Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6967

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
C/13/631004 / FA RK 17-4077
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderhavige zaak betrof een verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen en de oma met de voogdij over de minderjarige te belasten.

De rechtbank heeft het verzoek van de Raad afgewezen . De minderjarige woont sinds twee jaar bij zijn oma en dat gaat goed. De oma en de moeder hebben duidelijke afspraken en voor een ieder is de rolverdeling duidelijk. Nergens uit blijkt dat de minderjarige in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0314

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaakgegevens : C/13/631004 / FA RK 17-4077

datum uitspraak: 20 september 2017

beschikking inzake verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag


in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de moeder;

[oma] , wonende te [woonplaats] , zijnde de oma (m.z.), hierna te noemen de oma.

[vader] , wonende te [woonplaats] , is de vader.

1 Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 19 juni 2017, ingekomen bij de griffie op 20 juni 2017.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van

5 september 2017. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.R.P. Hoppenbrouwers,

- de oma,

- mevrouw [naam 1] namens de Raad.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

2 De feiten

Op [geboortedatum] te [geboorteplaats] is uit de moeder geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

[minderjarige] is erkend door de vader. Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] woont sinds maart 2015 bij zijn oma.

De oma heeft zich bij brief van 3 juni 2017 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3 Het verzoek


De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de oma tot voogd over [minderjarige] te benoemen. De Raad heeft tevens verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

De Raad

4.1

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad het op 19 juni 2017 uitgebrachte rapport overgelegd. In dit rapport is, zakelijk en verkort weergegeven, het volgende vermeld.

4.2

[minderjarige] is in zijn eerste jaren blootgesteld aan onrust en onvoorspelbaarheid in zijn opvoedingssituatie bij de moeder. Dit kwam voort uit persoonlijke problematiek van de moeder, bestaande uit problemen van psychiatrische aard (PTSS en ADHD), problematisch alcohol- en drugsgebruik en relationeel geweld. De moeder accepteert de vrijwillige plaatsing van [minderjarige] bij zijn oma, maar heeft een duidelijke wens om in de toekomst een grotere rol te gaan spelen in het leven van [minderjarige] . Er is een netwerk van professionele begeleiding rondom de moeder gerealiseerd om haar de nodige ondersteuning te kunnen bieden. Hoewel de moeder stappen zet in de goede richting is de verwachting dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kan dragen. [minderjarige] woont al twee jaar bij zijn oma en de moeder geeft zelf aan dat zij nog minstens één of twee jaar nodig heeft voordat zij zelf voor [minderjarige] kan zorgen. Dit sluit niet aan bij de ontwikkelingsbehoeften van de [minderjarige] . Volgens de Raad is de oma goed in staat om op te treden in het belang van [minderjarige] . Er is een warme samenwerking tussen de oma en de ouders, waarbij is gebleken dat de oma in staat is om de ouders een stabiele rol te geven in het leven van [minderjarige] . De oma is, indien nodig, bereid tot samenwerking met de hulpverlening. Met behulp van de huidige hulpverlening, in het bijzonder Pleegzorg, acht de Raad continuering van de huidige situatie, waarbij [minderjarige] bij oma woont,wenselijk. Beëindiging van het gezag van de moeder zorgt ervoor dat [minderjarige] duidelijkheid heeft over zijn perspectief bij oma.

4.3

De Raad heeft ter zitting gepersisteerd bij het advies. Hoewel er op dit moment geen aanleiding is om aan de huidige goedlopende samenwerking en gemaakte afspraken tussen alle partijen te twijfelen, acht de Raad het met het oog op mogelijke veranderingen in de toekomst van belang dat voor [minderjarige] duidelijk is dat het gezag over hem bij zijn oma ligt en hieraan niet getornd zal worden.

De moeder

4.4

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat haar moeder uitstekend voor [minderjarige] zorgt en zij wil dat de situatie blijft zoals deze nu is. Voor [minderjarige] is het heel duidelijk dat hij bij zijn oma woont en dat moeder zijn moeder is. Zij ziet [minderjarige] twee keer per week en om het weekend. Ze heeft door de wachtlijsten lang moeten wachten op passende hulpverlening maar inmiddels begint dit zijn vruchten af te werpen en gaat het veel beter met haar. Sinds december 2016 bewoont zij een zelfstandige woning van HvO Querido. De relatie met [naam 2] heeft ze beëindigd. Ze vindt het lastig om met crisissituaties om te gaan en om anders te leren denken, handelen en met haar emoties om te gaan, dat is de reden dat zij binnenkort start met een intensieve therapie, waarvoor zij een jaar lang drie keer per week gesprekken van twee uur per keer zal hebben. Voor haar eigen ontwikkeling heeft zij de ruimte die zij nu heeft nodig. De moeder heeft aangegeven dat zij in de toekomst [minderjarige] wel vaker zou willen zien.

4.5

De advocaat van de moeder heeft verzocht het verzoek van de Raad af te wijzen. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en de situatie is voor hem en alle betrokken partijen duidelijk, waardoor er niet is voldaan aan het wettelijk criterium van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De oma

4.6

De oma heeft ter zitting naar voren gebracht dat de situatie, zoals die is, voor [minderjarige] heel duidelijk is. Het is voor [minderjarige] vanzelfsprekend dat hij bij zijn oma woont. Het belang van [minderjarige] staat bij haar voorop en om dit te waarborgen heeft zij geleerd duidelijke grenzen te stellen naar de vader en moeder van [minderjarige] . Zoals het nu geregeld is en verloopt, vindt de oma het niet nodig dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. Mocht de rechtbank anders beslissen, dan zal zij onder protest de voogdij over [minderjarige] aanvaarden.

5 De beoordeling


De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] sinds maart 2015 bij zijn oma woont en zich goed ontwikkelt. Een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarvoor niet nodig geweest. Gebleken is ook dat deze situatie naar volle tevredenheid van alle partijen verloopt en dat alle betrokkenen zich aan de gemaakte afspraken houden. Ter zitting hebben de moeder en oma nog een toelichting gegeven op hoe deze samenwerking in de praktijk werkt. De moeder heeft daarbij ook aangegeven dat zij de rol van oma in de zorg en opvoeding van [minderjarige] nu en in de toekomst niet wil veranderen. De moeder ziet haar eigen rol in de toekomst meer als die van naast oma en niet zo zeer in de plaats komend van oma. Dit zo zijnde maakt dat de rechtbank er voldoende van overtuigd is dat de moeder nu en in de toekomst de belangen van [minderjarige] voorop kan stellen en inzicht toont in haar rol als moeder op relatieve afstand, net als in het verleden toen zij in periodes dat het minder goed met haar ging [minderjarige] naar haar moeder bracht. De rechtbank is bij deze stand van zaken met de advocaat van de moeder van oordeel dat niet wordt voldaan aan het criterium dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.

Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder afwijzen.

Nu de rechtbank het verzoek afwijst, komt zij niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de Raad om de oma tot voogd te benoemen.

6 De beslissing


De rechtbank:

- wijst het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] af.

- Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Beunk, voorzitter, bijgestaan door mr. C.S. Schoorl en mr. E.M. Devis, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam