Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:7001

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
13/680272-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

reeks bedrijfsinbraken gepleegd samen met een ander, bekennende verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/680272-16 en 15/810061-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 25 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [GBA] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S. de Klerk, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.A. Jansen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging ter terechtzitting van 11 juli 2017 - tenlastegelegd dat

ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 08 september 2016 te Heerenveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 1] ) heeft weggenomen 7, in elk geval een of meer computer(s) (merk Apple, type iMac), geheel of ten dele toebehorend aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat (bedrijfs)pand heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer (toegangs)deur(en) en/of ruit(en) van/aan/in voornoemd (bedrijfs)pand;

ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 20 maart 2016 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk BMW, type 1-serie, kenteken

[kenteken] ), geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen (personen)auto onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer deur(en) van voornoemde (personen)auto en/of (een) valse sleutel(s), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet is/was/zijn/waren gerechtigd;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 maart 2016 tot en met

19 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (personen)auto (merk BMW, type 1-serie, kenteken [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf

verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 3:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 september 2016 tot en met

24 september 2016 te Mechelen, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen 2, in elk geval een of meer computer(s) (merk Apple, type iMac), geheel of ten dele toebehorend aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat (bedrijfs)pand heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer omheiningsdra(a)d(en) van/rondom voornoemd (bedrijfs)pand en/of een of meer ra(a)m(en) van/aan voornoemd bedrijfs)pand en/of een of meer beveiligingsdra(a)d(en) welke van/aan voornoemde computer(s) vast zaten en/of door middel van inklimming via een raam in voornoemd (bedrijfs)pand;

ten aanzien van feit 4:

hij op of omstreeks 03 oktober 2016 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 3] ) heeft weggenomen

- 5, in elk geval een of meer computer(s) (merk Apple, type iMac) en/of

- een of meer laptop(s) (merk Apple, type Macbook) en/of

- een of meer videocamera('s) en/of

- een of meer drone(s) en/of

- een of meer televie(s) en/of

- een koffer en/of

- een of meer kabel(s) (voor elektronische apparatu(u)r(en),

geheel of ten dele toebehorend aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat (bedrijfs)pand heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer (glazen) (toegangs)deur(en) en/of ruit(en) van/aan voornoemd (bedrijfs)pand;

ten aanzien van feit 5:

hij op of omstreeks 05 oktober 2016 te Heerenveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 1] ) heeft weggenomen een of meer

(licht/camera)statief/(licht/camera)statieven en/of LED-panel(s), geheel of ten dele toebehorend aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat (bedrijfs)pand heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of meer (toegangs)deur(en) en/of ruit(en) van/aan/in voornoemd (bedrijfs)pand;

ten aanzien van feit 6:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 29 december 2016 te Amsterdam en/of Blaricum en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder het plegen van (bedrijfs)inbraken en/of het verkopen van gestolen goederen en/of witwassen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De vier inbraken die aan verdachte zijn tenlastegelegd onder de feiten 1, 3, 4 en 5 kunnen worden bewezen op basis van de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring ter terechtzitting van verdachte ten aanzien van deze inbraken.

Ten aanzien van feit 2 dient verdachte van het primair tenlastegelegde, de diefstal van de BMW, te worden vrijgesproken. De subsidiair tenlastegelegde schuldheling kan wel worden bewezen. Verdachte heeft als bijrijder in de auto gezeten en heeft deze auto telkens gebruikt voor het plegen van inbraken en het vervoeren van de daarbij gestolen goederen.

Voorts kan ook feit 6 worden bewezen. Verdachte heeft samen met onder andere de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband gevoerd volgens een vaste werkwijze en gedurende een lange periode. Er was sprake van een vaste verkoopcombinatie die zich bezighield met de verkoop van gestolen Apple producten. [medeverdachte 2] is de grote organisator geweest, verdachte was zijn vaste partner bij het plegen van bedrijfsinbraken. Beiden maakten voorafgaand aan het plegen van de inbraken gebruik van internet om op zoek te gaan naar potentiele bedrijven waar zij konden inbreken en maakten daar lijstjes van. Er werden afspraken gemaakt over tankgeld. Een deel van het gereedschap waarvan beide verdachten gebruik maakten bij de inbraken lag in de BMW. Beide verdachten hadden vaste afzetters waar zij hun gestolen goederen aan verkochten. De organisatie werd dus niet alleen gevormd door verdachte en [medeverdachte 2] , maar in ieder geval ook door de helers [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de schriftelijke pleitnota samengevat het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de tenlastegelegde bedrijfsinbraken onder de feiten 1, 3, 4 en 5 refereert de verdediging zich voor wat betreft een bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

Verdachte dient van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde onder feit 2 te worden vrijgesproken. Verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van de omstandigheid dat de BMW was gestolen en naar uiterlijke verschijningsvorm was er niets aan te merken op de auto. Ook de omstandigheid dat de auto op enig moment van kentekenplaten is veranderd, kan voor de beoordeling van het feit niet worden meegenomen nu niet is gebleken dat verdachte daarvan wetenschap had of daarbij betrokken is geweest.

Verdachte dient ook van feit 6 te worden vrijgesproken. Het is juist dat verdachte in een maand tijd vier inbraken heeft gepleegd met [medeverdachte 2] . Ten aanzien van deze inbraken heeft hij in overwegende mate alleen contact gehad met [medeverdachte 2] . Op de faciliterende rol die aan verdachte wordt toegedicht, valt het nodige af te dingen. Het waren slechts eenmalige feitelijkheden die door de politie ten onrechte worden gepresenteerd als terugkerende en algemene faciliterende handelingen. Uit het dossier blijkt overigens niet dat verdachte heeft geweten waar [medeverdachte 2] zich verder mee bezig heeft gehouden, of dit strafbare feiten zijn geweest en met wie hij zich in dat verband heeft ingelaten. Laat staan dat verdachte wetenschap heeft gehad van een criminele organisatie of dat hij met zijn handelen opzettelijk het oogmerk van de vermeende organisatie heeft verwezenlijkt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder feit 2 en feit 6 tenlastegelegde

Feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat zich in het

dossier geen aanknopingspunten bevinden dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal

van de BMW. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde feit.

De rechtbank zal verdachte voorts vrijspreken van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde heling van deze BMW. Weliswaar volgt uit de verder inhoud van dit vonnis ten aanzien van de onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten dat verdachte als bijrijder inzittende was van deze auto en dat deze auto telkens werd gebruikt voor het plegen van inbraken, maar daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen of verwerven van de BMW wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze auto afkomstig was van enig misdrijf. Van overige feiten of omstandigheden op grond waarvan dit wel zou kunnen worden vastgesteld, is niet gebleken.

Feit 6

Onder organisatie, als bedoeld in artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat komt vast te staan dat verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het volgende worden vastgesteld. Verdachte heeft gedurende een maand vier bedrijfsinbraken gepleegd samen met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] pleegde dergelijke inbraken ook samen met anderen dan verdachte.

Verdachte en [medeverdachte 2] zochten op internet gericht naar bedrijven waar zij konden inbreken en maakten daar lijstjes van. De bedrijven waar werd ingebroken, betroffen vooral media-/grafische bedrijven. Het is algemeen bekend dat bij dergelijke bedrijven met kostbare Apple computers en overige kostbare elektronische apparatuur wordt gewerkt en dat deze producten makkelijk zijn door te verkopen. De gestolen goederen werden, afhankelijk van het type en het bouwjaar ervan, tegen een lucratieve prijs afgezet bij een vaste groep helers. [medeverdachte 2] onderhield het contact met de helers. Verdachte en [medeverdachte 2] overlegden samen over de prijs die zij voor de door hen gestolen goederen wilden hebben en zij deelden voor de helft in de opbrengst.

Uit het dossier blijkt dat er enerzijds een groep stelers was waartoe verdachte en [medeverdachte 2] behoorden en anderzijds waren er helers zoals [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Van enige samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] als helers is niet gebleken. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de afzonderlijke helers opdracht gaven tot dan wel enige andere bijdrage hadden aan het plegen van de inbraken zelf. Ook omgekeerd was daarvan geen sprake. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de stelers samenwerkten met de helers anders dan door aan hen de gestolen goederen te verkopen. Zo was er bijvoorbeeld geen sprake van een opslag die uit middelen van een organisatie werd betaald, zag de administratie van [medeverdachte 1] uitsluitend op diens eigen inkopen en verkopen en is er niet gebleken van een onderlinge verdeling van gelden -anders dan tussen de stelers onderling van de opbrengt van de verkoop van gestolen goederen aan de helers-.

Dat de gestolen goederen na het plegen van de inbraken aan [medeverdachte 1] dan wel [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] werden doorverkocht, op basis van bepaalde prijslijsten, maakt niet reeds dat moet worden gesproken van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Stelers maken immers in het algemeen veelvuldig gebruik van (vaste) helers, maar zonder enige mate van een verdergaande samenwerking dan slechts de afzet van goederen - van welke verdergaande samenwerking in dit geval niet is gebleken – is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 2] ook niet samen of met anderen dan de genoemde helers een criminele organisatie vormden. Verdachte pleegde de inbraken weliswaar samen met [medeverdachte 2] , maar van een gestructureerd samenwerkingsverband is ook in dit opzicht geen sprake. Het bijvoorbeeld door verdachte slechts op incidentele basis verschaffen van tankgeld of gereedschap ten behoeve van de inbraak is daartoe onvoldoende en ook van versluierd taalgebruik is niet voldoende gebleken. De samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] is naar het oordeel van de rechtbank ‘slechts’ een nauwe en bewuste geweest in de zin van medeplegen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte als medepleger daarvan deel uitmaakte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 6 tenlastegelegde feit.

4.3.2

Het oordeel over het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde

Op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van vier bedrijfsinbraken, te weten bij [bedrijf 1] op 8 september 2016 en 5 oktober 2016, bij [bedrijf 3] en bij [bedrijf 2] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 8 september 2016 te Heerenveen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen 7 computers, merk Apple, type iMac, toebehorend aan [bedrijf 1] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededade, zich de toegang tot dat bedrijfspand hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een ruit en verbreking van toegangsdeuren van voornoemd bedrijfspand;

ten aanzien van feit 3:

op 24 september 2016 te Mechelen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen 2 computers, merk Apple, type iMac, toebehorend aan [bedrijf 2] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot dat bedrijfspand hebben verschaft door middel van verbreking van een omheiningsdraad rondom voornoemd bedrijfspand en braak op een raam van voornoemd bedrijfspand en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van beveiligingsdraden welke aan voornoemde computers vast zaten;

ten aanzien van feit 4:

op 3 oktober 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen

- 5 computers, merk Apple, type iMac en

- laptops, merk Apple, type Macbook en

- videocamera's en

- drones en

- televisies en

- kabels voor elektronische apparatuur,

toebehorend aan [bedrijf 3] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot dat bedrijfspand hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van een glazen toegangsdeur en/of ruiten van voornoemd bedrijfspand;

ten aanzien van feit 5:

op 5 oktober 2016 te Heerenveen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen licht/camerastatieven en LED-panels, toebehorend aan [bedrijf 1] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot dat bedrijfspand hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een toegangsdeur en een ruit van voornoemd bedrijfspand.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en de maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van

26 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden het reclasseringstoezicht zoals dat gold ten tijde van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op 24 april 2017.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf dient te worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] dient voor zowel de materiele schade, met een kleine matiging, als de immateriële schade hoofdelijk te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] dient in zijn geheel hoofdelijk te worden toegewezen, ook met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de eis van de officier van justitie te matigen nu deze niet is gemotiveerd. Conform de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) zou een gevangenisstraf van drie maanden per inbraak aan verdachte kunnen worden opgelegd als wordt uitgegaan van recidive. Daarvan dient twee maanden te worden afgetrokken vanwege het feit dat verdachte een enkelband heeft gedragen. Elektronisch toezicht is immers al een vrijheidsbeperkende maatregel. Van de overgebleven tien maanden dient ongeveer de helft in voorwaardelijke vorm te worden opgelegd en te worden gecombineerd met een taakstraf.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf dient te worden toegewezen met dien verstande dat deze wordt omgezet in een taakstraf.

De benadeelde partij [bedrijf 1] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zowel de gevorderde materiële schade als de immateriële schade. De schade die is ontstaan doordat de goederen zijn weggenomen, is geheel vergoed door de verzekering. Hierbij is niet aangegeven op welke manier de verzekering rekening heeft gehouden met de fiscale afschrijvingstermijn van computers. De overige opgegeven schade is niet gemotiveerd. Daarnaast is immateriële schade opgegeven, maar die komt niet voor vergoeding in aanmerking nu de benadeelde een vennootschap onder firma is.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] kan worden toegewezen het bedrag van € 820,- voor nieuw glas. Voor het overige is de vordering te complex en niet voldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich samen met een ander gedurende een maand schuldig gemaakt aan het plegen van vier bedrijfsinbraken. Hierbij werd geraffineerd te werk gegaan. Van te voren werd op internet gericht gezocht naar grafische bedrijven of mediabedrijven omdat daar, zoals verdachte zelf op zitting heeft verklaard, veelal dure Apple producten konden worden buitgemaakt die gemakkelijk en tegen goede prijzen konden worden doorverkocht. Zo gingen de verdachten met een zelf samengesteld lijstje van bedrijven op pad en braken daar vervolgens in, veelal met behoorlijk veel geweld. De weggenomen goederen werden direct afgezet bij helers en de opbrengst werd onder verdachte en [medeverdachte 2] gelijkelijk verdeeld. Dit leverde voor verdachte grote verdiensten op. Daarnaast hebben deze feiten veel overlast en schade veroorzaakt, wat ook blijkt uit de vorderingen van de benadeelde partijen. De inbraken en de gevolgen daarvan waren van dien aard dat hun bedrijfsvoering korte tijd stil kwam te liggen. Verdachten hebben zich hiervan geen rekenschap gegeven en waren puur en alleen uit op eigen financieel gewin. De rechtbank neemt hen dat zeer kwalijk.

Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank voorts mee dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 15 juni 2017 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder inbraken, en dat hij nog in een proeftijd liep hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden zich wederom aan dergelijke feiten schuldig te maken.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 april 2017. Hieruit blijkt dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat. De onderhavige strafbare feiten maken deel uit van een patroon van vermogensdelicten. Volgens de reclassering is het van belang dat verdachte inzicht krijgt in zijn eigen gedrag, risicovolle situaties gaat herkennen en andere keuzes gaat maken. Ook is het van belang dat verdachte zijn zaken op orde krijgt. Reclasseringstoezicht en het inzetten van interventies is hiervoor een geschikt middel. Om die reden wordt geadviseerd de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, een behandelverplichting bij De Waag, een locatiegebod op het adres [GBA] met elektronisch toezicht en andere voorwaarden het gedrag van verdachte betreffende zoals meewerken aan het vinden van huisvesting, meewerken aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, meewerken aan het verkrijgen van een inkomensvoorziening en inzicht geven in zijn sociale netwerk.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het voortgangsverslag toezicht van 5 juli 2017, dat is opgemaakt in het kader van de begeleiding tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte onder bijzondere voorwaarden met ingang van 24 april 2017. Uit dit verslag blijkt het volgende. De motivatie van verdachte om mee te werken aan het toezicht is vanaf de start van het schorsingstoezicht hoog geweest. Verdachte heeft aangegeven een ander leven te willen en hij heeft een aantal doelen op praktisch gebied bereikt. Zo heeft hij dagbesteding bij [werkgever] waar hij kleding sorteert voor het Leger des Heils en daarnaast verricht hij hier taken als verhuizer. Omdat verdachte bij zijn ouders verblijft, was het mogelijk om een enkelband aan te sluiten. Gedurende het toezicht heeft verdachte zich aan de tijden van de elektronische controle gehouden. Verdachte heeft een uitkering aangevraagd en hij is aangemeld voor een behandeling bij De Waag waar hij op 7 juli 2017 een intake zal hebben. Tot slot voldoet hij aan de meldplicht. Gelet op het bovenstaande ziet de reclassering mogelijkheden voor continuering binnen een juridisch kader zodat er verder gewerkt kan worden aan de gestelde bijzondere voorwaarden binnen het schorsingstoezicht. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het reeds ingezette hulpverleningstraject wat goed verloopt, afbreken.

De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte gaat inzien dat zijn leven een andere wending moet krijgen. Hij heeft hulp nodig op meerdere vlakken. Deze hulp is recent opgestart en de reclassering ziet mogelijkheden voor verdere begeleiding. Ter terechtzitting is gebleken dat de intake bij De Waag heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft er blijk van gegeven de hem geboden hulp te willen aannemen. Het is nu aan verdachte om te laten zien dat hij daadwerkelijk gemotiveerd is zijn criminele verleden achter zich te laten en de rechtbank zal hem hiertoe, met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur en daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden, de kans bieden.

De rechtbank zal dan ook het advies van de reclassering overnemen en de bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel verbinden, met dien verstande dat zij aan het voortzetten van het elektronisch toezicht en locatiegebod een maximumtermijn zal verbinden van vier maanden.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het niet passend en geboden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van aanzienlijk langere duur dan verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

In beginsel zou, gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en op bovengenoemde strafverhogende factoren, per inbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en dus van zestien maanden in totaal gerechtvaardigd zijn. Gelet echter op al het voorgaande, in samenhang bezien met het feit dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de hem tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat termen aanwezig zijn ten voordele van verdachte af te wijken van hetgeen de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, opleggen gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf.

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf 3] (feit 4)

De benadeelde partij [bedrijf 3] vordert € 5.720,15 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gestelde schade bestaat uit een bedrag voor het vervangen van het glas in een deur en tevens uit een bedrag voor gederfde inkomsten.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding ad € 820,15 is niet betwist en zal daarom worden toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde gederfde inkomsten van € 4.900,- waarvan € 2.450,- ziet op de kosten voor het personeel, bestaande uit acht personen, dat twee dagen niet heeft kunnen werken, geldt het volgende. Vast staat dat [bedrijf 3] schade heeft geleden doordat zij ten gevolge van de inbraak waarbij alle computers zijn weggenomen, haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren. De exacte hoogte van dit schadebedrag laat zich thans – bij gebrek aan nadere onderbouwing – niet vaststellen. Nu het bestaan van schade echter vaststaat, zal de rechtbank de schade zoals die in ieder geval wordt geacht te zijn geleden, begroten en wel als volgt. De rechtbank gaat uit van vijf man personeel nu de drie vennoten niet in dienst zijn van het bedrijf. Een bedrag van € 100,- per persoon per dag acht de rechtbank redelijk, wat betekent dat een totaal bedrag van € 1.000,- wordt toegewezen voor gederfde inkomsten gedurende twee dagen.

De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat dat deel – wegens het ontbreken van bijvoorbeeld loonspecificaties – onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering indien gewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In totaal zal dus een schadevergoeding worden toegekend van € 1.820,15, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2016, zijnde het moment van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Verder zal verdachte worden veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

In het belang van [bedrijf 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [bedrijf 1] (feiten 1 en 5)

De benadeelde partij [bedrijf 1] vordert € 500,- aan immateriële schadevergoeding en € 15.559,11 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiele schadevergoeding bestaat uit kosten die door de inbraken zijn ontstaan en kosten die zijn gemaakt nadat de inbraken zijn gepleegd.

Immateriële schade

In het geval een benadeelde partij een vennootschap onder firma betreft (of een rechtspersoon in een andere vorm), bestaat geen ruimte een schadevergoeding wegens ontstaan psychisch letsel toe te kennen. Reeds daarom zal de vordering voor wat betreft deze schadepost worden afgewezen.

Kosten die door de inbraak zijn ontstaan

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en feit 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Zoals uit de vordering blijkt heeft de verzekeraar de waarde van nagenoeg alle gestolen goederen geheel vergoed. Omdat niet is onderbouwd hoe de verzekering tot het toegekende schadebedrag is gekomen, is het voor de rechtbank niet duidelijk in welke mate de verzekering hierbij rekening heeft gehouden met fiscale afschrijvingen alsmede de dagwaarde wat maakt dat geen ruimte meer bestaat voor toekenning van het meerdere. De benadeelde partij zal dan ook voor dat deel, behoudens het eigen risico van € 125,- wat de benadeelde partij twee keer heeft moeten betalen, niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Kosten die zijn gemaakt nadat de inbraken zijn gepleegd

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding van € 9.676,95,- gevorderd, bestaande uit kosten die zijn gemaakt voor het plaatsen van extra barricades in het pand (1), het stilleggen van het bedrijf (2) en andere kosten (3).

(1) Hoewel de kosten die zijn gemaakt voor het plaatsen van extra barricades voldoende zijn onderbouwd, kan deze schade niet worden toegewezen. Het is op zichzelf voorstelbaar dat een bedrijf na een inbraak extra maatregelen neemt ter voorkoming van een volgende inbraak, maar dit zijn kosten die zijn gemaakt ter preventie tegen inbraak en geen kosten die in juridische zin het rechtstreekse gevolg zijn van de inbraak. De vordering zal voor dat deel worden afgewezen.

(2) Vast staat dat [bedrijf 1] schade heeft geleden doordat zij ten gevolge van de inbraak, waarbij alle computers zijn weggenomen, haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren. De exacte hoogte van dit schadebedrag laat zich thans – bij gebrek aan nadere onderbouwing –niet vaststellen. Nu het bestaan van schade echter vaststaat, zal de rechtbank de schade zoals die in ieder geval wordt geacht te zijn geleden, begroten en wel als volgt. Uit de vordering blijkt dat 6 fte hun werk gedurende twee dagen niet hebben kunnen uitoefenen; de rechtbank stelt dit gelijk aan zes personen. Een bedrag van € 100,- per persoon per dag acht de rechtbank redelijk, wat betekent dat een totaal bedrag van € 1.200,- wordt toegewezen doordat het bedrijf kwam stil te liggen gedurende twee dagen.

De benadeelde partij zal voor het overige deel dat ziet op gederfde inkomsten niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat dat deel – wegens het ontbreken van bijvoorbeeld loonspecificaties – onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering indien gewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

(3) De andere kosten die zijn gemaakt, zijn niet onderbouwd. De benadeelde partij zal voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

In totaal zal dus een schadevergoeding worden toegekend van € 1.450,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2016, zijnde het moment van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

In het belang van [bedrijf 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (TUL)

Bij de stukken bevindt zich de op 20 april 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/810061-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van

28 mei 2015 van de Meervoudige Kamer van de rechtbank te Haarlem, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 73 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 3 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze relatief kortdurende gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf zoals is verzocht door de verdediging. Deze gevangenisstraf zal de begeleiding door de reclassering dan wel de nieuwe wending die veroordeelde aan zijn leven wil geven gedurende die periode van tenuitvoerlegging onderbreken doch bepaald niet behoeven af te breken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en de maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 en feit 6 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1 en 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4 en 5:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich zal melden bij de reclassering Leger des Heils te Amsterdam wanneer hij wordt opgeroepen voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende de door de reclassering bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht. Gedurende deze periode moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder veroordeelde opdrachten kan en mag geven die betrekking hebben op zijn handel en wandel, met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt;

- zich, gelet op de directe samenhang van het ontbreken van enkele vaardigheden en inzicht in eigen handelen, met het crimineel gedrag van veroordeelde, zal laten behandelen bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie of een soortgelijke instelling, voor zolang als de behandelaars of de reclassering dit nodig acht;

- zal meewerken aan de voortzetting van de toepassing van elektronische controlemiddelen (enkelband). De veroordeelde zal zich gedurende vier maanden, of zoveel korter als de reclassering verantwoord acht, moeten houden aan het locatiegebod dat middels de enkelband wordt gecontroleerd. Dit locatiegebod houdt in dat veroordeelde aanwezig zal zijn in het opgedragen gebied, te weten [GBA] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Daarbij heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 12 (twaalf) uur ter invulling van zijn dagbesteding (buiten het opgedragen gebied). In de weekenden heeft veroordeelde 4 (vier) uur vrij te besteden. Wanneer veroordeelde op doordeweekse dagen geen vastgestelde dagbesteding heeft, krijgt hij 2 (twee) uur vrij te besteden. Alle uren worden vooraf vastgesteld door de reclassering in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding;

- meewerkt aan het vinden van huisvesting;

- meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding;

- meewerkt aan het verkrijgen van een inkomens voorziening;

- inzicht geeft in zijn sociale netwerk.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een zaktelefoon, Apple IPhone (5279209)

- een zaktelefoon, Samsung (5279202)

Wijst de vordering van [bedrijf 3], gevestigd op het adres [adres 3] te Dordrecht, toe tot € 1.820,15 (achttienhonderdtwintig euro en vijftien cent), bestaande uit materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2016, zijnde het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 3] , aan de Staat € 1.820,15 (achttienhonderdtwintig euro en vijftien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2016, zijnde het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag der algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 28 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Wijst de vordering van [bedrijf 1], gevestigd op het adres [adres 1] te Heerenveen, toe tot

€ 1.450,- (veertienhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

8 september 2016, zijnde het moment van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 1] , aan de Staat € 1.450,- (veertienhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

8 september 2016, zijnde het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag der algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 24 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

De vordering wordt voor het deel dat ziet op de immateriële schadevergoeding afgewezen als ook voor het deel van de gevorderde materiele schadevergoeding dat ziet op vergoeding van extra barricades. Voor het overige deel van de materiële schadevergoeding wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 28 mei 2015 met parketnummer 15/810061-15, namelijk een gevangenisstraf van 73 dagen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli 2017.