Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2017:6939

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
13/684050-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging diefstal braak, woninginbraak, mishandeling, openlijk geweld, zinloos geweld, 38v maatregel, dadelijk uitvoerbaar, locatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684050-17(Promis)

Datum uitspraak: 25 september 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [naam HvB] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 juli 2017 en 11 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. van den Berg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 1 februari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] ) weg te nemen een of meer goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren)/geldbedrag onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, naar die woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s), althans een of meer van hen (met een breekijzer, althans met een (scherp en/of puntig) voorwerp) de voordeur van die woning en/of het slot van die deur en/of een (keuken)raam van die woning heeft/hebben getracht open te breken/te forceren;

(artikel 311 jo artikel 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

(gevoegde zaak 684169-17)

hij op of omstreeks 07 april 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een snorfiets/bromfiets (merk Piaggio Vespa), geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) en die weg te nemen snorfiets/bromfiets onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel, naar voornoemde snorfiets/bromfiets is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een schroevendraaier, althans een voorwerp, in het contactslot van voornoemde snorfiets/bromfiets heeft/hebben gestopt en/of gebracht en/of heen en weer heeft/hebben bewogen en/of met een schroevendraaier, althans een voorwerp, heeft/hebben getracht het rek van de voorkant van voornoemde snorfiets/bromfiets te verwijderen en/of los te maken van voornoemde snorfiets/bromfiets;

(artikel 311,45 Wetboek van Strafrecht)

3.

(gevoegde zaak 680.336-16)

Zaaksdossier 8

hij op of omstreeks 2 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 3] ) heeft weggenomen

- een portable-computer (merk Dell, type Xps L502x) en/of

- een televisie (merk Philips, type flatscreen) en/of

- een spelcomputer (merk Nintendo, type Wii) en/of

- een of meer verpakking(en) parfum (merk Calvin Klein, type lOOml) en/of

- een fles Whiskey (merk Black Label, type 1 liter) en/of

- een geldbedrag van 250 euro en/of

- een spelcomputer (merk Nintendo, type DS) en/of

- een tablet (merk Samsung) en/of

- een telefoon (merk Nokia, type N8) en/of

- een horloge (merk Sekonda) en/of

- een of meer oplader(s) voor een telefoon (merk Samsung) en/of

- een of meer (gouden) armband(en) en/of

- een of meer computerspellen (merk Wii) en/of

- 30 stuks, in elk geval een of meer dagkaarten van het GVB Amsterdam,

geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 3] en/of [persoon 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een (keuken)raam van die woning en/of door middel van inklimming via een (keuken)raam van voornoemde woning;

(Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 16 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een spelcomputer (merk Nintendo, type Wii) en/of

- een of meer (gouden) siera(a)d(en) en/of

- een verpakking parfum (merk Calvin Klein, type lOOml) en/of

- 15 stuks, in elk geval een of meer dagkaarten van het GVB Amsterdam,

heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(Artikel 416/417bis van het Wetboek van Strafrecht)

4.

(gevoegde zaak 680.336-16)

Zaaksdossier 6

hij op of omstreeks 1 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Volewijkshof, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 5] , welk geweld bestond uit het eenmaal of meermalen

- geven van een kopstoot tegen de borst, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [persoon 5] en/of

- schoppen en/of trappen tegen de voet(en), in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [persoon 5] (waardoor voornoemde [persoon 5] vervolgens ten val is gekomen);

(Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

(gevoegde zaak 680336-16)

Zaaksdossier 2

hij op of omstreeks 10 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2016/7460, gedaan krachtens artikel 172 / 172a van de Gemeentewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, door de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 11 november 2016 tot en met 10 februari 2017 niet mocht bevinden in de wijk Banne Zuid, gelegen in Amsterdam Noord (Bezaanjachtplein en omgeving), immers bevond hij, verdachte, zich op 10 januari 2017 opzettelijk in/op de Kofschipstraat, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied;

(Artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht)

6.

(gevoegde zaak 689253-16)

hij op of omstreeks 30 maart 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [persoon 6] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 6]

- in/op/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of

- in op/tegen de buik, in elk geval tegen het lichaam te schoppen en/of trappen en/of

- te duwen en/of aan het lichaam van voornoemde [persoon 6] te trekken en/of te rukken (waardoor voornoemde [persoon 6] ten val is gekomen);

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 1 februari 2017 werd getracht in te breken in de woning van aangever [persoon 1] aan de [adres 2] te Amsterdam. Aan de voorzijde van de woning bij de voordeur en op het kozijn zaten sporen van een breekvoorwerp.

De getuige [getuige 1] zag vanuit zijn woning aan de [adres 6] een groep van vijf jongens op en neer lopen voor het hek van de straat. Vervolgens zag hij dat drie van de vijf jongens zich verspreidden en op strategische posities gingen staan. Twee jongens liepen vervolgens naar de voordeur van [adres 2] en staken iets tussen de deur. De vijf jongens droegen allemaal donkere kleding. Eén jongen droeg een zwarte jas met een capuchon over zijn hoofd. De ander droeg een wit/grijze hoody met zijn capuchon over zijn hoofd en daarover een donkere bodywarmer.

De getuige [getuige 2] hoorde dat op 1 februari 2017 omstreeks 21:23 uur bij zijn woning aan de [adres 5] werd aangebeld. Toen hij uit het raam keek zag hij dat het hek bewoog. Vervolgens zag hij dat er vijf jongens voor zijn woning stonden. Hij heeft verklaard dat de jongens donker gekleed waren en dat één van de jongens een “navy” groene jas aan had en dat een lange jongen een witte sweater met capuchon droeg met daarover een zwarte bodywarmer. Vervolgens liepen de jongens de Kwekerijlaan in. Na een aantal minuten is [getuige 2] de auto ingestapt en op zoek gegaan naar de groep jongens. Hij zag hetzelfde groepje jongens staan op de kruising van de Sterappelstraat met de Kaneelappelstraat. De jongens liepen langs een school in de richting van de Boomgaardlaan. Vervolgens is hij een blokje om gereden waarna hij het groepje jongens de Jonagoldstraat zag inrennen. Even later zag hij de jongens rennen door het braakliggende terrein richting de woonboten.

De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kregen omstreeks 21:48 uur de melding dat er een inbraak zou worden gepleegd op de [adres 2] te Amsterdam. Er zouden vijf personen bezig zijn met inbreken. De verbalisanten reden de Moestuinlaan op en zagen dat vanuit de richting van de Druivenstraat een jongen liep die was gekleed in een witte hoody met daarover een donkere bodywarmer en een zwarte Adidas trainingsbroek met witte strepen. Zij hebben geverbaliseerd dat deze persoon, die later medeverdachte [medeverdachte 1] bleek te zijn, zwaar adem haalde. Vervolgens hebben verbalisanten deze persoon aangehouden.

De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zijn na de melding het Koppelingpad opgereden en zagen daar enkele personen wegduiken tussen de geparkeerde auto’s. Vervolgens zagen zij vier personen opstaan en wegrennen. Na een achtervolging heeft [verbalisant 5] één persoon aangehouden, die later bleek te zijn de medeverdachte, [medeverdachte 2] .

Ook verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] spoedden zich richting het Koppelingpad. Aldaar zagen zij dat een collega met een aangehouden verdachte stond. Die collega wees in de richting van de Verstuiverstraat alwaar de andere verdachten zich zouden bevinden. Verbalisanten gingen vervolgens naar de Verstuiverstraat. Vervolgens zagen zij verdachte die volgens verbalisanten aan het opgegeven signalement voldeed. Geverbaliseerd is dat verdachte hevig trilde en een versnelde ademhaling had.

De verbalisant heeft op camerabeelden van het Suikerpeerpad en de Kaneelappelstraat gezien dat vijf jongens de Kaneelappelstraat inlopen vanuit de richting van de Boomgaardlaan. Een van de jongens was langer dan de andere vier jongens. De verbalisant heeft gezien dat de langste verdachte een lichtkleurige capuchontrui droeg met daarover een donkerkleurige bodywarmer en dat hij een donkerkleurige broek aanhad met een lichtkleurige verticale streep over de buitenzijde van het been. Een andere jongen droeg een groene jas. Ook heeft de verbalisant een jongen gezien die een donkere jas droeg. Deze jongen had schoenen aan met een Nike logo en een broek met een lichtkleurige verticale streep tot halverwege de dij. Vervolgens verdwenen de jongens in de richting van de Sterappelstraat uit beeld. De jongen met de groene jas bleef achter en observeerde de omgeving. Vervolgens liepen de jongens weer terug. Voorts liep de groep weg en kwam de auto van getuige [getuige 2] in beeld rijden.

Van de verdachten zijn foto’s gemaakt van de kleding die zij tijdens hun aanhouding droegen. Verdachte droeg een groene jas, recht model tot over de heupen, capuchon met lichtkleurige bontkraag en een logo op de mouw. Medeverdachte [medeverdachte 1] droeg een lichtkleurige capuchontrui met daarover een donkerkleurige bodywarmer. Hij droeg tevens een donkerkleurige broek met lichtkleurige verticale strepen over de buitenzijde van het been. Medeverdachte [medeverdachte 2] droeg een donkere jas, een zwarte broek met een lichtkleurige verticale streep tot halverwege de dij en zwarte schoenen met een Nike logo.

Ten aanzien van de feiten 2 tot en met 6 verwijst de rechtbank voor de feiten en omstandigheden naar de bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde kan worden gekomen gelet op de aangifte, getuigenverklaringen, de beelden en de bevindingen van de politie. Eerst wordt bij de woning van getuige [getuige 2] aangebeld. [getuige 2] ziet vervolgens voor zijn woning een aantal jongens staan. Voorts hebben de jongens geprobeerd in te breken in de Sterappelstraat . Er zijn tevens sporen van braak. Verdachte voldoet aan het signalement en de verbalisant ziet op de beelden dat de groep jongens met elkaar communiceert en de omgeving observeert. Bovendien is sprake van medeplegen omdat de rollen dermate uitwisselbaar zijn dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Eén persoon houdt de boel in de gaten en de anderen gaan naar binnen.

Het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen gelet op de aangifte, de getuigenverklaring en de plaats van aanhouding.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde kan dit feit worden bewezen gelet op de aangifte, de tapgesprekken en het aantreffen van een deel van de gestolen goederen bij verdachte.

Het onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen gelet op de aangifte, de getuigenverklaring en de beelden.

Ten aanzien van feit 5 staat op basis van het dossier voldoende vast dat verdachte in het gebied was waar hij niet mocht komen.

Als laatste kan het onder 6 ten laste gelegde worden bewezen op basis van de aangifte en de bevindingen van de camerabeelden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnotitie vrijspraak bepleit voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde refereert zij zich aan het aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde blijkt niet uit het dossier dat verdachte één van de vijf betrokken personen is geweest. Tevens blijkt niet uit het dossier dat sprake is van medeplegen omdat de vereiste nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 3] dat verdachte juist niet bij de poging diefstal betrokken was.

Het onder 3 ten laste gelegde kan niet worden bewezen omdat uit niets blijkt dat verdachte in de woning zou zijn geweest. Uit de tapgesprekken blijkt een fysieke aanwezigheid noch aansturende rol. Dat de telefoon van verdachte een mast in de buurt van de plaats delict aanstraalt op het mogelijke moment van de inbraak is onvoldoende om hem de rol van medeplegen toe te dichten. Subsidiair kan heling niet worden bewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen openbaar vervoer-kaartjes de kaartjes betreffen die bij aangevers zijn weggenomen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De rechtbank acht bewezen hetgeen onder 1 is ten laste gelegd en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat op 1 februari 2017 een poging tot woninginbraak heeft plaatsgevonden. De poging werd begaan door een groep van vijf jongens. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat dezelfde avond bij zijn woning is aangebeld. Dit is vlak in de buurt van het adres waar de poging tot inbraak heeft plaatsgevonden. Vanuit zijn woning zag [getuige 2] een groep van vijf jongens op straat staan. Vervolgens is hij de jongens gaan zoeken. Hij zag diezelfde jongens vervolgens eerst op de kruising van de Sterappelstraat en de Kaneelappelstraat staan. Daarna zag hij de jongens vanuit de Sterappelstraat komen lopen en zag hij dat ze doorliepen langs de school in de richting van de Boomgaardlaan. Vervolgens zag hij de jongens in de Jonagoldstraat rennen. Verbalisanten kwamen ter plekke en ontmoetten getuige [getuige 2] die hen erop wijst dat de jongens inmiddels richting de woonboten zijn gerend. Vervolgens werden, kort na de poging inbraak, in de nabije omgeving drie jongens aangehouden, onder wie verdachte.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat deze aangehouden verdachten de daders van de poging inbraak betreffen. Verdachte draagt tijdens zijn aanhouding een groene jas en voldoet daarmee aan het door de getuige opgegeven signalement. Deze kleding komt tevens overeen met wat de verbalisant op de beelden heeft gezien en verdachte wordt op deze beelden herkend. Met betrekking tot deze beelden heeft de rechtbank, na het zien van de beelden in raadkamer, geoordeeld dat deze duidelijk genoeg zijn om de waarneming en de verslaglegging daarvan in een proces-verbaal betrouwbaar te achten en te kunnen gebruiken voor het bewijs.

Ten tijde van de aanhouding valt de verbalisanten op dat verdachte hevig trilde en een versnelde ademhaling had. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte één van de vijf jongens was die de poging tot inbraak hebben gepleegd.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde het volgende af.

Vijf jongens hebben gepoogd in te breken bij de woning op de [adres 2] te Amsterdam. Dat daadwerkelijk sprake is geweest van een begin van uitvoering, blijkt uit de aangetroffen sporen bij de voordeur en het kozijn. Uit de bevindingen van de verbalisant blijkt dat zij op de beelden ziet dat de groep jongens op de avond van de poging inbraak de omgeving van het plaats delict observeert en dat de jongens met elkaar communiceren. Getuigen hebben ook gezien dat de jongens met elkaar communiceerden en dat de groep vervolgens wegrende.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde kan op grond van deze feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat de poging tot inbraak door “verenigde personen” is begaan, maar niet wie precies welke rol heeft vervuld. Er is sprake van een groep jongens die hierbij betrokken is waarbij geen der betrokkenen heeft willen zeggen wat de rolverdeling was, voor zover daar al sprake van was. De rechtbank gaat er, op grond van de uiterlijke schijn zoals die naar voren komt uit bovengenoemde omstandigheden, vanuit dat alle betrokkenen en dus ook verdachte betrokken zijn geweest bij de poging. Nu hij zelf geen inzicht heeft gegeven over de rol, die hij daarbij heeft gespeeld, houdt de rechtbank het ervoor dat hij als medepleger betrokken is geweest bij de poging.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, poging diefstal van de bromfiets bewezen. Aangever heeft verklaard dat, wanneer hij de straat komt inrijden, hij twee jongens voor de deur ziet staan. Vervolgens wordt gezien dat een jongen met een schroevendraaier in het contactslot zit en voorts met de schroevendraaier beweegt om het contactslot te openen. Vervolgens rennen de mannen weg. Getuige [getuige 3] wijst verdachte aan als zijnde één van de daders. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging diefstal van een bromfiets.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De rechtbank acht bewezen hetgeen onder 3 is ten laste gelegd en overweegt daartoe als volgt.

Op 2 januari 2017 heeft een woninginbraak plaatsgevonden op de [adres 3] te Amsterdam. Uit de woning zijn diverse goederen weggenomen. Uit de opgenomen telefoongesprekken is gebleken dat verdachte een paar minuten voor het tijdstip van de inbraak (sessie 597) telefonisch contact heeft gehad met een onbekende persoon. Tegen deze persoon zegt hij dat deze naar [medeverdachte 3] moet gaan om een nummer aan hem te geven, want ‘stel je voor er komt iemand boven’. Enkele minuten later belt verdachte met een onbekende persoon en vraagt hem of hij binnen is.

Daags na de inbraak voert verdachte vervolgens gesprekken met anderen waarbij wordt gesproken over de verkoop van een Wii spelcomputer. Dit valt op nu tijdens de inbraak zo’n spelcomputer is buitgemaakt.

Een deel van de goederen, waarvan vooral het aangetroffen spel “minecraft’ gelet op specifieke beschadigingen rechtstreeks te relateren is aan de inbraak, is vervolgens teruggevonden bij (medeverdachte) [medeverdachte 3] .

Ook bij verdachte worden spullen van de inbraak aangetroffen, te weten dag- en uurkaarten van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de bij hem aangetroffen kaartjes voor het openbaar vervoer van zijn moeder zijn die deze heeft gekregen bij de uitkering die zij ontvangt. Verdachte heeft nagelaten, ook nadat hij hier op de eerste zitting al was doorgevraagd, deze verklaring nader te onderbouwen, daar wat dit eenvoudig zou kunnen via bijvoorbeeld een verklaring van zijn moeder. Verdachte heeft ook verder geen enkele verklaring willen geven ten aanzien van de – belastende - inhoud van de bovengenoemde telefoongesprekken, die zijn gevoerd rond het tijdstip van de inbraak, en waarin hij spreekt over [medeverdachte 3] , bij wie vervolgens goederen van de inbraak zijn teruggevonden. Ook heeft verdachte niets willen zeggen wat hij in de periode omstreeks de inbraak deed en waar hij was etc. De rechtbank concludeert dat verdachte, wanneer alles in onderling verband wordt beschouwd, schuldig is het medeplegen aan deze inbraak.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 1 februari 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] weg te nemen goed(eren) en/of een geldbedrag, toebehorend aan [persoon 1] , en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, opzettelijk met zijn mededaders, naar die woning is toegegaan, waarna verdachte en/of (een van) zijn mededaders, de voordeur van die woning en het slot van die deur en een keukenraam van die woning hebben getracht open te breken.

2.

op 07 april 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een snorfiets (merk Piaggio Vespa), toebehorend aan [persoon 2] , en die weg te nemen snorfiets onder hun bereik te brengen door middel van verbreking naar voornoemde snorfiets is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader een schroevendraaier, in het contactslot van voornoemde snorfiets heeft/hebben gestopt en heen en weer heeft/hebben bewogen

3.

op 2 januari 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de [adres 3] ) heeft weggenomen

- een portable-computer (merk Dell, type Xps L502x) en

- een televisie (merk Philips, type flatscreen) en

- een spelcomputer (merk Nintendo, type Wii) en

- verpakkingen parfum (merk Calvin Klein, type lOOml) en

- een fles Whiskey (merk Black Label, type 1 liter) en

- een geldbedrag van 250 euro en/of

- een spelcomputer (merk Nintendo, type DS) en/of

- een tablet (merk Samsung) en

- een telefoon (merk Nokia, type N8) en

- een horloge (merk Sekonda) en

- opladers voor een telefoon (merk Samsung) en

- gouden armbanden en

- een of meer computerspellen (merk Wii) en

- 30 stuks, in elk geval een of meer dagkaarten van het GVB Amsterdam,

toebehorend aan [persoon 3] en/of [persoon 4] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot die woning hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van een keukenraam van die woning en door middel van inklimming via een keukenraam van voornoemde woning;

4.

op 1 december 2016 te Amsterdam, met anderen, op of aan de openbare weg, Volewijkshof, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 5] , welk geweld bestond uit het

- geven van een kopstoot tegen de borst, van voornoemde [persoon 5] en

- trappen tegen de voeten van voornoemde [persoon 5] waardoor voornoemde [persoon 5] vervolgens ten val is gekomen;

5.

op 10 januari 2017 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2016/7460, gedaan krachtens artikel 172 / 172a van de Gemeentewet, door de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 11 november 2016 tot en met 10 februari 2017 niet mocht bevinden in de wijk Banne Zuid, gelegen in Amsterdam Noord (Bezaanjachtplein en omgeving), immers bevond hij, verdachte, zich op 10 januari 2017 opzettelijk op de Kofschipstraat, gelegen in voornoemd gebied;

6.

op 30 maart 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [persoon 6] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 6]

- tegen het lichaam te slaan en

- tegen het lichaam te trappen en

- aan het lichaam van voornoemde [persoon 6] te trekken (waardoor voornoemde [persoon 6] ten val is gekomen);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 t/m 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 86 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens vordert de officier van justitie een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. De officier van justitie vordert oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een gebiedsverbod voor Amsterdam- Noord voor de periode van één jaar met een vervangende hechtenis van 14 dagen. De officier van justitie vordert dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt opgelegd.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat in geval van een bewezenverklaring met verschillende omstandigheden rekening dient te worden gehouden bij de strafoplegging. Verdachte heeft al lange tijd in voorlopige hechtenis gezeten. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde kan niet worden vastgesteld dat verdachte zelf enige geweldshandeling heeft verricht. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde is verdachte ten tijde van het incident minderjarig. Verdachte is niet de aanstichter van dat incident en zijn aandeel is marginaal. Hij heeft slechts één duw gegeven. Het is onjuist dat verdachte niet open stond voor begeleiding van de reclassering. Verdachte heeft gewoon geen behoefte aan reclasseringstoezicht. Het eventueel op te leggen gebiedsverbod kan worden aangepast naar slechts een gedeelte van Amsterdam Noord, zodat hij daar weer naar school kan. In geval van een marginale bewezenverklaring kan een voorwaardelijk strafdeel komen te vervallen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in een woning. Nadien heeft verdachte opnieuw een poging tot woninginbraak gepleegd, waarbij braakschade is veroorzaakt. Woninginbraken leveren niet alleen schade op voor betrokkenen, maar evenzeer een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Een woning is bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig zouden moeten kunnen voelen. Woninginbraken dragen bij aan de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder. Dat dit ook bij [persoon 3] het geval is blijkt uit de vordering die hij heeft ingediend. Daarin staat dat het huis volledig overhoop was gehaald en dat de kinderen niet meer alleen durven te slapen. Tevens blijkt het uit de veiligheidsmaatregelen die aangever heeft genomen. Dat de inbraak bij de woning in de Sterappelstraat niet is voltooid doet niet af aan de gevoelens van onveiligheid en onrust waaraan verdachte heeft bijgedragen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een brutale poging tot diefstal van een snorfiets. Door zijn gedrag heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Verdachte is betrokken geweest als (mede)dader bij twee zeer vervelende geweldsfeiten die zich allebei in een supermarkt hebben afgespeeld en waarbij twee personen slachtoffer zijn geworden van zinloos geweld.

Tot slot heeft verdachte een door de Burgemeester van Amsterdam opgelegd gebiedsverbod overtreden. Dergelijke verboden hebben tot doel het verstoren van de openbare orde en overlast aan bewoners binnen een bepaald gebied tegen te gaan en dergelijke verboden worden daartoe vanwege het bevoegd gezag gegeven. Door een dergelijk bevel te negeren frustreert de verdachte het door de gemeente gevoerde beleid op dat gebied.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Anderzijds heeft hij zich nu schuldig gemaakt aan zes misdrijven binnen een relatief korte periode, zodat hij toch niet voor al deze feiten als een first offender zal worden beschouwd.

Uit de rapporten van de reclassering van 10 augustus en 7 september 2017 blijkt dat de motivatie van verdachte ten opzichte van scholing en het emotioneel ondersteunde contact met zijn moeder positief te noemen is. Ook staat in de rapporten dat, anders dan in eerdere rapportages van de reclassering, betrokkene nu open zou staan voor begeleiding van de reclassering. Ter zitting heeft verdachte evenwel aangegeven dat hij dergelijke begeleiding niet wenselijk en niet nodig vindt. Verdachte heeft aangegeven zijn schoolopleiding liefst in Amsterdam Noord te willen voortzetten, ook al is dit gebied voor hem verboden verklaard vanwege recidivegevaar. De rechtbank ziet geen noodzaak om een reclasseringstoezicht op te leggen nu verdachte hier onvoldoende voor gemotiveerd is.

Hoewel verdachte ten tijde van het onder 6 bewezenverklaarde nog (net) minderjarig was, past de rechtbank ook ten aanzien van dat feit het volwassenenstrafrecht toe. Er ligt geen advies om een maatregel ingevolge het jeugdstrafrecht toe te passen zodat in die zin voor het toepassen van het jeugdstrafrecht geen aanleiding bestaat. Daarnaast beziet de rechtbank de onderhavige feiten als verband houdend met elkaar, nu zij gedurende een korte periode zijn gepleegd door verdachte op weg naar volwassenheid, in de woonwijk waar verdachte toen woonde.

De rechtbank houdt ten aanzien van de hoogte van de straf wel rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, met name de overtuigend geachte motivatie van verdachte ten opzichte van scholing, ziet de rechtbank aanleiding om verdachte niet terug de gevangenis in te sturen.

De rechtbank acht het wel noodzakelijk aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een locatieverbod voor Amsterdam-Noord, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw (met andere in de buurt verblijvende jongens) schuldig maakt aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank moet – gelet op de inhoud van het dossier waaruit naar voren komt dat verdachte zich op verontrustende en misdadige wijze met een bepaalde groep jongens in Amsterdam Noord, meer specifiek de Banne, begeeft ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte wederom contact zal opnemen met deze groep personen en hij wederom in deze omgeving een misdrijf zal plegen dat inbreuk maakt op de integriteit van het menselijk lichaam, zoals openlijk geweld of mishandeling, of zich belastend zal gedragen. Om deze redenen, en voorts ter beveiliging van de maatschappij en de lichamelijke integriteit van personen, beveelt de rechtbank de oplegging van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van één jaar met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan en bepaalt de vervangende hechtenis voor de duur van (14) dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt. Afwegend het belang van verdachte zich vrijelijk te kunnen bewegen op de openbare weg tegen het belang van de lichamelijke integriteit van personen is de rechtbank van oordeel dat het belang van laatstgenoemden zwaarder weegt dan het belang van de verdachte.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en na te noemen vrijheid beperkende maatregel alsmede een forse taakstraf passend en geboden.

9 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

1 STK Zaktelefoon SAMSUNG 5321544

Het inbeslaggenomen goed dient te worden teruggegeven aan verdachte.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen

Vordering benadeelde partij [persoon 7]

De benadeelde partij [persoon 7] vordert € 500,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is betwist.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering benadeelde partij [persoon 3]

De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 625,18 aan materiële schadevergoeding en € 325,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Een bedrag van € 215,- is vergoed.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer.

De vordering is betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten voor het alarmsysteem toewijsbaar zijn gelet op het rechtstreekse verband met (gevolgen van) de inbraak. De rechtbank concludeert dat de vordering tot een bedrag van in totaal € 599,74 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor de overige gevorderde kosten, met betrekking tot de gordijnen en de jaloezieën, in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren wegens onvoldoende rechtsreeks verband met het bewezenverklaarde.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 3] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 599,74 (vijfhonderdnegenennegentig euro en vierenzeventig cent).

Vordering benadeelde partij [persoon 6]

De benadeelde partij [persoon 6] vordert € 297,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een slachtoffer van een dergelijk feit last ondervindt of enige geestelijke schade lijdt. Tevens in aanmerking genomen de verwonding en pijn die het slachtoffer heeft ondervonden zal de rechtbank de vordering geheel toewijzen, te weten een bedrag van €297,-.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 6] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 6 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 297,- (tweehonderdzevenennegentig euro).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 141, 184, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

Ten aanzien van feit 3 primair:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van feit 4:

Het openlijk geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Ten aanzien van feit 6:

Medeplegen van mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 312 (driehonderdtwaalf) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van één jaar zich niet zal ophouden in het navolgende gebied Amsterdam Noord. Het exacte gebied waarvoor het verbod geldt staat aangegeven op het kaartje in bijlage II.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom contact zal opnemen met deze groep personen en hij wederom in deze omgeving een misdrijf zal plegen dat inbreuk maakt op de integriteit van het menselijk lichaam, zoals openlijk geweld of mishandeling, of zich belastend zal gedragen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1 STK Zaktelefoon SAMSUNG 5321544

Verklaart [persoon 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van [persoon 3] toe tot € 599,74 (vijfhonderdnegenennegentig euro en vierenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 599,74 (vijfhonderdnegenennegentig euro en vierenzeventig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 14 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 6] toe tot € 297,- (tweehonderdzevenennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 6] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 6] , aan de Staat € 297,- (tweehonderdzevenennegentig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 5 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2017.