Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
13/674144-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk voor een gewapende woningoverval en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Geen psychische overmacht. Verminderd toerekeningsvatbaar. Geen ASR, wel aansluiting gezocht bij jeugdstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/674144-14

Datum uitspraak: 28 september 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.C. van Dijk en van wat verdachte, haar raadsman mr. D. Fontein en de benadeelde partij [naam 1] naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 12 oktober 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een of meer (twee) laptop(s) (merk Aser en/of merk Sony) en/of

- een of meer (twee) digitale camera('s) (merk Sony en/of merk Nokia) en/of

- een of meer siera(a)d(en) en/of

- een horloge en/of

- een navigatiesysteem (merk Mio) en/of

- een of meer (twee) mobiele telefoon(s) (merk Nokia) en/of

- een game console (merk Wii) en/of

- een of meer (twee) jurk(en) en/of

- een of meer geldbedrag(en) (van in totaal (ongeveer) 650 euro) en/of

- een spaarvarken en/of

- een toilettas (met daarin diverse toiletartikelen),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s);

  • -

    naar de woning van die [naam 2] en/of die [naam 1] is/zijn gegaan en/of (vervolgens) (aldaar) heeft/hebben aangeklopt en/of (vervolgens) de deur van die woning heeft/hebben opengeduwd en/of

  • -

    een of meer vuurwapen(s), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) aan/op en/of in de richting van die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of getoond en/of

  • -

    dreigend die vuurwapen(s), althans die op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) heeft/hebben doorgeladen en/of

  • -

    een of meer ma(a)l(en) dreigend tegen die [naam 1] heeft/hebben gezegd: "Loop mee, doe rustig, doe rustig", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    (met kracht) die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of

  • -

    dreigend tegen die [naam 2] heeft/hebben gezegd en/of geschreeuwd: "Niet kijken, niet kijken, keer je gezicht", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    (met kracht) die [naam 2] en/of die [naam 1] naar de slaapkamer heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens) tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben gezegd dat die [naam 2] en/of die [naam 1] op de grond moest(en) knielen en/of met haar/hun gezicht(en) voorover op het matras moest(en) gaan liggen, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    een of meer ma(a)l(en) tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben gezegd en/of geschreeuwd: "Waar is geld" en/of "Hou je bek, hou je bek dicht" en/of "Doe je handen op je rug", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    (vervolgens) de hand(en) en/of arm(en) en/of voet(en) en/of be(e)n(en) van die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben vastgebonden en/of meegenomen naar de badkamer en/of (vervolgens) dreigend tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] gezegd dat die [naam 2] en/of die [naam 1] op haar/hun buik(en) op de grond moest(en) gaan liggen en/of (een) jas(en) over de/het hoofd(en) van die [naam 2] en/of die [naam 1] gelegd (zodat die [naam 2] en/of die [naam 1] niets meer kon(den) zien) en/of

  • -

    dreigend tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] gezegd: "Jullie blijven liggen, anders schiet ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

zij op of omstreeks 12 oktober 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk [naam 2] en/of [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of (een of meer) van haar mededader(s)

  • -

    een of meer vuurwapen(s), althans (een) op vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) aan/op en/of in de richting van die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of getoond en/of

  • -

    dreigend die vuurwapen(s), althans die op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) heeft/hebben doorgeladen en/of

  • -

    (met kracht) die [naam 2] en/of die [naam 1] naar de slaapkamer heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens) tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben gezegd dat die [naam 2] en/of die [naam 1] op de grond moest(en) knielen en/of met haar/hun gezicht(en) voorover op het matras moest(en) gaan liggen, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

  • -

    de hand(en) en/of arm(en) en/of voet(en) en/of be(e)n(en) van die [naam 2] en/of die [naam 1] heeft/hebben vastgebonden en/of meegenomen naar de badkamer en/of (vervolgens) dreigend tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] gezegd dat die [naam 2] en/of die [naam 1] op haar/hun buik(en) op de grond moest(en) gaan liggen en/of (een) jas(en) over de/het hoofd(en) van die

  • -

    [naam 2] en/of die [naam 1] gelegd (zodat die [naam 2] en/of die [naam 1] niets meer kon(den) zien) en/of

  • -

    dreigend tegen die [naam 2] en/of die [naam 1] gezegd: "Jullie blijven liggen, anders schiet ik je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Uit de bewijsmiddelen blijkt de rechtbank het volgende. Op 12 oktober 2009 heeft er een overval plaatsgevonden op een woning in Amsterdam. De overval werd gepleegd door twee mannen en een vrouw. De bewoners [naam 1] en [naam 2] werden daarbij bedreigd met een vuurwapen. Zij werden naar de slaapkamer geduwd en moesten op het bed gaan liggen. Er werd gevraagd waar geld was. [naam 1] en [naam 2] werden vervolgens met de handen op de rug vastgebonden en naar de badkamer gebracht. Over hun hoofden werden jassen gelegd. Ze moesten op de badkamervloer blijven liggen en mochten niet praten. In de badkamer werden ook hun voeten vastgebonden. Ondertussen werd de woning door de overvallers doorzocht. De overval heeft ongeveer 20 tot 25 minuten geduurd.

Over de rol van de vrouwelijke overvaller hebben [naam 1] en [naam 2] verklaringen afgelegd. De rechtbank leidt hier het volgende uit af. Er werd op de deur geklopt en toen [naam 1] opendeed, zag zij een vrouw staan. De vrouw zei iets in de trant van: “Ik ben een nieuwe buur”. [naam 1] vond dit vreemd en wilde meteen de deur weer dichtduwen. De deur werd echter opengeduwd, waarna de vrouw en twee mannen, van wie tenminste één met een vuurwapen, naar binnen liepen. Toen [naam 1] en [naam 2] in de badkamer lagen, bleef de vrouwelijke overvaller bij hun staan. De vrouwelijke overvaller heeft meerdere keren geroepen dat [naam 1] en [naam 2] hun bek moesten houden. De vrouwelijke overvaller kreeg van een van de mannen de opdracht om de sieraden van [naam 1] en [naam 2] af te pakken, waarna zij de trouwring van de vinger van [naam 2] probeerde te trekken. Nadat [naam 2] en [naam 1] smeekten om de trouwringen te laten zitten, schoof de vrouwelijke overvaller de ring weer terug.

Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat een in de badkamer veiliggesteld spoor matcht met de handpalm van verdachte. Verdachte is vervolgens aangehouden en heeft zich op haar zwijgrecht beroepen en ontkend. Na een contra-expertise op verzoek van de verdediging, waarmee de eerdere bevindingen werden bevestigd, heeft verdachte op de zitting van 14 september 2017 bekend dat zij de vrouwelijke overvaller was.

Verdachte heeft op de zitting verder verklaard, dat ze niet in de woning wilde zijn en dat ze van te voren niet wist wat de andere overvallers van plan waren. Eén van de overvallers was volgens verdachte haar toenmalige partner, genaamd [naam 3] . Zij zou door hem zijn gedwongen om bij de woning aan te bellen. Als zij dat niet zou doen, zou hij haar vermoorden of slaan. Ze werd daarbij bedreigd met een vuurwapen. Toen er door één van de bewoners werd opengedaan, werd zij door [naam 3] naar binnen getrokken. Verdachte weet niet wat er verder in de woning is gebeurd. [naam 1] en [naam 2] werden door [naam 3] in de badkamer vastgebonden en zij moest daar ook blijven. Verdachte stelt dat ze niet heeft meegeholpen met het vastbinden van [naam 1] en [naam 2] , dat ze ook geen jas over hun hoofden heeft gegooid en dat ze niet in de woning heeft meegezocht naar spullen. Verdachte ontkent verder dat zij tegen [naam 1] en [naam 2] heeft gezegd dat ze hun bek moesten houden. Verdachte zou één keer “bek houden” hebben gezegd, maar dat was tegen [naam 3] , omdat hij dreigde haar naam te noemen. Verder erkent verdachte dat zij, op aangeven van [naam 3] , een ring van de vinger van één van de bewoners wilde schuiven. Ze heeft de ring echter weer teruggegeven, omdat ze het zielig vond, aldus verdachte.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de woningoverval (feit 1) en de vrijheidsberoving van [naam 1] en [naam 2] (feit 2).

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide feiten. Verdachte heeft niet van te voren met haar vriend besproken wat de bedoeling was. Ze moest van hem aanbellen en werd vervolgens gedwongen om mee de woning in te gaan. Verdachte heeft verder “houd je bek” gezegd, wat dreigend kan zijn overgekomen op [naam 1] en [naam 2] die niets konden zien, maar verdachte zei dit niet tegen hen. Omdat [naam 1] en [naam 2] niets konden zien, hebben zij bovendien alleen kunnen verklaren over wat zij denken dat er is gebeurd. De rol van verdachte voldoet niet aan de vereisten van medeplegen. Mogelijk wel aan die van een medeplichtige, maar dat is niet aan verdachte ten laste gelegd.

De rechtbank vindt de verklaring van verdachte, voor zover zij daarin haar rol kleiner heeft gemaakt dan [naam 1] en [naam 2] hebben verklaard, niet geloofwaardig. Aangezien de verklaring van verdachte pas is afgelegd op de zitting en dus nadat het politieonderzoek was afgerond en er op verzoek van de verdediging een contra-expertise naar het sporenonderzoek heeft plaatsgevonden, moet er behoedzaam worden omgegaan met deze verklaring. Verdachte heeft deze verklaring immers kunnen afstemmen op de inhoud van het dossier. [naam 1] en [naam 2] hebben echter ieder voor zich kort na de overval een uitgebreide en gedetailleerde verklaring bij de politie afgelegd. Deze verklaringen komen bovendien op essentiële onderdelen met elkaar overeen en komen overeen met de in de woning aangetroffen sporen. Verdachte geeft daarentegen geen volledige opening van zaken, bijvoorbeeld voor wat betreft de namen van de andere overvallers. Bovendien komt haar verklaring niet overeen met de verklaring van een buurvrouw, voor zover deze ziet op de wijze waarop zij met de andere overvallers door de algemene toegangsdeur binnen is gekomen. De rechtbank ziet in de verklaring van verdachte dan ook geen aanleiding om aan de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] te twijfelen.

Op grond van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] stelt de rechtbank vast dat verdachte heeft aangeklopt bij de woning, de wacht heeft gehouden in de badkamer waar [naam 1] en [naam 2] vastgebonden lagen, meerdere malen “houd je bek” tegen hen heeft geroepen en de trouwring van een van de bewoners heeft geprobeerd van haar vinger te schuiven. Er is niet gebleken dat verdachte zich op enigerlei wijze heeft geprobeerd te distantiëren van wat er in de woning gebeurde. Verdachte wist bovendien dat een van haar medeovervallers tijdens de overval een vuurwapen bij zich had.

Verdachte heeft dus zelf uitvoeringshandelingen verricht van zowel de gewapende overval als van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met de andere overvallers. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan zowel feit 1 als feit 2.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 12 oktober 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

  • -

    twee laptops (merk Aser en merk Sony) en

  • -

    twee digitale camera's (merk Sony en merk Nokia) en

  • -

    sieraden en

  • -

    een horloge en

  • -

    een navigatiesysteem (merk Mio) en

  • -

    twee mobiele telefoons (merk Nokia) en

  • -

    een game console (merk Wii) en

  • -

    twee jurken en

  • -

    een geldbedrag van in totaal ongeveer 650 euro en

  • -

    een spaarvarken en

  • -

    een toilettas met daarin diverse toiletartikelen,

toebehorende aan [naam 2] en/of [naam 1] , welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam 2] en die [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat zij, verdachte, en haar mededaders

  • -

    naar de woning van die [naam 2] en die [naam 1] zijn gegaan en vervolgens aldaar hebben aangeklopt en vervolgens de deur van die woning hebben opengeduwd en

  • -

    een vuurwapen op en in de richting van die [naam 2] en die [naam 1] hebben gericht en getoond en

  • -

    dreigend dat vuurwapen hebben doorgeladen en

  • -

    dreigend tegen die [naam 1] hebben gezegd: "Loop mee, doe rustig, doe rustig", en

  • -

    die [naam 2] en die [naam 1] hebben vastgepakt en vastgehouden en

  • -

    dreigend tegen die [naam 2] hebben geschreeuwd: "Niet kijken, niet kijken, keer je gezicht", en

  • -

    die [naam 2] en die [naam 1] naar de slaapkamer hebben geduwd en vervolgens tegen die [naam 2] en die [naam 1] hebben gezegd dat die [naam 2] en die [naam 1] op de grond moesten knielen en met hun gezichten voorover op het matras moesten gaan liggen, en

  • -

    meermalen tegen die [naam 2] en die [naam 1] hebben geschreeuwd: "Waar is geld" en "Hou je bek, hou je bek dicht" en "Doe je handen op je rug", en

  • -

    de handen en voeten van die [naam 2] en die [naam 1] hebben vastgebonden en meegenomen naar de badkamer en vervolgens dreigend tegen die [naam 2] en die [naam 1] gezegd dat die [naam 2] en die [naam 1] op hun buiken op de grond moesten gaan liggen en jassen over de hoofden van die [naam 2] en die [naam 1] gelegd zodat die [naam 2] en die [naam 1] niets meer konden zien en

  • -

    dreigend tegen die [naam 2] en die [naam 1] gezegd: "Jullie blijven liggen, anders schiet ik je dood";

Feit 2

op 12 oktober 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [naam 2] en [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij, verdachte, en haar mededaders

  • -

    een vuurwapen op en in de richting van die [naam 2] en die [naam 1] hebben gericht en getoond en

  • -

    dreigend dat vuurwapen hebben doorgeladen en

  • -

    die [naam 2] en die [naam 1] naar de slaapkamer hebben geduwd en vervolgens tegen die [naam 2] en die [naam 1] hebben gezegd dat die [naam 2] en die [naam 1] op de grond moesten knielen en met hun gezichten voorover op het matras moesten gaan liggen en

  • -

    de handen en voeten van die [naam 2] en die [naam 1] hebben vastgebonden en meegenomen naar de badkamer en vervolgens dreigend tegen die [naam 2] en die [naam 1] gezegd dat die [naam 2] en die [naam 1] op hun buiken op de grond moesten gaan liggen en jassen over de hoofden van die [naam 2] en die [naam 1] gelegd zodat die [naam 2] en die [naam 1] niets meer konden zien en

  • -

    dreigend tegen die [naam 2] en die [naam 1] gezegd: "Jullie blijven liggen, anders schiet ik je dood".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de bewijsmiddelen. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Psychische overmacht

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte heeft gehandeld in een psychische-overmachtssituatie. Verdachte werd destijds lichamelijk en geestelijk mishandeld door [naam 3] en was erg bang voor hem. In een eerdere strafzaak, die in dezelfde periode plaatsvond en waarbij [naam 3] ook betrokken was, is geadviseerd om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De druk en de angst, waaronder verdachte toen leefde, bestonden ook ten tijde van de woningoverval. Ze was niet in staat zich te onttrekken aan de situatie. [naam 3] bedreigde haar met een vuurwapen en zei dat zij mee de woning in moest. Zij wist dat [naam 3] zijn dreigementen zou waarmaken als ze niet naar hem zou luisteren. De druk die [naam 3] op haar uitoefende, in combinatie met hun gewelddadige relatie, was zo intens, dat verdachte daar redelijkerwijs geen weerstand aan kon bieden.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen als aannemelijk is dat het handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, drang of kracht, waartegen zij redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. Voor de door de verdediging gestelde psychische druk door [naam 3] geeft het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Aangenomen kan worden dat verdachte destijds een zeer ongezonde relatie met [naam 3] had en dat zij destijds nog jong en beïnvloedbaar was. Deze factoren zijn echter onvoldoende om tot een geslaagd beroep op psychische overmacht te komen. Als [naam 3] inderdaad betrokken was bij de woningoverval – verdachte heeft pas op de zitting over zijn betrokkenheid verklaard, waardoor het Openbaar Ministerie niet in de gelegenheid is geweest die betrokkenheid te onderzoeken – is niet aannemelijk geworden dat hij verdachte kort voor de woningoverval zou hebben bedreigd. Het dossier biedt daarvoor immers geen enkele ondersteuning. Er ligt alleen de verklaring van verdachte. Bovendien zijn er contra-indicaties. Uit het dossier blijkt namelijk dat verdachte, tegen de opdracht in die zij naar eigen zeggen van [naam 3] kreeg, de trouwring van een van de bewoners weer terug om haar vinger zou hebben geschoven. Ook de eigen verklaring van verdachte, dat zij “hou je bek” tegen [naam 3] zou hebben geroepen, strookt niet met haar verklaring dat zij onder dusdanige psychische druk stond dat zij hem niets kon weigeren, omdat zij anders geslagen of vermoord zou worden. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.

Toerekeningbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een Pro Justitia-rapport van 22 april 2011, opgemaakt door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog. Dit rapport is opgemaakt naar aanleiding van de verdenking tegen verdachte van brandstichting in december 2009 (parketnummer 13/651043-10). De psycholoog adviseerde de rechtbank destijds om verdachte, gezien een bij haar vastgestelde ziekelijke stoornis in de geestvermogens in de vorm van een identiteitsprobleem, als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Door deze problematiek was zij makkelijk te manipuleren en het was tevens de voedingsbodem voor de ziekmakende relatie die zij met haar (ex)vriend [naam 3] onderhield, aldus de psycholoog. De rechtbank ziet aanleiding om verdachte ook in deze zaak als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, omdat het bewezenverklaarde in dezelfde periode plaatsvond en – volgens verdachte – ook onder invloed van [naam 3] .

9 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte, naar het volwassenstrafrecht, een gevangenisstraf wordt opgelegd van twaalf maanden waarvan drie voorwaardelijk met daarbij de voorwaarden zoals door de reclassering in 2013 geadviseerd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk is, omdat dit het recidiverisico zou verhogen. Verdachte heeft met haar twee jonge kinderen haar leven nu goed op orde. De rechtbank zou bij de strafoplegging het jeugdrecht als uitgangspunt moeten nemen. Verdachte was net achttien jaar geworden toen zij de woningoverval pleegde en valt dus onder het adolescentenstrafrecht. Uit de rapporten uit die periode blijkt dat haar persoonlijkheid toen nog niet was uitgekristalliseerd. Verdachte is bovendien zwakbegaafd en werd door haar toenmalige vriend gemanipuleerd. Voor feit 1 en feit 2 geldt daarnaast dat sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Ook is de redelijke termijn overschreden.

De persoon van verdachte

Uit het eerder genoemde Pro Justitia rapport blijkt dat verdachte destijds op zwakbegaafd niveau functioneerde. Uit het vervolgplan/eindverslag van Stichting Altra van 13 mei 2016 en de toelichting van verdachte op de zitting blijkt dat zij nu een woning heeft en een vaste baan. Haar jongste kind woont weer bij haar thuis en ze is een procedure gestart zodat ook haar oudste kind weer bij haar thuis mag wonen. Verdachte werkt hard om haar zaken zelf te regelen, maar heeft daarin soms nog wel ondersteuning nodig van de bij haar betrokken hulpverleners. Als verdachte daar behoefte aan heeft, kan zij ook nu nog ondersteuning krijgen van Stichting Altra. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 18 augustus 2017 blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank kan bij verdachten die ten tijde van het plegen van strafbare feiten tussen de 18 en 23 jaar waren, bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht toepassen. In dit specifieke geval ziet de rechtbank daartoe onvoldoende aanleiding omdat verdachte weliswaar net 18 was ten tijde van het feit, maar er op dit moment – verdachte is inmiddels 26 en heeft haar eigen gezin – geen mogelijkheid meer is tot pedagogische beïnvloeding van verdachte. Wel zal de rechtbank voor de hoogte van de straf aansluiting zoeken bij het jeugdstrafrecht vanwege de leeftijd van verdachte, haar enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid en haar zwakbegaafdheid ten tijde van het bewezenverklaarde. De oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geven voor alleen een woningoverval als uitgangspunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden. Daarbij geldt in dit geval als strafverzwarend dat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd en dat hierbij is gedreigd met een vuurwapen. De samenloop met de wederrechtelijke vrijheidsberoving is eveneens strafverzwarend.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende overval op een woning, waarbij de woning werd leeggehaald terwijl de bewoners onder schot werden gehouden, werden vastgebonden en niet mochten praten. De bewoners hebben 20 tot 25 minuten in grote angst gezeten over wat er met hen zou gebeuren. De ervaring leert, en zo blijkt ook uit de schriftelijke toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding van de bewoners, dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Zo hebben de bewoners in deze zaak last (gehad) van nachtmerries, psychische klachten, hoofdpijnen en hebben zij een gebrek aan vertrouwen in mensen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij pas bijna zeven jaar na deze voor de bewoners traumatische ervaring verantwoordelijkheid neemt voor haar aandeel in de woningoverval, zij het slechts ten dele, en daarmee in de gevolgen voor de slachtoffers.

Meerdaadse samenloop

Van eendaadse samenloop, zoals door de raadsman bepleit, is sprake als een feit in meer dan één strafbepaling valt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake, omdat beide delictsomschrijvingen een ander rechtsbelang beschermen. De strekkingen ‘lichamelijke integriteit’ (één van de beschermde rechtsbelangen van artikel 312 Sr) en ‘persoonlijke vrijheid’ (het beschermde rechtsbelang van artikel 282 Sr) kennen weliswaar een zekere overlap, maar kunnen niet gelden als vergelijkbaar in de zin van artikel 55 Sr. De feiten samen houden wel een meerdaadse samenloop in de zin van artikel 57 Sr in.

Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank stelt het begin van de termijn op de datum van inverzekeringstelling van verdachte, 28 januari 2014. De rechtbank ziet ondanks het verzoek van de verdediging tot contra-expertise geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het uitgangspunt dat deze zaak binnen twee jaar had kunnen en moeten worden afgedaan. Dat brengt de overschrijding van de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak op ongeveer 20 maanden. De rechtbank zal hiermee rekening houden door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank komt gelet op al het voorgaande tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk. Dat betekent dat van de twaalf maanden gevangenisstraf, drie maanden niet ten uitvoer worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet binnen een proeftijd van één jaar schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank bepaalt daarbij als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering, zolang en frequent als de reclassering dat nodig acht, en dat zij zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als die inhouden dat verdachte zich moet laten behandelen en/of moet laten begeleiden door Stichting Altra.

10 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [naam 2]

De benadeelde partij [naam 2] vordert € 2.500,00 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De hoogte van de vordering is door de verdediging ter terechtzitting betwist.

De rechtbank stelt vast dat aan [naam 2] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van de door haar gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële-schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,00.

De rechtbank zal daarom het bedrag van € 2.500,00 toekennen, en wel hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2009, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van

€ 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Benadeelde partij [naam 1]

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 2.500,00 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De hoogte van de vordering is door de verdediging ter terechtzitting betwist.

De rechtbank stelt vast dat aan [naam 1] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van de door haar gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële-schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,00.

De rechtbank zal daarom het bedrag van € 2.500,00 toekennen, en wel hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van

€ 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b (oud), 14c (oud), 14d (oud), 36f, 47, 57, 282 en 312 Sr.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

  1. zich moet melden bij Reclassering Nederland, wanneer zij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet zij zich gedurende de door de reclassering te bepalen perioden blijven melden zolang en frequent als de reclassering dat nodig acht;

  2. zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft, ook als die aanwijzingen inhouden behandeling en/of begeleiding door Stichting Altra.

Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1], toe tot € 2.500,00 (tweeduizendenvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] € 2.500,00 (tweeduizendenvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële-schadevergoeding, aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 35 (vijfendertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2], toe tot € 2.500,00 (tweeduizendenvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] € 2.500,00 (tweeduizendenvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële-schadevergoeding, aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander/anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 35 (vijfendertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2017.