Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6957

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
C/13/603095 / HA ZA 16-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een piste-exploitant is aansprakelijk voor de schade die een Nederlandse man heeft opgelopen door een ski-ongeval in Zwitserland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0782

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/603095 / HA ZA 16-208

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. Z.J. Rittersma te Laag-Keppel,

tegen

de vennootschappen naar Zwitsers recht

1. JUNGFRAUBAHNEN MANAGEMENT AG,

2. WENGERNALPBAHN AG,

beide gevestigd te Interlaken (Zwitserland),

gedaagden,

advocaat mr. R.J. Borghans te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en gedaagden worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid met Jungfraubahnen en Wengernalpbahn.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 14 september 2016 met de daarin vermelde processtukken,

  • -

    het tussenvonnis van 28 september 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 maart 2017 met de daarin vermelde processtukken,

  • -

    het bericht ter rolle van 29 maart 2017 waarbij [eiser] productie 39 (cd-rom met op 29 maart 2017 op de comparitie gebruikte foto’s) heeft overgelegd,

  • -

    de brief van 5 april 2017 van de zijde van [eiser] met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de brief van 7 april 2017 van de zijde van gedaagden met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de brief van 10 april 2017 van de zijde van gedaagden met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de akte na comparitie van 10 mei 2017 van de zijde van gedaagden met producties,

  • -

    het bericht ter rolle van 22 mei 2017 waarbij gedaagden de vertaling van het expertiserapport van [naam] hebben overgelegd,

  • -

    de akte uitlating producties van 7 juni 2017 van de zijde van [eiser] ,

  • -

    de antwoordakte van 19 juli 2017 van de zijde gedaagden,

  • -

    het bericht ter rolle van 2 augustus 2017 van de zijde van [eiser] betreffende een uitlating ex artikel 2.11 procesreglement;

  • -

    het bericht ter rolle van 2 augustus 2017 van de zijde van gedaagden waarbij bezwaar is gemaakt tegen de uitlating van [eiser] ex artikel 2.11 procesreglement.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 4 maart 2010 heeft [eiser] een ski-ongeval gehad in het skigebied Kleine Scheidegg, Grindelwald Zwitserland (hierna: het skigebied). Omstreeks 13:45 uur skiede [eiser] in het skigebied op de rode piste, genummerd 21, in de richting van het skigebied Männlichen. De weersomstandigheden waren niet goed. [eiser] was onbekend met de route. Links naast deze skipiste staat het Suvretta Haus (het huis met de groene luiken zoals hierna onder 2.4 te zien op foto B). Na het Suvretta Haus gaat de piste met een bocht naar links. In plaats van deze bocht naar links te nemen is [eiser] rechtdoor geskied en van de piste afgevallen. Hij heeft letsel opgelopen in de vorm van een dwarslaesie, een verbrijzelde knie, een kneuzing van de long en een gebroken borstbeen.

2.2.

Wengernalpbahn exploiteert het skigebied. Om gebruik te kunnen maken van het skigebied heeft [eiser] een skipas aangeschaft.

2.3.

Op 4 maart 2010 heeft de Pistenrettungsdienst kort na het ongeval de volgende foto van de situatie ter plaatse gemaakt:

A.

2.4.

De vader van [eiser] heeft de dag na het ongeval, op 5 maart 2010, de volgende foto’s gemaakt:

B. C.

D. E.

2.5.

De Pistenrettungsdienst heeft op 5 maart 2010 de volgende foto gemaakt:

F.

2.6.

Naar het ongeval heeft in Zwitserland een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft niet geleid tot vervolging. Tijdens dit onderzoek is door [eiser] de volgende verklaring afgelegd:

“(…) Op de route zag ik toen oranje pistepalen. In verband met het slechte weer kon ik het verloop van de piste niet precies waarnemen. Ik zag twee oranje palen voor me en dacht dat ik er tussendoor moest skiën. Vlak voor de pisterand merkte ik dat de piste naar links verliep. Maar toen kon ik mijn richting niet meer corrigeren en ben ik over de pisterand gevallen ongeveer zoals over een schans.(…)”

2.7.

De Scheizerische Kommission für Unfallverhütung auf Schneesportabfarten (SKUS) heeft richtlijnen opgesteld voor de aanleg, exploitatie en onderhoud van skipistes (hierna: de SKUS-richtlijnen). In de ten tijde van het ongeval geldende SKUS-richtlijnen in de uitgave uit 2010 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) III. Anlage der Abfahrten

(…)

11. Engpässe und Kreuzungen sind zu signalisieren.

(…)

VI. Markierung der Abfahrten

18. Die Abfahrten sind so zu markieren, dass deren Benützer auch bei schlechten Sichtverhältnissen sicher den Weg ins Tal finden. Die Markierungen müssen während des ganzen Winters kontrolliert und instand gehalten werden.

(…)

21. Pisten sind in der Mitte oder beidseits zu markieren. Miteinander verbundene Schneesportgebiete sind möglichst einheitlich zu markieren. Bei beidseitiger Markierung ist die Markierung des rechten und des linken Pistenrandes unterschiedlich zu gestalten, damit die Benützer die beiden Pistenränder zweifelsfrei auseinanderhalten können.

Bei den in der Mitte markierten Pisten können Traversen am bergseitigen Rand markiert werden, um die Beschädigung der Markierungsstangen durch abrutschende Pistenbearbeitungsmaschinen zu vermeiden.
22. Abfahrtsrouten sind in der Mitte zu markieren. Sie können beidseitig begrenzt werden.

(…)

VII. Pistenrand

(…)

27. Der Pistenrand ist immer dann zu kennzeichnen und einschliesslich eines Randbereiches van maximal zwei Metern Breite wirksam zu sichern,wenn Hindernisse die Benützer gefährden (nachfolgend Ziff. 28 ff.) oder Absturzgefahr besteht (nachfolgend Zift. 39 ff.).

Eigentliche Sturzräume sind nicht zu schaffen.

(…)

XI. Schutz vor Absturzgefahr

39. Felsabbrüche, steile Querpassagen usw. sind deutlich zu signalisieren. Zusätzlich sind die Abfahrtsbenützer durch solide Geländer, Auffangnetze und ähnliche Einrichtungen vor Absturzgefahr zu sichern, soweit nicht durch die Anlage der Pisten und Abfahrtsrouten und durch die Signalisation eine Absturzgefahr vermieden werden kann.

(…)”

2.8.

De Fédération Internationale de Ski heeft een reglement opgesteld (hierna: het FIS-reglement). In dit FIS-reglement staan de gedragsregels voor skiërs en snowboarders opgesomd. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

BEHERRSCHUNG DER GESCHWINDIGKEIT UND DER FAHRWEISE

[rechtbank: punt 2 van het FIS-reglement]

Jeder Skifahrer und Snowboarder muss auf Sicht fahren. Er muss seine Geschwindigkeit und seine Fahrweise seinem Können und den Gelände-, Schnee- und Witterungsverhältnissen sowie der Verkehrsdichte anpassen.

(…)

BEACHTEN DER ZEICHEN

[rechtbank: punt 8 van het FIS-reglement]

Jeder Skifahrer und Snowboarder muss die Markierung und die Signalisation beachten.(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 4 maart 2010;

II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 468.638,70 wegens verschenen schade, vermeerderd met de wettelijke rente;

III. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 300.000,- als voorschot wegens de toekomstig te verwachten arbeidsvermogensschade en toekomstige kosten;

IV. gedaagden veroordeelt aan [eiser] een bankgarantie te verstrekken ten aanzien van de schadevergoeding wegens verlies arbeidsvermogens, althans tot veroordeling in de schade die [eiser] leidt/zal leiden indien belastingheffing in Box 1 of 2 op grond van de wet Inkomstenbelasting zal plaatsvinden over de schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen en/of pensioenschade;

V. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt het volgende. Met het kopen van de skipas heeft [eiser] naar Zwitsers recht een overeenkomst gesloten met gedaagden. De verplichtingen van een exploitant van een skigebied uit hoofde van die overeenkomst worden gedefinieerd door de SKUS-Richtlijn. Volgens [eiser] zijn gedaagden deze verplichtingen niet nagekomen. Zij hebben onder meer nagelaten [eiser] voor de T-splitsing te waarschuwen. Gedaagden hadden op de plek van de val een paal met een richtingaanwijzer moeten plaatsen, maar die paal ontbrak. Verder was de door gedaagden geplaatste pistemarkering verwarrend en stond die verkeerd geplaatst. Ook bevond de pisterand zich te dicht bij de afgrond en was die niet op de juiste wijze (bijvoorbeeld door middel van een hek) beveiligd. Bovendien was die afgrond steiler gemaakt en verdiept, waardoor die gevaarlijker was. Als gevolg van het niet nakomen van deze verplichtingen heeft [eiser] zich vergist, is hij van de piste gevallen en heeft hij ernstig letsel opgelopen. Gedaagden zijn aansprakelijk voor de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden, aldus [eiser] .

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Jungfraubahnen

4.1.

Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen jegens Jungfraubahnen dienen te worden afgewezen, aangezien Wengernalpbahn de exploitant van het hier betreffende skigebied is en Jungfraubahnen met betrekking tot dit gedeelte van de piste geen enkele plicht ter voorkoming van ongevallen heeft. Dit standpunt wordt niet door [eiser] betwist. Derhalve zullen de vorderingen jegens Jungfraubahnen bij eindvonnis worden afgewezen. [eiser] zal ten aanzien van Jungfraubahnen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Jungfraubahnen. De door Jungfraubahnen gemaakte advocaatkosten worden, gezien de nauwe samenhang met de voor Wengernalpbahn verrichte werkzaamheden begroot op nihil.

Zwitsers recht

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat met de koop van de skipas door [eiser] tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en dat die overeenkomst te kwalificeren is als een consumentenovereenkomst (hierna: de overeenkomst). Nu sprake is van een overeenkomst tot verstrekking van diensten, is op grond van artikel 6 lid 4 onder a juncto artikel 4 lid 1 onder b van de Verordening (EG) Nr. 593.2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) het Zwitsers recht op de overeenkomst van toepassing.

4.3.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de Wengernalpbahn als exploitant van het skigebied uit hoofde van de overeenkomst de verplichting heeft de piste te beveiligen en daartoe redelijke voorzorgsmaatregelen moet nemen, de zogeheten Verkehrssicherungspflicht (verkeersbeveiligingsplicht). De exploitant heeft de verplichting, zoals ook door Wengernalpbahn wordt onderschreven, een piste te beveiligen door gebruikers te beschermen tegen niet zonder meer herkenbare gevaren. Verder moet worden gezorgd voor bescherming tegen gevaren die zelfs bij voorzichtig gedrag niet vermeden kunnen worden. Naar Zwitsers recht wordt deze verkeersbeveiligingsplicht nader ingevuld door onder meer de SKUS-Richtlijn. Deze richtlijn vormt geen objectief recht, maar heeft bij de concretisering van de verkeersbeveiligingsplicht een belangrijke functie. Verder dient bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag te worden gekeken naar de zorgvuldigheidsnormen zoals die zijn neergelegd het FIS-reglement en in de Zwitserse jurisprudentie als maatstaf voor goed verkeersgedrag van skiërs en snowboarders wordt erkend. Dit reglement begrenst dan ook de verkeersbeveiligingsplicht van Wengernalpbahn. Deze uitleg van Zwitsers recht wordt door beide partijen onderschreven.

De paal met de richtingaanwijzer

4.4.

Partijen twisten over de vraag of op de dag van het ongeval op de plek waar [eiser] van de piste is geraakt een paal stond met daarop een richtingaanwijzer die aangaf dat de skipiste vanaf dat punt naar links afboog. Het gaat om de paal die op de volgende foto’s met de pijl is aangemerkt:

4.5.

Deze foto’s zijn op 5 maart 2010 door de vader van [eiser] genomen. [eiser] wijst er op dat deze paal op de foto van 4 maart 2010 die door de Pistenrettungsdienst is genomen (foto A, zie hiervoor onder 2.3) ontbreekt. Hieruit leidt [eiser] af dat de paal met de richtingaanwijzer op de dag van het ongeval niet door Wengernalpbahn op de piste was geplaatst.

4.6.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] tijdens de zitting drie vellen overgelegd waarop de foto’s van 4 en 5 maart 2010 door architect [naam architect] (hierna: [naam architect] ) zijn geanalyseerd. [naam architect] heeft in zijn analyse foto A vergeleken met foto E (zie hiervoor onder 2.3 en 2.4). Bij deze vergelijking dient de paal met de pistemarkering (rode piste, nummer 21) tot uitgangspunt te worden genomen. Deze paal is namelijk zowel op de foto van 4 maart 2010 als op de foto’s van 5 maart 2010 te zien (hieronder aangegeven met de groene pijl).

4.7.

Vervolgens dient te worden gekeken hoe de overige palen ten opzichte van die paal stonden gepositioneerd. Uit de analyse van [naam architect] (zoals te zien op de volgende twee fotovergelijkingen) kan worden afgeleid dat de paal met de richtingaanwijzer op de foto van 4 maart 2010 ontbreekt:

Fotovergelijking 1

Fotovergelijking 2

4.8.

Wengernalpbahn heeft de gelegenheid gekregen dit standpunt van [eiser] te ontzenuwen. Zij heeft daartoe een verklaring van [naam fotograaf] (hierna: [naam fotograaf] ), fotograaf, overgelegd. In zijn verklaring geeft [naam fotograaf] te kennen dat de conclusie van [naam architect] niet met zekerheid kan worden getrokken. Dit omdat de foto’s zouden kunnen zijn bewerkt. Een nadere concretisering van deze stelling ontbreekt echter. Partijen hebben de originele digitale foto’s in het geding gebracht en die foto’s komen overeen met die door [naam architect] bij zijn analyse zijn gebruikt. Bovendien is onbetwist gesteld dat de foto van 4 maart 2010 door de Pistenrettungsdienst is genomen en door Wengernalpbahn zelf in de procedure is gebracht, waardoor niet kan worden ingezien op welke wijze die foto door [eiser] zou kunnen zijn bewerkt. Verder maken de foto’s onderdeel uit van het Zwitserse politiedossier dat naar aanleiding van het ongeluk is aangemaakt en zijn deze foto’s al vele jaren bij beide partijen bekend. Er is verder ook geen enkele aanleiding te veronderstellen dat die foto’s zijn bewerkt. Aan de door [naam fotograaf] gedane suggestie gaat de rechtbank dan ook voorbij.

4.9.

[naam fotograaf] heeft verder naar voren gebracht dat de foto’s vanuit een andere hoek zijn gemaakt. Deze omstandigheid brengt echter niet met zich dat de foto’s niet met elkaar kunnen worden vergeleken. Verder is die omstandigheid (zoals hiervoor op de twee fotovergelijkingen is te zien) juist door [naam architect] in zijn analyse gecorrigeerd. Evenmin brengt de omstandigheid dat de foto’s ietwat vaag zijn met zich dat die niet bruikbaar zouden zijn. De palen zijn immers duidelijk op de foto’s te zien en door Wengernalpbahn is ook niet betwist dat de positie van de overige palen op 4 en 5 maart 2010 was zoals die op de foto’s is te zien.

4.10.

Gelet op het voorgaande heeft Wengernalpbahn de analyse van [naam architect] dat de paal met de richtingaanwijzer op de foto van 4 maart 2010 ontbreekt onvoldoende weersproken. De rechtbank kan deze analyse volgen. Aangenomen moet daarom worden dat de paal met de richtingaanwijzer niet op de foto van 4 maart 2010 is te zien. Nu tegen de stelling van [eiser] dat hieruit volgt dat deze paal ten tijde van het ongeluk ontbrak geen nader verweer is gevoerd, komt vast te staan dat deze paal op de dag van het ongeval niet op de piste was geplaatst.

4.11.

Ten aanzien van deze paal heeft Wengernalpbahn verder nog naar voren gebracht dat [eiser] in de strafrechtelijke procedures in Zwitserland zijn standpunten uitvoerig heeft kunnen uiteenzetten en er steeds van is uitgegaan dat de paal met de richtingaanwijzer aanwezig was. Dit heeft [eiser] ook als vaststaand feit in de dagvaarding opgenomen. Volgens Wengernalpbahn zijn die vaststellingen en oordelen leidend in de onderhavige procedure. Aan dit argument wordt echter voorbijgegaan. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt immers dat de paal op het tijdstip van het ongeval ontbrak. Nu verder tussen partijen vaststaat (en ook volgt uit de foto’s die op 5 maart 2010 zijn genomen) dat de paal wél aanwezig was op de dag na het ongeval, volgt hieruit dat de paal kort na het ongeval is geplaatst. Dit betekent dat, onder meer, [eiser] in de strafprocedures steeds is uitgegaan van een situatie die feitelijk niet bestond ten tijde van het ongeval. De foto’s die aan hem, en anderen, zijn getoond lieten dus een situatie zien die niet overeen kwam met de zojuist vastgestelde werkelijke situatie ten tijde van het ongeluk. De advocaten van [eiser] hebben toegelicht dat zij pas heel kort voor de comparitie van 29 maart 2017 voor het eerst ontdekten dat de paal afwezig was ten tijde van het ongeval. Er kan dan geen waarde worden gehecht aan eerdere stellingnames waarbij, ten onrechte, uitgegaan werd van een andere feitelijke situatie.

Tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst

4.12.

Bij de verdere beoordeling moet er dus vanuit worden gegaan dat de met de pijl gemarkeerde paal ontbreekt. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord of Wengernalpbahn zonder deze paal heeft voldaan aan haar verplichting uit hoofde van de overeenkomst om de piste op een juiste en veilige wijze te markeren .

4.13.

De piste maakt op de plek van het ongeval een bocht naar links. Verder komen op die plek twee banen samen (zie foto B en C). Volgens artikel 11 van de SKUS-Richtlijn moet een dergelijke kruising op een piste worden aangeduid. Dit heeft Wengernalpbahn nagelaten. Verder is er geen aanduiding die duidelijk maakt dat de piste vanaf dat punt naar links afbuigt. Maar bovenal wordt vanaf boven gezien, de skirichting vanuit waar [eiser] kwam, door de natuurlijke contouren van het landschap in combinatie met het ontbreken van de paal met de pijl en de positie van de overige palen, de indruk gewekt dat de piste rechtdoor loopt en dus niet zal afbuigen. Daarbij weegt nog mee dat het Suvretta Haus het zicht op de bocht naar links wegneemt, zodat vanuit de positie waar vandaan een skiër de piste afdaalt niet, althans zeer beperkt, is te zien dat de piste zal afbuigen naar links. De suggestie dat de piste rechtdoor loopt wordt niet, althans onvoldoende, weggenomen door het feit dat beide zijden van de piste anders zijn gemarkeerd. Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de wijze waarop Wengernalpbahn de piste heeft gemarkeerd misleidend en voldoet die dus niet.

4.14.

Het door Wengernalpbahn ingebrachte expertiserapport van [naam] doet niet aan dit oordeel af. [naam] wijst er in zijn rapport weliswaar op dat [eiser] zich had moeten oriënteren op de pistemarkering (zoals neergelegd in punt 8 van het FIS-reglement, zie hiervoor onder 2.8), maar niet is gebleken dat hij dat niet heeft gedaan. Integendeel, uit het voorgaande volgt dat [eiser] wel degelijk acht kan hebben geslagen op de pistemarkering, maar daar gerechtvaardigd een andere uitleg aan heeft gegeven. Dat dit ook daadwerkelijk het geval is geweest volgt ook uit het door Wengernalpbahn aangevoerde citaat uit het verhoor van [eiser] uit het strafdossier (zie 2.6). Evenmin kan de conclusie van [naam] worden gevolgd dat ten tijde van het ongeluk de markeringsstangen in de bocht expres nauwer waren geplaatst, waardoor rekening diende te worden gehouden met de situatie in de bocht. Deze conclusie is immers gebaseerd op foto’s waarop de paal met de richtingaanwijzer staat waardoor het dus lijkt alsof de palen nauwer zijn geplaatst, terwijl juist die paal op de dag van het ongeval ontbrak. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de markeringsstangen nauwer waren geplaatst. De omstandigheid dat het pad naar links volgens [naam] acht meter breed is, waardoor volgens [naam] geen sprake is van een scherpe haakse bocht naar links, is in dit kader evenmin relevant. Een skiër komt immers van bovenaf de piste geskied en vanuit die positie lijkt het alsof de piste rechtdoor gaat. In dit kader is eveneens van belang dat het Suvretta Haus het zicht op het vervolg van de piste naar links wegneemt.

Het FIS-reglement

4.15.

Zoals reeds hiervoor onder 4.3 is opgenomen wordt bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag tevens acht geslagen op het FIS-reglement waarin de regels voor goed verkeersgedrag van skiërs en snowboarders zijn opgenomen. Volgens punt 2 van het FIS-reglement dient iedere skiër op zicht te skiën. Hij moet daarbij zijn snelheid en wijze van skiën aan zijn vaardigheden en de omstandigheden (het terrein, de sneeuw, het weer en de verkeersdichtheid) aanpassen. Wengernalpbahn stelt zich op het standpunt dat [eiser] deze regels niet heeft nageleefd en met een te hoge snelheid de piste is afgedaald. Volgens Wengernalpbahn kan zij daardoor, naar Zwitsers recht, in geen geval voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk worden gesteld.

4.16.

Gelet op dit gevolg dat Wengernalpbahn aan het niet-naleven van het FIS-reglement verbindt, begrijpt de rechtbank dat volgens Wengernalpbahn naar Zwitsers recht de omstandigheid dat het FIS-reglement door een skiër of snowboarder niet is nageleefd, met zich brengt dat de aansprakelijkheid van de piste-exploitant door het niet voldoen aan zijn verplichtingen volgens de SKUS-Richtlijn in het geheel vervalt.

4.17.

De vraag of het Zwitsers recht inderdaad aldus moet worden uitgelegd behoeft echter geen beantwoording nu niet is gebleken dat [eiser] (te) hard heeft geskied. De snelheid waarmee [eiser] heeft geskied is niet, ook niet bij benadering, vast komen te staan. Door Wengernalpbahn is deze stelling dan ook onvoldoende onderbouwd. De enkele opmerking dat [eiser] op de verkeerde plaats naar beneden ging en dus kennelijk zo snel ging dat hij zijn koers niet kon verleggen is gezien hetgeen hiervoor al is overwogen hiertoe onvoldoende. Door [eiser] is daarentegen gemotiveerd betwist dat hij te hard heeft geskied. Hiertoe is, samengevat, door hem aangevoerd dat uit de verwondingen en zijn positie onmiddellijk na het ongeval kan worden afgeleid dat hij nagenoeg recht naar beneden is gevallen. Het feit dat hij direct onder de piste terecht is gekomen en niet verder is doorgeschoten duidt niet op een hoge snelheid, aldus [eiser] . Hierop is door Wengernalpbahn niet nader gereageerd. Bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag kan dus niet worden aangenomen dat [eiser] te hard heeft geskied.

Conclusie

4.18.

Het voorgaande brengt met zich dat Wengernalpbahn niet heeft voldaan aan haar verplichtingen die zij uit hoofde van de overeenkomst met [eiser] had. De piste was ten tijde van het ongeval op onjuiste wijze gemarkeerd en dit heeft in overwegende mate bijgedragen aan het ongeval. De overige weren van Wengernalpbahn houden uitsluitend verband met de omvang van de door [eiser] gestelde schade. Dit betekent dat geconcludeerd moet worden dat Wengernalpbahn aansprakelijk is voor de schade die door [eiser] is geleden en vordering I bij eindvonnis zal worden toegewezen.

Vervolg procedure

4.19.

Met partijen is ter terechtzitting afgesproken dat dit vonnis zich zal beperken tot de aansprakelijkheidsvraag. Om redenen van proceseconomische aard stelt de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis open. Op de overige vorderingen, die betrekking hebben op de omvang van de schade, zal later worden beslist. Echter, geconstateerd wordt dat het debat over de geleden schade zich nog in een pril stadium bevindt en het in de rede ligt dat partijen zich hier nog nader over zullen moeten uitlaten. Het ligt eveneens in de lijn der verwachting dat hiervoor diverse deskundigen dienen te worden ingeschakeld. De ervaring leert helaas dat het debat over de omvang van letselschade een lang slepende discussie kan worden. In deze zaak is een verder complicerende factor dat het Zwitsers recht een rol speelt en het voorstelbaar is dat de rechtbank hierover nader moet worden voorgelicht. Partijen worden dan ook uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om, eventueel op een later moment in de procedure, (al dan niet met een mediator) praktische afspraken te maken, teneinde het geschil tot een zo spoedig als mogelijk einde te brengen. Indien, na het uitwisselen van nadere stukken het houden een tweede zitting behulpzaam wordt geacht, kan hierom worden verzocht. De zaak zal naar de rol worden verwezen om partijen de gelegenheid te geven zich door middel van een akte over hun processuele wensen uit te laten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen;

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van 8 november 2017 voor het nemen van de in r.o. 4.19 bedoelde akte;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, rechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.