verwijderen, zal worden toegewezen als hierna volgt.

4.16.

De vordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] als gevolg van voormeld onrechtmatig handelen van [eisers] in Nederland schade heeft geleden. [internetsite 2] richtte zich op (Latijns-) Amerika en is in augustus 2016 offline gehaald. [gedaagde] woont pas sinds begin 2017 weer in Nederland nadat hij zich, naar eigen zeggen, in 1998 in Nederland heeft uitgeschreven.

4.17.

Voor de reconventionele vordering om [eisers] te gebieden websites, publicisten en hostst aan te schrijven zoals door [gedaagde] gevorderd bestaat onvoldoende grondslag, omdat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of de publicaties van [gedaagde] al dan niet onrechtmatig waren. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.

4.18.

[eisers] zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van reconventie, welke de rechtbank begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

vernietigt het verstekvonnis van 11 mei 2016 (C/13/605325 / HA ZA 16-333) en opnieuw rechtdoende:

5.1.1.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering van [eisers] voor zover deze ziet op ge- en verboden alsmede op schadevergoeding geleden buiten het Nederlands grondgebied;

5.1.2.

wijst de vorderingen van [eisers] af;

5.1.3.

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot op heden begroot op

€ 1.789,00;

in reconventie

5.2.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering van [eisers] voor zover deze ziet op ge- en verboden alsmede op schadevergoeding geleden buiten het Nederlands grondgebied;

5.3.

verklaart voor recht dat [eisers] onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door, onder verwijzing naar het verstekvonnis, publicaties van [gedaagde] van internet te laten verwijderen;

5.4.

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot op heden begroot op nihil;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en in reconventie

5.6.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.7.

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.